ECLI:NL:CBB:1998:AU1293
public
2015-11-10T14:21:51
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AU1293
College van Beroep voor het bedrijfsleven
1998-12-15
AWB 97/56
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:1998:AU1293
public
2013-04-04T22:35:49
2005-08-23
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:1998:AU1293 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 15-12-1998 / AWB 97/56

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 97/56 15 december 1998

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

WPK Made B.V., gevestigd te Made, appellante,

gemachtigde: dr ir H.C.H. Schoenmakers, werkzaam bij het Subsidie Adviesbureau Planten, te Elst,

tegen

de Minister van Economische Zaken, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: ir H.S. Boerrigter, mr C. Cromheecke en drs C.M. van der Draay.

1. Het verloop van de procedure

Op 19 december 1996 heeft het College een beroepschrift van appellante ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 november 1996.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen zijn weigering om een verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen af te geven.

Verweerder heeft op 2 mei 1997 een verweerschrift ingediend.

Op 22 september 1998 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. Aan de zijde van verweerder zijn tevens verschenen ing T.D.J. Fierens en J.D. Kooiman bc.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op 1 januari 1996 is in werking getreden de Wet van 15 december 1995 houdende vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Stb. 1995, 635; hierna: de WVA).

De Wet Bevordering Speur- en ontwikkelingswerk (hierna: de WBSO) is bij de inwerking-treding van de WVA ingetrokken.

In de WVA is de afgifte van een S&O-verklaring op gelijke wijze geregeld als in de WBSO. Zo is de in de WVA neergelegde definitie van speur- en ontwikkelingswerk identiek aan de voorheen in artikel 1, lid 1, aanhef en sub h, van de WBSO neergelegde omschrij-ving, te weten:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

l. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Neder-land verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplich-tige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe fysieke produkten of produktieprocessen of technisch nieuwe onderdelen van fysieke produkten of produktieprocessen, alsmede daaraan voorafgaand systematisch georganiseerd haalbaarheidsonderzoek;

(...)"

In de voorheen op de WBSO, en per 1 januari 1996 op de WVA gebaseerde Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk die ten tijde van belang van toepassing was, is voorts het volgende bepaald:

"Artikel 1

Tot speur- en ontwikkelingswerk worden niet gerekend:

(...)

f. produktvergelijkend onderzoek, indien er geen samenhang is met ander speur- en ontwikkelingswerk;

(...)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting staan de volgende feiten en omstandigheden voor het College vast.

- Appellante heeft op 7 december 1995 bij verweerder een aanvraag ingediend om een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 2, van de WBSO, betreffende drie projecten.

- Bij besluit van 22 april 1996 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van de volgende motivering:

"DIF-schema

Dit project, met titel Teelttechnisch onderzoek aan uitgangsmateriaal voor de groententeelt, is voor 0% toegekend.

(...)

Het bovengenoemd project heeft betrekking op het onderzoeken en experimenteren met temperatuur- en lichtbehandelingen aan uitgangsmateriaal voor de groenteteelt. Deze werkzaamheden zijn niet direct gericht op het ontwikkelen van een technisch nieuw produktieproces of technisch nieuwe onderdelen daarvan. Evenmin worden deze werkzaamheden gerekend tot technisch-wetenschappelijk onderzoek zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, letter l van genoemde wet. Derhalve beslis ik afwijzend op uw aanvraag, met betrekking tot het onderhavige project.

Grond

Dit project, met titel Teelttechnisch en fysisch onderzoek aan steenwol, potgrond en diverse opkweek- en verspeensystemen voor de groententeelt, is voor 0% toegekend.

In bovengenoemd project wordt productvergelijkend onderzoek gedaan van steenwol, potgrond, pluggen, verspeen- en reinigingsmethoden. Voor de motivering van de afwijzing verwijs ik naar project DIF-schema.

