ECLI:NL:CBB:2000:AU1251
public
2015-11-16T10:29:15
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AU1251
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2000-04-04
AWB 98/50
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Faillissementswet 23
Faillissementswet 25
Faillissementswet 27
Wet op de Registeraccountants
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2000:AU1251
public
2013-04-04T22:35:41
2005-08-22
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2000:AU1251 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 04-04-2000 / AWB 98/50

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 98/50 4 april 2000

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

De besloten vennootschap A Bouwontwikkeling B.V., gevestigd te B, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 21 november 1997.

1. De procedure

De bestreden, op 24 november 1997 verzonden, tuchtbeslissing is gegeven op een klacht van appellante betreffende C, registeraccountant te D (hierna: C).

Bij beroepschrift van 7 januari 1998, ingekomen ter griffie van het College op 21 januari 1998, is namens appellante beroep ingesteld tegen genoemde tuchtbeslissing.

De raad van tucht heeft bij schrijven van 4 februari 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden aan de griffier van het College.

Bij brief van 4 maart 1998 zijn vanwege appellante nadere stukken in het geding gebracht.

Bij brief van 13 maart 1998 heeft de raadsman van C, D, advocaat te E, onder verwijzing naar een schrijven d.d. 4 maart 1998 van de curator in het faillissement van appellante, F, advocaat te G, onder meer naar voren gebracht dat het onderhavige, door A, directeur van appellante, namens appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien in verband met het bepaalde in de Faillissementswet A niet bevoegd zou zijn tot het instellen van dat beroep.

Bij schrijven van 30 maart 1998 heeft F, voornoemd, antwoord gegeven op een vanwege het College gestelde vraag.

Van de zijde van C is bij brief van 22 april 1998 gereageerd op hetgeen namens appellante in beroep is aangevoerd.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 14 maart 2000, waar A, voornoemd, is verschenen namens appellante en waar C in persoon is verschenen met bijstand van D, voornoemd, als zijn raadsman.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de namens appellante ingediende klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de door appellante tegen C ingediende klacht, de beoordeling daarvan door de raad van tucht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt kortheidshalve verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

Ook het College gaat uit van de feiten, zoals die onder de desbetreffende rubriek van de bestreden tuchtbeslissing zijn vermeld.

3. De middelen van het beroep

Van de zijde van appellante zijn, samengevat weergegeven, de volgende middelen voorgedragen.

De raad van tucht heeft miskend dat C er ten onrechte aan heeft meegewerkt om H B.V. op te nemen in een fiscale eenheid met I Holding B.V. Als gevolg van deze onjuiste opneming zijn alle jaarrekeningen van genoemde besloten vennootschappen en van die fiscale eenheid onjuist samengesteld en geven de jaarrekeningen een onjuist beeld van de financiële positie van de I Groep.

Ten onrechte spreekt de raad van tucht in zijn beslissing over een optie welke appellante zou hebben op het verkrijgen van aandelen van H B.V. Weliswaar wordt in een brief van appellante d.d. 18 maart 1997 – per abuis – gesproken van een optie, doch uit een overeenkomst tussen appellante en I Holding B.V. van 7 april 1989 blijkt duidelijk dat appellante vanaf het begin eigenaar was van 50% van de aandelen van H B.V., alsmede dat I Holding B.V. die aandelen slechts tijdelijk als onderpand had gekregen.

Gegeven dit aandeelhouderschap van appellante van H B.V., is appellante ten onrechte nimmer betrokken geweest bij de besluitvorming in de algemene aandeelhoudersvergadering van die besloten vennootschap. Zulks betekent dat alle in die vergadering genomen besluiten ongeldig zijn.

Aan C kan derhalve worden verweten dat hij heeft meegewerkt aan het scheppen en bevestigen van deze onjuiste en kwalijke situatie.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het College gaat op de eerste plaats in op de namens C bepleite niet-ontvankelijkheid van het beroep van appellante.

Daartoe is naar voren gebracht dat het beroep door A is ingesteld op een tijdstip waarop appellante in staat van faillissement verkeerde. In verband hiermede moet in de opvatting van C, gelet op het bepaalde in de artikelen 23, 25 en 27 van de Faillissementswet, worden geoordeeld dat niet A bevoegd was, doch dat eventueel de curator in het faillissement bevoegd zou zijn geweest tot het instellen van beroep.

Het College wijst deze opvatting van de hand en overweegt daartoe dat, gezien de strekking en mogelijke uitkomsten van de tuchtrechtspraak betreffende gedragingen van registeraccountants, zoals die rechtspraak is geregeld in Titel II van de Wet op de Registeraccountants, niet kan worden staande gehouden dat hier sprake is van een rechtsvordering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Faillissementswet.

