ECLI:NL:CBB:2001:AA9888
public
2015-11-11T09:13:11
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AA9888
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-02-07
AWB 99/930
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AA9888
public
2013-04-04T16:20:23
2001-07-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AA9888 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 07-02-2001 / AWB 99/930

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 99/930 7 februari 2001

5125

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 4 november 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij

beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 oktober 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de

afwijzing van zijn aanvraag op grond van de Regeling dierlijke EG-premies

(hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 3 februari 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 11 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen

- appellant in persoon, bijgestaan door zijn bedrijfsadviseur C, en verweerder bij monde

van zijn gemachtigde - hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 4g van Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad luidt, voorzover hier van

belang, als volgt:

" 1. Het totaal aantal dieren waarvoor de speciale premie en de

zoogkoeienpremie kan worden aangevraagd wordt begrensd door toepassing

van het veebezettingsgetal van het betrokken bedrijf. Dit getal geeft de

verhouding weer tussen het aantal grootvee-eenheden (GVE) en het areaal van

dat bedrijf dat voor de voedering van de dieren van dat zelfde bedrijf wordt

gebruikt. Een producent wordt echter vrijgesteld van de toepassing van het

veebezettingsgetal wanneer het aantal dieren op zijn bedrijf dat in aanmerking

moet worden genomen voor de bepaling van het veebezettingsgetal niet groter

is dan 15 GVE.

(.)

3. Het veebezettingsgetal van het bedrijf wordt vastgesteld op grond van:

- de aantallen mannelijke runderen, zoogkoeien, schapen en/of geiten

waarvoor de premieaanvragen werden ingediend, alsmede de melkkoeien

die noodzakelijk zijn voor de produktie van de aan de producent toegekende

referentiehoeveelheid melk.(.)

- het voederareaal: de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele

kalenderjaar voor rundveehouderij alsmede voor de schapen- en/of

geitenhouderij beschikbaar is."

Artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie luidt voorzover hier van

belang als volgt:

" 3. Voor de gevallen waarin een steunaanvraag "oppervlakten" uitsluitend

betrekking heeft op blijvend grasland, kan de Lid-Staat bepalen dat deze

aanvraag kan worden ingediend tegelijk met de eerste steunaanvraag "dieren"

van het betrokken bedrijfshoofd welke wordt ingediend na de datum die is

vastgesteld voor de indiening van de andere steunaanvragen "oppervlakten" in

de betrokken Lid-Staat, en uiterlijk tegen 1 juli.

(.)

5. Van de verplichting om een steunaanvraag "oppervlakten" in te dienen

worden die bedrijfshoofden vrijgesteld die

- slechts de premie voor mannelijke runderen en/of de zoogkoeienpremie

aanvragen en zijn vrijgesteld van het veebezettingsgetal en niet naast deze

premies ook aanvullende premie aanvragen,

- (.)

- slechts de premie voor ooien of geiten aanvragen."

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 moet de steunaanvraag

"dieren", onverminderd de eisen die in de sectori‰le verordeningen worden gesteld ten

aanzien van steunaanvragen, alle benodigde gegevens bevatten, waaronder met name een

verwijzing naar de steunaanvraag "oppervlakten" indien deze reeds is ingediend,

behoudens in het in artikel 4, lid 5, bedoelde geval.

Artikel 8, eerste lid, van Verordening (EEG) 3887/92 luidt als volgt:

" Behoudens overmacht leidt het te laat indienen van een aanvraag tot een

verlaging van de steunbedragen waarop de aanvraag betrekking heeft, waarop

het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend,

met 1 % per werkdag. In geval van vertraging van meer dan 25 dagen wordt de

aanvraag niet ontvankelijk en kan deze niet langer tot toekenning van een

bedrag leiden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt als ''aanvraag" beschouwd: een

steunaanvraag "oppervlakten", een steunaanvraag "dieren" (.)."

Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel 8 leidt het te laat of niet indienen van een

andere aanvraag dan de betrokken steunaanvraag "dieren" niet tot verlagingen van de steun

in het kader van de in artikel 4, lid 5, bedoelde steunregelingen en evenmin tot uitsluiting

van de toepassing van die steunregelingen.