Verzamel

Dit project, met titel Ontwikkeling van nieuwe produktieprocessen voor Hortensia-potplanten, boomzaailingen en andere gewassen, is voor 0% toegekend.

In bovengenoemd project wordt onderzoek gedaan naar effecten van belichting, bemesting, snoeien, enz. Voor de motivering van de afwijzing verwijs ik naar project DIF-schema."

- Appellante heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. In haar bezwaarschrift heeft zij haar bezwaren tegen verweerders afwijzing van de aanvraag onder meer als volgt verwoord:

"Teelttechnisch onderzoek aan uitgangsmateriaal voor de groententeelt

(...)

Bij de normale opkweekmethoden wordt de lengtegroei van uitgangsmateriaal van tomaat-, komkommer- en paprika-cultivars geremd door geregelde bespui-tingen met milieuvervuilende chemische middelen. Deze remming is nodig omdat anders zeer lange, slappe planten ontstaan die onbruikbaar zijn voor de telers van tomaat, komkommer en/of paprika. Omdat milieuvriendelijke produktiewijzen voorkeur genieten en steeds meer chemische middelen van overheidswege verboden worden, verricht W.P.K. Made B.V. S&O-werk naar de mogelijkheden van groeiremming m.b.v. fysiologische temperatuur- en lichtbehandelingen i.p.v. chemische groeiremmers. Hierbij worden de effecten van diverse temperatuur- en lichtbehandelingen op de groei en ontwikkeling van zaailingen onderzocht. Hierbij wordt o.a. gescoord op lengtegroei, aantal gevormde bladeren, bladoppervlak, plant(droog)gewicht en groeisnelheid. (...)

(...)

Teelttechnisch en fysisch onderzoek aan steenwol, potgrond en diverse op-kweek- en verspeensystemen voor de groententeelt

(...)

In dit project wordt produktvergelijkend onderzoek verricht aan steenwol, potgrond, opkweek- en verspeensystemen en reinigingsmethoden voor fusten, trays en vloeren. De resultaten van dit produktvergelijkende onderzoek, dat wordt uitgevoerd door en voor W.P.K. Made B.V. zullen worden geïmplemen-teerd in de diverse produktieprocessen van uitgangsmateriaal. Er bestaat een directe samenhang van het produktvergelijkende onderzoek met ander S&O-werk van W.P.K. Made B.V.. (...)

Mijns inziens is hier sprake van het ontwikkelen van technisch nieuwe onderdelen van produktieprocessen om deze te kunnen verbeteren. Dit geldt met name voor het S&O-werk aan nieuwe opkweek- en verspeensystemen.

(...)

Ontwikkeling van nieuwe produktieprocessen voor Hortensia-potplanten, boomzaailingen en andere gewassen

(...)

Dit project bestaat uit drie deelprojecten, te weten Hortensia, Bomen en een verzamelproject van onvoorzien teelttechnisch onderzoek aan andere gewassen.

Hortensia

W.P.K. Made B.V. wil voor Hortensia een bewaarmethode van 8-9 maanden ontwikkelen. Als een dergelijke bewaarmethode ontwikkeld is, kunnen jaarrond bloeiende pot- en kuipplanten van dit gewas geproduceerd worden, wat goede economische perspectieven biedt. De jaarrond-produktie is (a) volledig nieuw voor W.P.K. Made B.V. en voor Nederland, en (b) momenteel nog niet mogelijk, bekend of gepubliceerd. Dit geldt met name omdat nog geen enkel ander bedrijf hiermee bezig is, voor zover bekend. Daarom wordt teelttech-nisch onderzoek gedaan naar de effecten van temperatuur (invriezen/koudebehandeling), belichting, relatieve luchtvochtigheid, bemesting, snoeien, bladplukken en behandelingen met groeiregulatoren en gewasbeschermingsmiddelen op de bewaarbaarheid. (...)

(...)