Ook in hetgeen overigens in de Faillissementswet wet is bepaald, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat A niet bevoegd was tot het instellen van het onderhavige beroep.

4.2 Met betrekking tot de inhoud van het beroep stelt het College vast dat de bezwaren van appellante zijn gericht tegen hetgeen de raad van tucht in zijn beslissing in onderdeel 2 van de rubriek "De beoordeling van de klacht" heeft overwogen naar aanleiding van klachtonderdeel c, betreffende het verlenen van medewerking door C aan het opnemen van H B.V. in een fiscale eenheid met I Holding B.V.

Hetgeen appellante in dat verband naar voren heeft gebracht, verstaat het College aldus, dat C door zijn goedkeuring van jaarverslagen van I Holding B.V. het vanwege die vennootschap ingenomen standpunt met betrekking tot de aandelenpositie van H B.V. ten onrechte heeft geaccordeerd en het aldus – mede - mogelijk heeft gemaakt dat genoemde fiscale eenheid werd gevormd. In dat verband is gewezen op hetgeen in de jaarverslagen van I Holding B.V. over 1990 en 1991 is vermeld omtrent de aandelen van H B.V.

In het jaarverslag over 1990 is onder de rubriek "Lijst van deelnemingen" per 31 december 1990 een deelname in H B.V. vermeld van 50%. Ter toelichting daarop is het volgende opgemerkt.

"H B.V. en (…) zijn proportioneel geconsolideerd. De andere 50% van H is opgenomen onder de balanspost "overige effecten", aangezien de vennootschap gehouden was deze aandelen binnen afzienbare tijd aan derden over te dragen."

In het jaarverslag over 1991 is per 31 december 1991 een deelname In H B.V. vermeld van 100%. De toelichting daarop luidt:

"Tot en met 1990 waren 50% van de aandelen van H b.v. onder de overige effecten opgenomen, aangezien de vennootschap gehouden was deze aandelen binnen afzienbare tijd aan derden over te dragen. Vanaf 1991 zijn ook deze 50% geklassificeerd onder de deelnemingen."

Met betrekking tot het voorafgaande overweegt het College dat er ten tijde in dit geding van belang een rechtsstrijd gaande was tussen appellante en I Holding B.V., betreffende - met name – vorderingen van appellante op genoemde besloten vennootschap, waarbij mede de claim van appellante op aandelen van H B.V. aan de orde was.

Het College is, gelet op de inhoud van de desbetreffende bescheiden, waaronder mede begrepen een aantal rechterlijke uitspraken, overeenkomsten tussen appellante en I Holding B.V. en een scheidsrechterlijke beslissing, van oordeel dat daarin geen aanknopingspunt kan worden gevonden voor de opvatting dat appellante de harerzijds gestelde zeggenschap had over aandelen van H B.V.

C heeft zich, naar hij ter zitting heeft bevestigd, voor zijn oordeelsvorming ter zake mede op deze stukken gebaseerd.

Het College is in verband met het geheel van deze ter zake dienende gegevens van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat de in voornoemde jaarverslagen vervatte zienswijze van I Holding B.V. aangaande haar participatie in H B.V. onder de gegeven omstandigheden als dusdanig onjuist of onredelijk kan worden gekwalificeerd, dat C geacht moet worden in tuchtrechtelijk opzicht verwijtbaar te hebben gehandeld door zijn goedkeuring aan die jaarverslagen te hechten.

Het College overweegt voorts dat in verband met het vorenstaande de door appellante opgeworpen grief dat de raad van tucht ten onrechte is uitgegaan van een optie van appellante op aandelen van H B.V., geen verdere bespreking behoeft. Overigens heeft A niet alleen in de door hem genoemde brief van 18 maart 1997, doch blijkens het proces-verbaal van de zitting van de raad van tucht ook bij die gelegenheid gesproken van een optie.

Voor zover appellante heeft beoogd te stellen dat C rechtstreeks betrokken was bij de totstandbrenging van eerdervermelde fiscale eenheid, moet worden opgemerkt dat de bezwaren die appellante in dat verband naar voren heeft gebracht, reeds falen omdat een zodanige betrokkenheid door C is ontkend en appellante het bestaan daarvan niet aannemelijk heeft gemaakt.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep moet worden verworpen.

4.3 Deze uitspraak berust op de artikelen 33, eerste lid, 52 en 54f van de Wet op de Registeraccountants.

5. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr C.M. Wolters en, mr H.C. Cusell in tegenwoordigheid van mr drs J.J.P. Bosman, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2000.

w.g. B. Verwayen w.g. J.J.P. Bosman