Artikel 4.3 van de Regeling bepaalt dat LASER aan de producent het voor hem

vastgestelde veebezettingsgetal en het daaruit voortvloeiende aantal GVE waarvoor premie

kan worden aangevraagd meedeelt.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 10 augustus 1999 heeft appellant bij de dienst LASER een aanvraag ingevolge de

Regeling ingediend voor 14 zoogkoeien, verkoopseizoen 1999.

- Eerder in hetzelfde seizoen heeft appellant op grond van de Regeling premie

aangevraagd voor 210 ooien.

- Bij brief van 26 augustus 1999 heeft verweerder aan appellant de berekening van

diens veebezettingsruimte doen toekomen. Aangezien geen aanvraag oppervlakten is

ingediend en (dus) geen voederareaal is opgegeven bedraagt het maximaal aantal

GVE 15. Nu het aantal GVE voor de aan te houden ooien reeds (210 x 0,15 =) 31.5

bedraagt, is het aantal mannelijke runderen of zoogkoeien waarvoor ingevolge de

Regeling over 1999 premie kan worden aangevraagd nul.

- Bij besluit van 27 augustus 1999 heeft verweerder aan appellant onder verwijzing

naar artikel 4g, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 805/68 bericht dat de aanvraag

met ontvangstdatum 10 augustus 1999 is afgewezen, omdat er geen ruimte in de

veebezetting aanwezig is.

- Bij brief van 11 september 1999 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen voormeld

besluit.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant kennelijk ongegrond

verklaard. Dit besluit houdt onder meer het volgende in.

" Bij de beoordeling van uw aanvraag is gebleken, dat van u geen aanvraag

oppervlakten voor het verkoopseizoen 1999 is ontvangen. U kon derhalve,

gelet op het bepaalde in artikel 8, tweede lid van EG-verordening 3887/92 voor

in totaal 15 GVE benutten. Zoals ook hierboven is aangegeven kon u na aftrek

van het aantal GVE dat voor de voor premie opgegeven ooien (210) benut

werd, geen GVE meer voor zoogkoeienpremie benutten.

Uw argument dat u destijds nog niet wist dat u uw bedrijfsvoering zou

veranderen, kan u niet baten. Van de voorwaarden van een regeling kan alleen

worden afgeweken, als door overmacht absoluut geen aanvraag kan worden

ingediend. Onder overmacht worden in dit verband enkel die gevallen verstaan

waarin sprake is van een te late indiening van de aanvraag als gevolg van zeer

uitzonderlijke, buiten toedoen van de producent ingetreden omstandigheden,

waarvan de gevolgen niet of slechts ten koste van onevenredig grote offers te

vermijden waren geweest. Daarvan is mij in uw geval niet gebleken. De enkele

omstandigheid dat u door wijziging in de bedrijfsvoering geen aanvraag

oppervlakten heeft ingediend is een omstandigheid die valt onder het normale

ondernemersrisico. De gevolgen daarvan dienen derhalve voor uw rekening te

komen.

Uw argument dat met behulp van de gegevens van de ooipremie en de

gegevens van de landbouwtelling 1999 voldoende informatie aanwezig is om

uw aanvraag zoogkoeienpremie 1999 toe te wijzen kan evenmin tot een andere

beslissing leiden. Door het ontbreken van een aanvraag oppervlakten kan

namelijk onvoldoende gecontroleerd worden of u in het betrokken

verkoopseizoen voor een periode van tenminste 7 maanden voldoende grond

voor de rundveehouderij beschikbaar had. De definitie van het begrip

voederareaal in artikel 1.1. van de regeling vereist dit immers. Bovendien zou

bij inwilliging van uw verzoek rechtsongelijkheid ontstaan ten opzichte van

aanvragers die wel een aanvraag oppervlakten hebben ingediend."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het

bestreden besluit aangevoerd.

Juist is dat appellant in 1999 geen aanvraag oppervlakten ingevolge de Regeling EG-

steunverlening akkerbouwgewassen heeft ingediend. Tijdens de daarvoor geldende

aanvraagperiode wist appellant nog niet dat hij ter verbetering van zijn inkomsten in

augustus van dat jaar een tak zoogkoeienhouderij zou opzetten.

Dit neemt echter niet weg dat appellant over een oppervlakte grasland beschikt die

tenminste goed is voor circa 80 grootvee-eenheden en dat verweerder (althans de

uitvoeringsdienst LASER) zowel uit hoofde van de landbouwtellingsgegevens als de bij de

premie-aanvraag voor ooien verstrekte gegevens van deze oppervlakte op de hoogte kon

zijn.