Bomen

De produktie van uitgangsmateriaal van bomen gebeurt normaliter in de vollegrond. W.P.K. Made B.V. verricht S&O-werk om na te gaan of uit-gangsmateriaal van bomen ook in grond- of steenwolpluggen geproduceerd kan worden. Deze volstrekt nieuwe en voor Nederland oorspronkelijke teelt-techniek biedt diverse interessante perspectieven, zoals betere behandelingsmogelijkheden, verspeengemak, transportgemak, uniformiteit, geïsoleerde opkweek van bodempathogenen, etcetera. De methode van pluggenteelt is nog geheel onbekend.

Daarnaast wordt S&O-werk gedaan aan het sturen van de zaadkieming voor boomsoorten waarvoor dit nog niet bekend is."

- Appellante is op 8 oktober 1996 naar aanleiding van haar bezwaren door verweerder gehoord. Blijkens het verslag van het gehoor, dat zich bij de stukken bevindt, zijn de door appellante uitgevoerde werkzaamheden, die het onderwerp zijn van de aanvraag ter hoorzitting uitvoerig met haar besproken.

- Op 14 oktober 1996 heeft appellante zich nog tot verweerder gewend met een brief met de volgende inhoud:

"In de hoorzitting m.b.t. ... en WBSO/1996/3630/1/3242 van WPK Made B.V., respectievelijk Westlandse Planten Kwekerij B.V. kwamen we steeds weer op het strijdpunt of een produkt dat genetisch niet veranderd is, toch nieuw kan zijn.

(...) Hierbij doe ik U extra informatie toekomen m.b.t. bovengenoemd strijdpunt, zodat U mijns inziens beter een oordeel kunt vellen.

(1) De karakteristieke, fysieke eigenschappen van een levende plant hangen niet alleen af van de genetische achtergrond (de erfelijke eigenschappen) maar ook van het produktieproces (o.a. teeltomstandigheden en klimaat). (...) Met de genoemde voorbeelden hoop ik duidelijk te maken dat de fysische, werkelijke, tastbare eigenschappen van een plant niet gelijk zijn aan de erfelijke eigenschappen. Het produktie-proces heeft een zeer sterk c.q. bepalend effect op deze fysische, tastbare eigenschappen.

(2) De nieuwe produktieprocessen leiden tot fysiek nieuwe produkten omdat deze produkten fysiek nieuwe eigenschappen hebben die (a) sterk afwijken van de oude eigenschappen en die (b) blijvend zijn gedurende de gehele teelt van de gewassen. Dat hierbij niets veranderd is aan de geneti-sche achtergrond, is hierbij m.i. niet van belang."

- Verweerder heeft vervolgens op 14 november 1996 het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Verweerder heeft bij het bestreden besluit zijn oorspronkelijke beslissing gehandhaafd en de daartegen door appellante gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder het bestreden besluit als volgt nader toegelicht.

Op deze aanvraag is afwijzend beschikt aangezien er geen sprake is van de ontwikkeling van een technisch nieuw productieproces of technisch nieuwe onderdelen daarvan. Het bij de werkzaamheden uitgevoerde onderzoek, is productvergelijkend, en geen technisch-wetenschappelijk onderzoek De betreffende werkzaamheden vinden namelijk plaats in het kader van gewasontwikkeling en zijn gericht op een optimale bedrijfsvoering. Er is daarbij geen sprake van vergroting van technisch wetenschappelijke kennis, de werkzaamheden zijn gericht op het toepassen van diverse technieken en methoden ten behoeve van een optimaal productieproces. Productvergelijkend onderzoek, kan, gelet op het bepaalde bij artikel 1, onder f, van de Afbakeningsregeling, niet als S & O werk worden aangemerkt.

