ECLI:NL:CBB:2001:AB1025
public
2015-11-10T13:06:52
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB1025
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-04-02
AWB 01/223
Voorlopige voorziening
NL
Bestuursrecht
Besluit gebruik sera en entstoffen 2
Besluit gebruik sera en entstoffen 3
Besluit gebruik sera en entstoffen 4
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 17
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1025
public
2013-04-04T16:25:06
2001-07-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB1025 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 02-04-2001 / AWB 01/223

-

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/223 2 april 2001

11230

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1. A, te B,

2. C, te D,

3. E, te F,

4. G, te H,

verzoekers,

gemachtigde: mr M.B.W. Litjens, advocaat te Groningen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr G. de Goede, mr G.P.G. Kunst en dr A.H.M. Cornelissen.

1. De procedure

Verzoekers hebben op 29 maart 2001 een bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een

beslissing op hun verzoek om ontheffing van het verbod tot toepassing van het

vaccinatieverbod tegen mond- en klauwzeer. Voorts hebben zij bij verzoekschriften van 29

maart 2001 aan de president van het College verzocht een voorlopige voorziening te

treffen, inhoudende:

" primair: dat verzoekers wordt toegestaan hun vee in te enten tegen MKZ onder

de bepaling dat de gevaccineerde dieren niet gedood behoeven te worden op

grond van het feit dat zij gevaccineerd zijn.

subsidiair: dat het verzoekers wordt toegestaan om hun vee in te enten tegen

mond- en klauwzeer zodra in de directe omgeving van de betreffende bedrijven

mond- en klauwzeer is uitgebroken in de drie noordelijke provincies onder de

bepaling dat vervolgens de betreffende bedrijven niet mogen worden geruimd

en voorts onder de bepaling dat de Minister wordt bevolen om in overleg te

treden met de Europese Commissie en de Raad van Ministers teneinde te

bewerkstelligen dat het Europese non-vaccinatiebeleid danwel het beleid

terzake van de noodentingen wordt gewijzigd in de door verzoekers gewenste

zin;"

De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 30 maart 2001, alwaar partijen bij

monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet.

2. De toepasselijke regelgeving

De considerans van Richtlijn nr. 85/511/EEG van de Raad van de Europese

Gemeenschappen van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke

maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer, zoals nadien enkele malen gewijzigd

(PbEG L315, hierna: de Richtlijn), luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" (.)

Overwegende dat, zodra de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed,

maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend

te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen; (.)

(.)"

In - onder meer - de artikelen 4, 5 en 9, van de Richtlijn zijn deze door de Lid-Staten te

treffen maatregelen nader uitgewerkt. Artikel 9, van de Richtlijn bepaalt als volgt:

" 1. De Lid-staten zien erop toe dat - zodra de diagnose van mond- en klauwzeer

is gesteld - de bevoegde autoriteiten rondom het besmette bedrijf een

beschermingsgebied met een straal van minstens 3 km en een toezichtsgebied

met een straal van minstens 10 km afbakent."

De artikelen 13 en 16 van Richtlijn (hierna: de Richtlijn) luiden, voor zover van belang:

"Artikel 13

1. De Lid-Staten zien erop toe dat:

- het gebruik van mond- en klauwzeervaccins verboden wordt,

(.)

3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van

mond- en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te

voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert,

wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte

zich op grote schaal dreigt te verspreiden. De in dat geval te nemen

maatregelen hebben met name betrekking op:

- de omvang van het geografisch gebied waar de noodvaccinatie moet worden

uitgevoerd.

(.)

- andere in verband met de noodsituatie vereiste maatregelen.

Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de

Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staat, volgens de

procedure van artikel 16. Bij dit besluit wordt in het bijzonder rekening

gehouden met de dichtheid van de veebezetting in sommige gebieden en de

noodzaak speciale rassen te beschermen.

In afwijking van de eerste alinea mag het besluit om tot noodinenting rond de

ziektehaard over te gaan evenwel worden genomen door de betrokken Lid-

Staat na kennisgeving aan de Commissie, mits de wezenlijke belangen van de

Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Dit besluit wordt onmiddellijk

ge‰valueerd in het kader van het Permanent Veterinair Comit‚ volgens de

procedure van artikel 16.

Artikel 16

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven

procedure, leidt de Voorzitter van het bij Besluit 68/361/EEG ingestelde

Permanent Veterinair Comit‚, hierna het "Comit‚" te noemen, deze procedure,

hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, onverwijld in bij

het Comit‚.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comit‚ een ontwerp voor

van de te nemen maatregelen. Het Comit‚ spreekt zich uit met de meerderheid

van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor

de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient

te nemen. Bij stemming in het Comit‚ worden de stemmen van de

vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd

artikel. De Voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten

uitvoer wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comit‚.

Wanneer zij hiermee niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comit‚ geen

advies heeft uitgebracht, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de

Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast

met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen een termijn van 15 dagen na de indiening van het

voorstel geen maatregelen heeft genomen, stelt de Commissie de voorgestelde

maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de

Raad zich met gewone meerderheid tegen deze maatregelen heeft

uitgesproken."

Artikel 17 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet of de Gwd),

luidt voor zover van belang:

" Artikel 17

1. Onze Minister kan hetzij voor heel Nederland, hetzij voor bepaalde delen

daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen

worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze voorbehoedend

worden behandeld, (..) ter voorkoming van overbrenging van besmetting.

(.)"

- Op 21 maart 2001 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ter

uitvoering van artikel 13, derde lid, van de Richtlijn 85/511/EEG en artikel 17, eerste

lid, en 31 van de Wet de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer

uitgevaardigd, verder ook: de Regeling. Hierin is het volgende bepaald:

" Artikel 1

Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van

artikel 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen

toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer worden in een door de door de

directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen zone

rond de ziektehaard gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer."

