ECLI:NL:CBB:2001:AB0531
public
2015-11-11T18:44:40
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB0531
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-02-28
AWB 99/212
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Telecommunicatiewet 17
Telecommunicatiewet 20
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0531
public
2013-04-04T16:22:58
2001-07-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB0531 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 28-02-2001 / AWB 99/212

-

AM

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/212 28 februari 2001

15080

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigden: mr L.S. Frakes en mr G.W. van der Klis, advocaten te Amsterdam,

tegen

de Onafhankelijke Post en Telecommunicatieautoriteit, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr R. Snel en mr E.J. Daalder, advocaten te 's-Gravenhage.

1. De procedure

Bij uitspraak van 14 oktober 1998 (no. AWB 97/1138) heeft het College het beroep van Libertel B.V., de rechtsvoorgangster

van appellante (hierna mede: appellante), gericht tegen een besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 24 juli 1997,

gegrond verklaard. Daarbij is bepaald dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van appellante met inachtneming

van deze uitspraak.

Bij besluit van 22 januari 1999 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van appellante beslist. Appellante heeft tegen dit

besluit bij op 4 maart 1999 ingekomen beroepschrift beroep ingesteld en op 22 april 1999 het beroep aangevuld met gronden.

Verweerder heeft op 16 juni 1999 een verweerschrift ingediend.

Op 17 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun

gemachtigden nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Bij de uitspraak van 14 oktober 1998, voorzover hier van belang, heeft het College het in die procedure bestreden besluit van

de Minister van Verkeer en Waterstaat van 24 juli 1997 vernietigd.

Het College heeft in deze uitspraak onder meer geoordeeld dat de Regeling vergoedingen telecommunicatie-inrichtingen TND

1996 (Stcrt. 1996, nr. 131; hierna: Regeling '96), voorzover daarin een vergoeding voor het nummertoezicht was bepaald van

fl. 0,20 per nummer, wegens strijd met artikel 41 van de voormalige Wet op de telecommunicatie-voorzieningen (Wtv)

onverbindend moet worden geacht. Op grond daarvan is het besluit van 24 juli 1997, voorzover daarbij een dergelijke

vergoeding is gehandhaafd, onrechtmatig geacht.

Bij het bestreden besluit van 22 januari 1999 heeft verweerder de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en de

door appellante te betalen vergoedingen opnieuw vastgesteld.

Hierbij heeft verweerder appellante voor de mogelijkheid beroep in te stellen verwezen naar het College.

De Regeling '96 was gebaseerd op het in Hoofdstuk VII (Vergoedingen) van de Wtv opgenomen artikel 41, welk artikel

ingevolge het bepaalde in de artikelen 12, eerste lid, en 17 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet (Stb. 1999,

130) met ingang van

1 april 1999 is vervallen.

Ingevolge het Koninklijke Besluit van 26 november 1998 (Stb. 1998, 664) is de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) met ingang

van 15 december 1998 gedeeltelijk in werking getreden en zijn diverse artikelen van de Wtv met ingang van die datum

vervallen. Op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder i en l, van dit Besluit gelden met ingang van 15 december

1998 onder meer de artikelen van de hoofdstukken 16, 17 en 20 van de Tw.

Deze artikelen luiden - voorzover hier van belang - als volgt:

" Artikel 16.1

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de vergoeding van de kosten die is

verschuldigd door degene ten behoeve van wie werkzaamheden of diensten zijn verricht ingevolge het bepaalde bij

of krachtens deze wet voorzover die vergoeding verband houdt met deze werkzaamheden of diensten.

2. Bij het vaststellen van de vergoeding kunnen mede worden betrokken kosten, verband houdend met het toezicht

op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet ten aanzien van de desbetreffende werkzaamheden of

diensten.

(.)

Artikel 17.1

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroep tegen besluiten op grond van deze

wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

(.)

Artikel 20.4

1. Regels vastgesteld krachtens de hoofdstukken IV,V en VII van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen,

alsmede het bepaalde bij of krachtens het Besluit radio-elektrische inrichtingen, worden gelijkgesteld met regels

vastgesteld krachtens de hoofdstukken 3, 10 en 16.