Evenmin is sprake van ontwikkeling van een technisch nieuw product, als bedoeld in de Wet. De processen zijn gebaseerd op het veranderen van de planten door gebruik te maken van in de plant aanwezige eigenschappen. Er wordt geen nieuw gewas ontwikkeld en de werkzaamheden van appellante zijn niet als veredeling aan te merken. Niet alle teelttechnische werkzaamheden zijn namelijk veredeling. Het kruisen van planten is veredeling, aangezien veredeling een proces is, gericht op de totstandkoming van een nieuw product, een nieuw ras. Als dat proces tot een eind is gekomen kan de ontwikkelaar op het ontwikkelde product een intellectueel eigendomsrecht aanvragen. Bij de werkzaamheden van appellante is dat niet aan de orde. De eigenschappen van de ontwikkelde gewassen veranderen weliswaar als gevolg van klimaatveranderingen en milieu-invloeden in de kas, maar het ras zelf verandert niet. Eventuele nazaten van de plant hebben de veranderde eigenschappen niet, omdat de plant genetisch niet veranderd is. De werkzaamheden van appellante zijn aan te merken als het inrichten van de bedrijfsvoering. Er worden daarbij geen nieuwe installaties ontwikkeld ten behoeve van de teelt. De instellingen in de klimaatcomputer die het bestaande productieproces aanstuurt worden zodanig gewijzigd dat er sprake is van een nieuwe teeltwijze. Het beïnvloeden van teeltparameters door bijvoor-beeld ventilatie, assimilatiebelichting, verwarming, CO2-bemesting, vochthuishouding, (substraat-) bemesting, snoeien, of het toedienen van plantspecifieke stoffen wordt niet gezien als de ontwikkeling van een nieuw productieproces, maar als het bijstellen van een bestaand productieproces.

Het ontwikkelde productieproces is in technische zin ook niet nieuw. Dat zou alleen het geval zijn, als daarbij specifiek "technische knelpunten" of problemen moeten worden opgelost, dat is hier niet aan de orde, aldus verweerder ter zitting. De nadruk bij de werkzaamheden van appellante ligt op het experimenteren met teeltparameters door het wijzigen van de bedrijfsvoering in het productieproces.

Verweerder past in ieder geval sinds 1996 bij de uitvoering van de WBSO en de WVA, het criterium "al dan niet in het kader van veredeling" consequent toe. In 1994 en 1995 toen nog geen volledig inzicht bestond in alle te onderscheiden WBSO-aanvragen en in zoverre nog niet voldoende criteria waren ontwikkeld, zijn bij de beoordeling van enkele van die aanvragen beslissingen genomen die bij de inmiddels verworven inzichten en met de daarop gebaseerde maatstaven niet zo zouden zijn genomen.

Bij de door appellante uitgevoerde werkzaamheden, die zij met een beroep op het gelijkheidsbeginsel gehonoreerd wil zien, overheersen de teelttechnische aspecten. In de acht door appellante genoemde gevallen was dat op één uitzondering na niet het geval. In die gevallen was overwegend sprake van veredeling. De betreffende werkzaamheden zouden ook thans niet anders worden beschouwd, aldus verweerder.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Hoewel de werkzaamheden van appellante niet gericht zijn op de totstandkoming van een genetisch nieuw product, is appellante van mening dat het werk dat zij doet wel degelijk gericht is op het creëren van nieuwe gewassen of productieprocessen. Daartoe heeft zij onder meer het volgende aangevoerd.

Appellante heeft betoogd dat haar werkzaamheden gericht zijn op de ontwikkeling van voor haar technisch nieuwe fysieke producten met fysiek nieuwe eigenschappen, of (onderdelen van) technisch nieuwe fysieke productieprocessen die in fysieke zin afwijken van (onderdelen van) oude productieprocessen. De technieken, de produkten en de (onderdelen van) produktieprocessen worden zelf ontwikkeld.

Allereerst gaat het daarbij niet om het toepassen van teeltomstandigheden en -klimaten maar om te onderzoeken met welke teeltomstandigheden en -klimaten gekomen kan worden tot planten die zich in fysieke zin anders manifesteren.