Voorts begrijpt appellant de stelling van verweerder, inhoudende dat inwilliging van de

premie-aanvraag voor zoogkoeien zou leiden tot rechtsongelijkheid, niet. Naar zijn

opvatting moet het praktisch mogelijk zijn om nadat de indieningsdatum voor de aanvraag

oppervlakten is verstreken, tot wijziging in de bedrijfsvoering over te gaan. Het zou

duidelijker zijn indien de aanvraagperioden voor de aanvragen oppervlakten en de dierlijke

premie gelijk zouden zijn.

5. De beoordeling van het geschil

Op grond van het bepaalde in artikel 4g, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 805/68,

zoals hiervoor in rubriek 2.1. weergegeven, wordt het aantal dieren waarvoor

zoogkoeienpremie kan worden aangevraagd begrensd door de toepassing van het

veebezettingsgetal van het betrokken bedrijf, dat ingevolge het derde lid van dit artikel

onder meer vastgesteld op grond van het voederareaal van het betrokken bedrijf.

Vast staat dat appellant geen aanvraag oppervlakten 1999 heeft ingediend en daarmee

evenzeer dat appellant in dit jaar geen voederareaal heeft opgegeven. Gelet op de laatste

volzin van artikel 4g, eerste lid, voornoemd, is daarmee het maximum aantal GVE

waarvoor appellant in 1999 premie kan ontvangen 15. Nu appellant in het onderhavige

seizoen met diens aanvraag ooipremie reeds 31,5 GVE heeft benut was verweerder dan ook

gehouden de aanvraag zoogkoeienpremie voor het verkoopseizoen 1999 af te wijzen.

Hetgeen appellant in zijn beroepschrift en ter zitting naar voren heeft gebracht kan aan het

vorenstaande niet af doen.

Van de verplichting om een - tijdige - aanvraag "oppervlakten" in te dienen zijn blijkens

artikel 4, vijfde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 immers slechts die producenten

vrijgesteld, die zijn vrijgesteld van het veebezettingsgetal en slechts premie voor

mannelijke runderen en/of zoogkoeien aanvragen. Vrijstelling van de toepassing van het

veebezettingsgetal is slechts aan de orde indien sprake is van een maximum van 15 GVE.

Nu appellant in het onderhavige seizoen tevens een aanvraag ooipremie heeft ingediend

- tot een aantal van 31,5 GVE - is deze vrijstellingsbepaling niet op hem van toepassing.

Voorts is in artikel 4, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 voorzien in de

mogelijkheid om na de normale indieningstermijn van een aanvraag "oppervlakten"

(welke geldt tot 15 mei van het betrokken jaar) een dergelijke steunaanvraag in te dienen,

doch deze mogelijkheid geldt slechts indien de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op

blijvend grasland en deze indiening gelijk met een eerste steunaanvraag "dieren" uiterlijk

tegen 1 juli plaatsvindt.

Daargelaten dat ten tijde van het indienen van de onderhavige aanvraag laatstgenoemde

datum reeds verstreken was, komt appellant gelet op de in rubriek 2.2. weergegeven feiten

ook voor deze uitzondering niet in aanmerking.

Weliswaar staat het appellant vrij om te besluiten tot wijziging van zijn bedrijfsvoering,

maar een dergelijke beslissing alsmede het tijdstip waarop deze wordt genomen kan gelet

op het hiervoor weergegeven samenstel van toepasselijke - communautaire - voorschriften

niet tot de slotsom leiden dat appellant zonder indiening van een aanvraag "oppervlakten"

en opgave van voederareaal in het verkoopseizoen 1999 naast de ooipremie subsidie voor

zoogkoeien kan worden verleend.

Met verweerder is het College van oordeel dat deze beslissing behoort tot het normale

bedrijfsrisico van appellant en niet kan worden aangemerkt als overmacht.

Verweerder heeft op grond van het vorenstaande het bezwaar van appellant bij het

bestreden besluit terecht ongegrond verklaard en het beroep is derhalve eveneens

ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing

van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2001.

w.g. M.A. van der Ham w.g. F.W. du Marchie Sarvaas