(.)

Artikel 20.15

1. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit krachtens de Wet

op de telecommunicatievoorzieningen dat is bekend gemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet,

blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing."

Ingevolge artikel 42 van de Wtv, zoals dit luidde tot 1 augustus 1997, kon een belanghebbende - behoudens een hier niet ter

zake doende uitzondering - tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij het College.

Met ingang van 1 augustus 1997 is artikel 42 Wtv gewijzigd in die zin, dat voor beroep tegen besluiten op grond van deze wet

in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht de rechtbank te Rotterdam bevoegd is.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, van voormeld Besluit van 26 november 1998, is artikel 42 Wtv met ingang van 15

december 1998 vervallen.

3. De standpunten van partijen met betrekking tot de bevoegdheid van het College

Beide partijen stellen zich op het standpunt dat het College bevoegd moet worden geacht op het onderhavige beroep te

beslissen.

Appellante heeft in dit verband gewezen op de uitspraak in de zaak Callmax (AWB 97/1124) van 14 oktober 1998, waarin het

College naar aanleiding van de wijziging van artikel 42 van de Wtv per 1 augustus 1997 het volgende heeft overwogen:

" Noch de tekst van de wijzigingswet noch de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming ervan biedt

aanknopingpunten die zicht geven op de bedoeling van de wetgever met betrekking tot de jurisdictie in geschillen

omtrent v¢¢r de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 42 WTV genomen en bekendgemaakte besluiten. Het

ligt naar het oordeel van het College in de rede dat bij gebreke van een andersluidende bepaling van overgangsrecht

voor de bevoegdheid om van een geschil kennis te nemen bepalend is de vraag welke rechter ten tijde van de

bekendmaking van het besluit bevoegd was om van een beroep kennis te nemen en dat voor die bevoegdheid niet

bepalend mag zijn het tijdstip van het instellen van beroep door de appellant. Deze laatste zienswijze zou aan

appellanten een keuzevrijheid bieden die zich slecht verdraagt met het stelsel van toedeling van rechterlijke

competentie dat als zijnde van openbare orde niet ter vrije beschikking van partijen staat."

Naar de opvatting van appellante brengt het door het College aldus geformuleerde uitgangspunt met zich dat ook het

bestuursorgaan de toedeling van rechterlijke competentie niet in de hand behoort te hebben door een tijdstip te kiezen voor het

nemen van een beslissing op bezwaar. Teneinde keuzevrijheid van partijen op dit punt zoveel als mogelijk uit te sluiten moet

naar de mening van appellante voor de rechterlijke competentie gekeken worden naar de datum van het primaire besluit; in

casu de factuur van 19 december 1996.

Ingevolge artikel 42 Wtv, zoals dit op dat moment luidde, was het College destijds bevoegd.

Na de wijziging van artikel 42 Wtv was weliswaar de rechtbank Rotterdam bevoegd, doch dit artikel is per 15 december 1998

komen te vervallen. Derhalve kan deze rechtbank niet bevoegd worden geacht terzake van het beroep tegen het op 22 januari

1999 genomen besluit van verweerder.

De slotsom dat dan de rechtbank Maastricht als de op grond van artikel 8:7 van de Awb bevoegde rechter zou moeten worden

aangemerkt, verdraagt zich niet met de keuze van de wetgever om tegen besluiten als die van 19 december 1996 en 22 januari

1999 een bevoegde rechter aan te wijzen die beschikt over specifieke deskundigheid met betrekking tot het

telecommunicatierecht.

Verweerder heeft opgemerkt dat artikel 20.15 in samenhang met artikel 17.1 Tw geen - bevredigend - antwoord geeft op de

vraag naar de absoluut en relatief bevoegde rechter. Het onderhavige besluit is immers genomen na de inwerkingtreding van de

Tw, maar is, nu het gebaseerd is op de Wtv, strikt genomen niet aan te merken als een op grond van de Tw genomen besluit.