Ten tweede zijn de fysieke eigenschappen van een plant niet gelijk aan de genetische achtergrond (de genen) maar de optelsom van de genetische achtergrond en de milieu-invloeden (de teelttechnische maatregelen c.q. het produktieproces). Met name voor de kwantitatieve eigenschappen (die bepaald worden door grote families van genen samen) zoals groei, ontwikkeling, houdbaarheid, produktiecapaciteit, stressbestendigheid, etc. zijn milieu-invloeden van zeer grote invloed op de fysieke eigenschappen. Hierbij zijn de erfelijke eigenschappen dus beslist niet gelijk aan de fysieke (werkelijke, tastbare, meetbare, lichamelijke) eigenschappen, maar kan beter gesteld worden dat erfelijke eigenschappen en milieu-invloeden de fysieke eigenschappen bepalen zoals een middelpunt en straal een cirkel bepalen. Het gaat om de uiteindelijke fysieke eigenschappen van het produkt.

De nieuwe produktieprocessen van appellante leiden tot fysiek nieuwe produkten omdat deze produkten fysiek nieuwe eigenschappen hebben die (a) sterk afwijken van de oude eigenschappen en (b) blijvend zijn gedurende de gehele teelt van de gewassen. Dat hierbij niets veranderd is aan de erfelijke eigenschappen is hierbij niet relevant.

Met betrekking tot de afzonderlijke projecten heeft appellante voorts het volgende aangevoerd.

Het project "Teelttechnisch onderzoek aan uitgangsmateriaal voor de groententeelt" betreft proefnemingen die nog niet eerder zijn uitgevoerd of in de wetenschappelijke literatuur zijn beschreven Literatuur en wetenschap bieden slechts zeer algemene fysiologische principes en hypotheses aan die gebaseerd zijn op proeven m.b.t. groei en ontwikkeling van modelgewassen. Appellante acht het onjuist te stellen dat hier door derden ontwikkelde teelttechnieken worden toegepast. De producten zijn fysiek nieuw omdat ze fysiek (lichamelijk, tastbaar) nieuwe eigenschappen hebben die sterk afwijken van de oude eigenschappen. De verdere groei en ontwikkeling van het milieuvriendelijk geproduceerde uitgangsmateriaal bij de telers verloopt duidelijk en significant anders dan die van uitgangsmateriaal dat chemisch geremd is tijdens de zaailingfase. Dit door fysiologische regulatie veroorzaakte verschil is bijvoorbeeld gemiddeld groter dan de genetische verschillen die verschillende cultivars laten zien. (Het ontwikkelen van nieuwe cultivars wordt standaard gezien als S&O-werk). Bovendien zijn de nieuwe, fysiologisch gestuurde eigenschappen blijvend gedurende de gehele teelt van de gewassen. Het zijn dus vaste, langdurige nieuwe eigenschappen. Het feit dat het nieuwe milieuvriendelijke productiepro-ces van uitgangsmateriaal niet leidt tot genetisch nieuwe producten is hierbij niet relevant; de werkelijke, fysieke eigenschappen zijn nieuw.

Appellante verwacht dat het project "Teelttechnisch en fysisch onderzoek aan steenwol, potgrond en diverse opkweek- en verspeensystemen voor de groententeelt" leidt tot een wezenlijke (significante) verbetering van de kwaliteiten en uniformiteit van het geproduceerde uitgangsmateriaal voor de teelt en (b) tot een wezenlijk (significant) goedkoper, sneller en efficiënter productieproces.

Bovendien merkte verweerder in 1994 en 1995 op grond van dezelfde wettelijke beoordelingscriteria nagenoeg standaard alle WBSO aanvragen voor teelttechnisch speur- en ontwikkelingswerk aan als S&O-werk. Dit gold niet alleen voor veredelingsbedrijven, maar ook voor bedrijven, die niet zelf-ontwikkeld uitgangsmateriaal voor de teelt produceerden.

