ECLI:NL:CBB:2001:AB0874
public
2015-11-10T11:36:37
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB0874
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-03-21
AWB 00/439
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0874
public
2013-04-04T16:24:27
2001-07-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB0874 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 21-03-2001 / AWB 00/439

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/439 21 maart 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage verweerder,

gemachtigde: mr I. Opsomer, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 30 mei 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij

beroep wordt ingesteld tegen een op 21 april 2000 verzonden besluit van verweerder van

17 april 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de

beslissing die verweerder op de aanvraag van appellant op grond van de Regeling EG-

steunverlening akkerbouwgewassen heeft genomen.

Verweerder heeft op 7 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 21 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij verweerder bij

monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellant is niet ter

zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 14 mei 1999 heeft verweerders uitvoeringsdienst LASER een aanvraag

oppervlakten 1999, vereenvoudigde regeling en voederareaal, van appellant

ontvangen. In de aanvraag heeft appellant bij de percelen met de volgnummers 2, 3

en 5 tot en met 9 als bijdragecode 800 of 805, hetgeen staat voor voederareaal,

opgegeven.

- Bij besluit van 10 december 1999 heeft verweerder aan appellant bericht dat zijn

aanvraag is goedgekeurd en dat de definitieve oppervlakte voederareaal ten behoeve

van de Regeling dierlijke EG-premies voor appellant is vastgesteld op 12.23 ha.

- Bij brief aan LASER van 9 februari 2000 heeft appellant gesteld dat hij in de

veronderstelling was dat zijn aanvraag voor ma‹spremie was goedgekeurd, doch

inmiddels uit telefonische informatie van LASER heeft begrepen dat hij zijn

aanvraag verkeerd had ingevuld en dat de goedkeuring slechts betrekking heeft op

voederareaal. In deze brief verzoekt appellant zijn aanvraag te wijzigen in die zin dat

de door hem opgegeven bijdragecode 805 (voederareaal) wordt gewijzigd in

bijdragecode 815.

- Bij brief van 18 februari 2000 heeft verweerder de ontvangst van de door hem als

bezwaarschrift aangeduide brief van 9 februari 2000 aan appellant bevestigd. Hierbij

heeft verweerder tevens aangegeven dat, nu het op 14 februari 2000 ingekomen

bezwaar is gericht tegen een op 10 december 1999 verzonden besluit, de

bezwaartermijn is overschreden, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden

tenzij appellant aantoont dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

- Bij brieven van 20 februari 2000 en 12 maart 2000 heeft appellant aangegeven dat hij

uit een publicatie in het tijdschrift De Boerderij had begrepen dat subsidietoekenning

op grond van de Regeling later dan gebruikelijk zou plaatsvinden, zodat hij niet

eerder tegen het uitblijven van subsidiebetaling heeft geageerd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant kennelijk niet-

ontvankelijk verklaard.

Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, nu bij het besluit van

10 december 1999 slechts voederareaal voor het bedrijf van appellant is vastgesteld. Ook in

de bijlage bij dit besluit is slechts sprake van voederareaal. Appellant had zich derhalve

moeten realiseren dat bij dit besluit geen subsidie ingevolge de Regeling is vastgesteld.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder gewezen op artikel 6:11 van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat dwingend voorschrijft dat niet-

ontvankelijkverklaring slechts achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden

geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Hiervan is in het onderhavige geval geen

sprake. De omstandigheid dat, zoals appellant stelt, in het verleden de aanvraag in zijn

aanwezigheid werd gecontroleerd, doet niet af aan de verantwoordelijkheid van appellant

voor een juiste indiening van de aanvraag. Gelet op het vorenstaande kon verweerder dan

ook geen andere beslissing nemen, dan bij het bestreden besluit is geschied.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het

bestreden besluit aangevoerd.

Appellant erkent dat hij een fout heeft gemaakt bij het invullen van zijn aanvraag, door

abusievelijk bijdragecode 805 in te vullen, terwijl hij bedoelde bijdragecode 815 op te

nemen. In het zijdens verweerder verstrekte voorbeeld van een ingevulde aanvraag

oppervlakten 1999, vereenvoudigde regeling en voederareaal, wordt snijma‹s

(gewascode 259) zowel met bijdragecode 805 als bijdragecode 815 vermeld, hetgeen zeer

verwarrend is.

Naar aanleiding van een publicatie in De Boerderij heeft appellant gewacht informatie naar

het uitblijven van subsidie in te winnen tot begin februari 2000. Pas door het

telefoongesprek met LASER begreep appellant dat hij een fout had gemaakt bij het

invullen van de aanvraag. Hij heeft toen onmiddellijk bezwaar gemaakt en verzocht de

zaak recht te zetten.

In het verleden diende appellant zijn aanvraag oppervlakten in persoon in bij LASER in

Deventer en werd deze in zijn aanwezigheid gecontroleerd. In 1999 moest de aanvraag

voor het eerst naar Zeist worden opgestuurd. Naar de opvatting van appellant zou zijn

aanvraag wel zijn gehonoreerd indien hij deze gewoon zelf naar Deventer had kunnen

brengen.

Appellant vindt dat verweerder de regels wel erg strak hanteert en stelt dat de subsidie op

grond van de Regeling voor zijn bedrijf onmisbaar is.

5. De beoordeling van het geschil

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het bezwaarschrift van appellant

terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het College beantwoordt die vraag bevestigend,

waartoe het volgende wordt overwogen.

Niet in geschil is dat het bezwaar van appellant is ingediend na het verstrijken van de

termijn van zes weken, als bedoeld in artikel 6:7 Awb. Derhalve kan ingevolge artikel 6:11

van de Awb slechts sprake zijn van een ontvankelijk bezwaar, indien redelijkerwijs niet

kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.

Nu in het primaire besluit weliswaar is meegedeeld dat de aanvraag van appellant is

goedgekeurd, doch in dat besluit en de daarbij behorende bijlage slechts melding wordt

gemaakt van ten behoeve van appellant vastgesteld voederareaal, heeft appellant op grond

van de inhoud van dit besluit niet mogen aannemen dat de door hem beoogde subsidie voor

akkerbouwgewassen op grond van de Regeling was toegekend.

De omstandigheid dat appellant in eerdere jaren wel in aanmerking is gekomen voor

ma‹spremie maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het College ligt het, juist nu

appellant ervaring heeft met de toepassing van de Regeling, eerder in de rede dat het hem

zou zijn opgevallen dat de primaire beschikking geen toekenning van akkerbouwsubsidie

inhield.

Nu van een verschoonbaar te laat indienen van het bezwaarschrift geen sprake is, was

verweerder gehouden appellant niet-ontvankelijk te verklaren.

Reeds om die reden is het beroep ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing

van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2001.

w.g. M.A. van der Ham w.g. F.W. du Marchie Sarvaas