ECLI:NL:CBB:2001:AB0871
public
2015-11-10T12:23:23
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB0871
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-03-21
AWB 00/416
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0871
public
2013-04-04T16:24:26
2001-07-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB0871 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-03-2001 / AWB 00/416

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/416 21 maart 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr ir. J.L. Mieras, werkzaam bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie te

Goes,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 22 mei 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij

beroep wordt ingesteld tegen een op 4 mei 2000 verzonden besluit van verweerder van

3 mei 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de

beslissing die verweerder op de aanvraag van appellant ingevolge de Regeling EG-

steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) heeft genomen.

Verweerder heeft op 8 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 21 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij

monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 7 mei 1999 bij verweerders uitvoeringsdienst LASER een

aanvraag oppervlakten 1999, vereenvoudigde regeling en voederareaal, ingediend.

Hierbij heeft hij voorzover hier van belang voor perceel 13 met een oppervlakte van

2.90 ha als gewascode 233 (wintertarwe) en als bijdragecode 999 opgegeven. Deze

bijdragecode houdt in dat geen bijdrage wordt gevraagd.

- Bij besluit van 26 november 1999 is aan appellant bericht dat zijn aanvraag op grond

van de Regeling is toegewezen tot een bedrag van fl 3987,53. Uit de bijlage bij dit

besluit blijkt dat deze subsidie betrekking heeft op een oppervlakte overige granen

van 4.69 ha.

- Bij brief van 13 december 1999 heeft appellant tegen voormeld besluit bezwaar

gemaakt. Hierbij heeft hij aangevoerd dat hij abusievelijk voor perceel 13 met het

gewas wintertarwe de bijdragecode 999 heeft ingevuld en dat dit 810 had moeten

zijn.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant kennelijk ongegrond

verklaard. Daartoe heeft verweerder - zakelijk samengevat - het volgende aangevoerd.

Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling kan een aanvraag in

afwijking van het eerste lid van deze bepaling na 15 mei van het desbetreffende jaar nog

worden gewijzigd, indien sprake is van een duidelijke fout.

De Europese Commissie heeft in een werkdocument van 18 januari 1999 aangegeven dat

onder meer sprake is van een duidelijke vergissing indien een tegenstrijdigheid in de

aanvraag daarop wijst.

De aanvraag van appellant behelst niet een dergelijke tegenstrijdigheid en vormde ook

overigens voor verweerder geen reden te twijfelen aan hetgeen appellant met zijn aanvraag

beoogde. De producent is zelf verantwoordelijk voor een juiste invulling van de aanvraag.

In de aanvraag heeft appellant meerdere percelen met de bijdragecode 999 opgenomen. Nu

het een producent vrijstaat om een perceel al dan niet voor subsidie in aanmerking te

brengen, is geen sprake van een duidelijke vergissing.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het

bestreden besluit aangevoerd.

Appellant is in zijn belangen geschaad nu hij naar aanleiding van zijn bezwaar niet is

gehoord.

Hij heeft wel degelijk een klaarblijkelijke fout gemaakt, nu met de percelen die wel op de

juiste wijze zijn ingevuld de ingevolge de vereenvoudigde regeling geldende maximale

oppervlakte subsidiabele gewassen niet werd bereikt. Het had verweerder dan ook duidelijk

kunnen zijn dat appellant perceel 13 wel voor subsidie in aanmerking wilde laten komen.

Bovendien heeft appellant in de onderhavige aanvraag een ander perceel met hetzelfde

gewas wel voorzien van de juiste bijdragecode.

Overigens is naar de opvatting van appellant nergens bepaald dat het moet gaan om een

fout die verweerder spontaan had moeten kunnen ontdekken. Op grond van de

toepasselijke regelgeving had verweerder, toen duidelijk werd dat appellant zich had

vergist en nu geen sprake is van bedrog, appellant in de gelegenheid moeten stellen zijn

aanvraag nog te wijzigen.

Appellant loopt als gevolg van de handelwijze van verweerder een bedrag aan

akkerbouwsubsidie mis van fl 2465,64.

Appellant verzoekt het College het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat hij

alsnog voor perceel 13 voor subsidie ingevolge de Regeling in aanmerking komt.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat

slechts aan het bezwaar van appellant tegemoet zou kunnen worden gekomen indien zou

moeten worden geoordeeld dat door appellant bij zijn aanvraag oppervlakten een

klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5bis van

Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een

aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen en zou het onrechtmatig zijn appellant aan zijn

aanvankelijke opgave te houden.

Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een klaarblijkelijke

fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijke opgave kennelijk fout was. Dit is het

geval wanneer uit de aanvraag oppervlakte zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan

zijn.

Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De aanvraag is immers niet innerlijk

tegenstrijdig en bevat ook anderszins geen ongerijmdheden. Noch de omstandigheid dat

met de wel van de juiste bijdragecode voorziene percelen niet de maximale subsidiabele

oppervlakte was bereikt, noch het feit dat ‚‚n van die andere percelen met het zelfde gewas

was beteeld als perceel 13 kan als tegenstrijdigheid of ongerijmdheid in vorenbedoelde zin

worden aangemerkt. Het staat een producent immers vrij een perceel op grond van hem

moverende redenen niet voor subsidie in aanmerking te brengen.

Op grond van het vorenstaande was verweerder gehouden te beslissen, zoals hij bij het

bestreden besluit heeft gedaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing

van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2001.

w.g. M.A. van der Ham w.g. F.W. du Marchie Sarvaas