Appellante heeft voorts acht voorbeelden aangehaald waarbij verweerder in 1996 aanvragen van veredelingsbedrijven, die ook teelttechnisch en fysiologisch speur- en ontwikkelingswerk uitvoeren, wèl heeft gehonoreerd. Die werkzaamheden waren niet bedoeld voor het selecteren van kruisingsproducten (aangezien het dan immers nog veredelingswerkzaamheden zouden zijn) maar voor het kunnen produceren of het verbeteren van de productie van een ontwikkeld, technisch nieuw fysiek product.

5. De beoordeling

5.1 Ingevolge artikel 1, lid 1, van de WVA zijn bij de begripsbepaling van speur- en ontwikkelingswerk werkzaamheden die "direct en uitsluitend" zijn gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek, te onderscheiden van werkzaamheden die "direct en uitslui-tend" zijn gericht op de ontwikkeling van technisch nieuwe product(ieprocess)en.

Appellante heeft bij haar aanvraag het project onder meer getypeerd als procesgericht en heeft in beroep uitgebreid nader uiteengezet dat haar werkzaamheden zijn gericht op de ontwikke-ling van technische nieuwe productieprocessen en technisch nieuwe producten. Het College ziet in hetgeen voorts tijdens het onderzoek is gesteld en gebleken geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze door appellante gegeven typering.

Met deze typering valt niet te verenigen, dat de onderhavige werkzaamheden tevens direct en uitsluitend zouden zijn gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek in de zin van bedoelde begripsbepaling van speur- en ontwikkelingswerk. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat appellante, naar zij heeft gesteld, bij die ontwikkelingswerkzaamheden ook toegepast wetenschappelijk onderzoek verricht.

Het geschil spitst zich derhalve uitsluitend toe op de beantwoording van de vraag of verweerder aan de in geding zijnde werkzaamheden de kwalificatie "gericht op de ontwikkeling van technische nieuwe (fysieke) producten of productieprocessen" als bedoeld in de hierboven in rubriek 2. geciteerde definitiebepaling op juiste gronden heeft onthouden.

5.2 Appellante heeft ten eerste gesteld dat bepaalde werkzaamheden zijn gericht op technisch nieuwe fysieke producten.

Het College overweegt dienaangaande dat hetgeen appellante heeft aangevoerd, geen grondslag biedt voor het oordeel dat haar werkzaamheden zijn gericht op producten die ook in technisch opzicht nieuw zijn. Daartoe is onvoldoende dat als gevolg van andere teeltomstandigheden en –klimaten een plant zich in fysieke zin anders gaat manifesteren; immers, op zich was de plant tot het ontwikkelen van zodanige fysieke eigenschap-pen tevoren technisch al in staat was (zie uitspraak van het College van 1 februari 1996 in zaak no. 94/3033/062/231, "Atlas Software"). Evenmin kan de omstandigheid dat de kwaliteit en uniformiteit van plantaardig materiaal wezenlijk wordt verbeterd, op zich leiden tot het oordeel dat ook in technisch opzicht een nieuw product wordt ontwikkeld.

Appellante heeft in dit verband voorts gesteld dat de door haar ontwikkelde producten fysiek nieuwe eigenschappen verkrijgen. Die stelling ontbeert feitelijke grondslag voor zover appellante daarmee heeft willen betogen dat tevens sprake is van in technisch opzicht nieuwe eigenschappen die in de oorspronkelijke plant fysisch niet tot leven waren te brengen. Nu voorts, als door verweerder in aanmerking genomen, geen sprake is van veredelingswerkzaamheden die gericht zijn op de ontwikkeling van een nieuwe plant die zich in genetisch opzicht zodanig onderscheid dat hierop een intellectueel eigendomsrecht kan worden gevestigd, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de onderhavige werkzaamheden niet zijn gericht op een technisch nieuw fysiek product.