De bevoegdheidscomplicaties die zich in dit geval voordoen zijn naar de mening van verweerder niet meer dan een onbedoeld

gevolg van opeenvolgende wijzigingen in de onderhavige regelgeving.

Met appellante komt verweerder tot de slotsom dat een letterlijke lezing van de desbetreffende artikelen ertoe zou leiden dat de

rechtbank te Maastricht als de bevoegde rechter zou moeten worden aangemerkt. Nu echter zowel de Wtv als de Tw hebben

beoogd de rechtspraak over besluiten op grond van die wetten op te dragen aan een gespecialiseerde instantie, moet een lezing

van de wettekst die leidt tot een daarmee in strijd zijnde uitkomst voor onjuist worden gehouden.

Zowel het primaire besluit als de eerste beslissing op bezwaar zijn genomen onder vigeur van de Wtv, zoals deze gold tot 1

augustus 1997. Daarin werd (in artikel 42) het College in eerste en enige aanleg als bevoegde instantie aangewezen. Het thans

bestreden besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van het College van 14 oktober 1998. De beoordeling van de

rechtmatigheid van dit besluit is daarmee nauw verweven met de uitleg van eerdere uitspraken van het College inzake de

Regeling '96 in het algemeen en deze zaak in het bijzonder. De behandeling van het beroep is ingevolge artikel 20.15, derde

lid, van de Tw in ieder geval onderworpen aan de bepalingen van de Wtv.

Bovendien stelt verweerder dat het gelet op het grote en principi‰le belang van de onderhavige zaak - een aanmerkelijk aantal

andere zaken betreffende vergoedingen wacht op de uitkomst ervan - zeer aannemelijk is dat deze zaak in hoger beroep

uiteindelijk aan het College zal worden voorgelegd. Gelet op de tijd die verloren zou gaan met behandeling van deze zaak door

een rechtbank in eerste aanleg en nu beide partijen het College daarom verzoeken, pleiten ook proceseconomische redenen

voor behandeling door het College.

Om deze redenen is het College de meest aangewezen rechter om van de onderhavige zaak kennis te nemen.

4. De beoordeling

Het College stelt voorop dat het bestreden besluit een - herziene - beslissing op bezwaar betreft, die is genomen na de

gedeeltelijke inwerkingtreding van de Tw per

15 december 1998.

Ingevolge artikel 20.4, eerste lid, Tw worden onder meer regels, die zijn vastgesteld krachtens hoofdstuk VII - welk hoofdstuk

uitsluitend bestond uit artikel 41 - van de Wtv, gelijkgesteld met regels vastgesteld krachtens hoofdstuk 16 van de Tw.

Dit brengt mee dat de Regeling '96 - die ten tijde van de inwerkingtreding van artikel 20.4 TW niet was vervallen - wordt

gelijkgesteld met regels, vastgesteld krachtens hoofdstuk 16 TW en dat het bestreden besluit, waarbij beoogd is aan de

Regeling '96 toepassing te geven, moet worden aangemerkt als besluit, genomen op grond van dergelijke regels.

Ingevolge artikel 17.1 Tw staat tegen een dergelijk besluit beroep open bij de rechtbank te Rotterdam.

Overigens stelt het College nog vast dat deze conclusie in overeenstemming is met het systeem van rechtsmachttoedeling,

zoals dat de wetgever sedert 1 augustus 1997 kennelijk voor ogen heeft gestaan.

Nu het bestuursrecht niet voorziet in de mogelijkheid van prorogatie, kunnen argumenten van proceseconomie aan het

vorenstaande niet afdoen.

Op grond van het vorenstaande is het College niet bevoegd en zal het beroepschrift met toepassing van het bepaalde in artikel

6:15 van de Algemene wet bestuursrecht worden doorgezonden naar de rechtbank te Rotterdam.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene

wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart zich onbevoegd;

- draagt de griffier op het beroepschrift ter behandeling door te zenden naar de rechtbank te Rotterdam.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr M.A. van der Ham en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2001.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. Th.J. van Gessel