5.3 Appellante heeft daarnaast geconcludeerd dat bepaalde werkzaamheden zijn gericht op de ontwikkeling van technisch nieuwe productieprocessen.

Dienaangaande overweegt het College dat hetgeen appellante met betrekking tot deze werkzaamheden heeft gesteld, onvoldoende grond biedt voor de conclusie dat de te ontwikkelen nieuwe productieprocessen zich ook in technische opzicht onderscheiden van reeds bekende teelttechnieken. Dat de toepassing van een als zodanig bekende techniek in de teelt van andere bepaalde plantensoorten niet eerder aan proefnemingen is onderworpen of weten-schappelijk is beschreven, of dat daarvoor voorafgaand onderzoek naar de effecten en naar eventueel noodzakelijke nieuwe doseringen, frequenties of combinaties nodig is, maakt niet dat reeds hierom ook in technisch opzicht een nieuw productieproces wordt ontwikkeld.

Voorts overweegt het College dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellantes werkzaamheden tevens het oplossen van technische knelpunten meebrengen die van zodanige aard zijn dat technisch nieuwe onderdelen aan het teeltproces moeten worden toegevoegd.

Appellantes opvatting dat aan het wettelijk vereiste van nieuwheid is voldaan omdat haar ontwikkelingswerk is gericht op een wezenlijk en significant goedkoper, sneller en efficiënter productieproces, is niet in overeenstemming met doel en strekking van de term "technisch nieuw" in de begripsbepaling van speur- en ontwikkelingswerk.

Derhalve kan niet worden geoordeeld dat verweerder de onderhavige werkzaamheden ten onrechte heeft aangemerkt als niet gericht op de ontwikkeling van technisch nieuwe productieprocessen.

5.4 Appellantes grief dat verweerder in 1994 en in 1995 als regel wel alle aanvragen voor teelttechnisch en fysiologisch speur- en ontwikkelingswerk honoreerde, leidt het College niet tot het oordeel dat in appellantes geval ten onrechte niet aan deze uitvoeringspraktijk is vastgehouden. Onder verwijzing naar de uitspraak van 1 juli 1997, nr. 95/0337/062/231 (Expograph) overweegt het College dat, voor zover appellante hier doelt op een serie beslissingen, die dateren uit een periode dat nog ervaring met de toepassing van de WBSO moest worden opgedaan, maar die anders zouden zijn uitgevallen bij de inmiddels ontwikkelde maatstaven, het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt, dat verweerder genoopt zou zijn bij de aanvang van de toepassing van de WBSO gemaakte "aanvangsfouten" te blijven herhalen.

Ten aanzien van de acht door appellante genoemde in 1996 – volgens haar gelijke gevallen - waarbij door verweerder S&O-verklaringen werden afgegeven, overweegt het College ten slotte het volgende.

Verweerder heeft ter zake onweersproken medegedeeld dat in zeven van de door appellante genoemde gevallen, anders dan in het voorliggende geval, bij de werk-zaamhe-den het veredelingsaspect overheerste en dat in één geval de toekenning op een vergissing in de feiten berustte. Het College ziet geen aanleiding aan de feitelijke juistheid van deze mededeling te twijfelen.

Niet kan worden geoordeeld dat in die omstandigheden sprake is van een situatie waarin gelijke gevallen op ongelijke wijze zijn beoordeeld noch dat de ongelijkheid in het laatstvermelde geval moet leiden tot het alsnog honoreren van de door appellante gestelde aanspraken.

Appellantes beroep op het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel moeten dan ook falen.

5.5 De slotsom moet zijn dat verweerder de aanvraag om een S&O-verklaring terecht heeft afgewezen. Het beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, mr D. Roemers en mr M.J. Kuiper, in tegenwoordig-heid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 december 1998.

w.g. R.R. Winter w.g. A. Bruining