In de artikelen 2 en 3 van het Besluit, houdende regelen betreffende het gebruik sera en

entstoffen (hierna: het Besluit gebruik sera en entstoffen) zijn tot uitvoering van de

Richtlijn 85/511 vaccinatieverboden neergelegd. Artikel 4 van dit Besluit biedt de

mogelijkheid tot het vragen van ontheffing van die verboden.

3. Feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president op grond

van de stukken en het onderzoek ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoekers zijn biologische veehouders. Zij houden met name geiten, schapen en

runderen. Hun bedrijven zijn niet gelegen in enig op basis van de Richtlijn of de Wet

aangewezen toezichtgebied inzake mond- en klauwzeer.

- Bij brieven van resp. 23 en 27 maart 2001 hebben verzoekers verweerder om

toestemming tot vaccinatie van hun veestapel verzocht en, in aanvulling daarop, om

toestemming tot vaccinatie tegen mond- en klauwzeer, nadat in de directe nabijheid

van hun bedrijven mond- en klauwzeer is uitgebroken onder de bepaling dat

vervolgens tot twee maanden na vaccinatie niet over gegaan zal worden tot ruiming

van de betreffende bedrijven teneinde de Minister de gelegenheid te geven om in

Europees verband te komen tot wijziging van de regelgeving.

- Vervolgens is op 28 maart 2001 zijdens verweerder aan de gemachtigde van

verzoekers meegedeeld dat de gevraagde ontheffing niet zal worden verleend.

- Vervolgens hebben verzoekers tegen deze door hen als fictieve weigering

aangemerkte beslissing van verweerder een bezwaarschrift ingediend.

4. De gronden van het verzoek

Verzoekers vinden het vasthouden aan het non-vaccinatiebeleid door verweerder

disproportioneel ten opzichte van het preventief enten. Zij zijn bereid bij een eventueel te

verlenen ontheffing van het vaccinatieverbod beperkende voorwaarden te accepteren, zoals

een vervoersverbod van het gevaccineerde vee gedurende een bepaalde termijn en een

verbod van export.

Zij zijn van mening dat het huidige beleid in redelijkheid niet kan worden gecontinueerd.

Verweerder laat zich leiden door louter economische motieven. Gezonde veestapels

dreigen aldus, zonder dat daarvoor een noodzaak lijkt te bestaan, te worden vernietigd. Aan

dieren wordt onnodig leed toegebracht. En ten slotte loopt het beleid achter de feiten aan.

Het MKZ-virus is niet te stoppen. Vaccinatie is de enige oplossing. In het Verenigd

Koninkrijk gebeurt dat al.

Verzoekers hebben erop gewezen dat de Europese regelgeving niet noopt tot het doden van

niet besmette dieren. De in artikel 5, lid 1 van de Verordening opgenomen verplichting tot

het afmaken van alle voor de ziekte vatbare dieren op een besmet bedrijf, kan, blijkens het

vierde lid worden uitgebreid tot de onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in

verband met de ligging ervan, de situatie of de contacten met de dieren op het bedrijf waar

de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd. Hieruit volgt dat

de Minister daartoe kan, maar niet hoeft te beslissen. Het zogenoemde "stamping out"

beleid ziet slechts op besmette dieren.

De Richtlijn en met name het bepaalde bij artikel 13 staan er niet aan in de weg dat dieren

worden inge‰nt, zonder te worden gedood. En artikel 2, lid 3 van de Richtlijn bepaalt dat

wanneer een Lid-Staat op een beperkt gedeelte van zijn grondgebied noodvaccinaties mag

uitvoeren, zulks niet van invloed is op de status van de rest van het grondgebied, mits de

maatregelen inzake een verbod op verplaatsing van ingeente dieren van kracht zijn

gedurende een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de

vaccinaties be‰indigd zijn. Kennelijk kan na vaccinatie worden volstaan met een

verplaatsingsverbod van de inge‰nte dieren gedurende een bepaalde termijn.

Verzoekers zijn van mening dat, indien al uit de Nederlandse regelgeving op grond van het

bepaalde bij artikel 22, eerste lid, en sub f, van de Wet, juncto de artikelen 15, lid 4, en

artikel 2, van het Besluit verdachte dieren, zou voortvloeien dat inge‰nte dieren als

verdachte dieren kunnen worden aangemerkt, die moeten worden gedood, de Europese

regeling die zulks niet vereist de doorslag moet geven.

Het primaire verzoek is gebaseerd op artikel 107 van de Wet en/of artikel 3, juncto artikel

4, Besluit gebruik sera en entstoffen. Aan het subsidiaire verzoek ligt artikel 17, eerste lid,

van de Wet ten grondslag.

5. Het nadere standpunt van verweerder

Ter zitting is zijdens verweerder betoogd dat hem geen bevoegdheid toekomt een

ontheffing als gevraagd te verlenen. Ingevolge artikel 13 van de Richtlijn geldt een

vaccinatie verbod voor de Lidstaten. De mogelijkheid om tot noodenting over te gaan, die

artikel 13, derde lid, laatste alinea van de Richtlijn een Lidstaat biedt, geldt slechts rond

een ziektehaard. Voor het overige is de bevoegdheid om tot vaccinatie over te gaan, geheel

aan de Commissie voorbehouden.

Verweerder heeft nog benadrukt dat preventief vaccineren zonder doding van de ge‰nte

dieren, zonder toestemming van de Commissie, de export gedurende een jaar zal doen

wegvallen. In de media is door de Minister aangegeven dat zelfs het verlies van een half

jaar exportbelemmeringen het einde zal betekenen van een groot aantal bedrijven. In de

Nederlandse kalversector wordt 95% ge‰xporteerden in de varkenssector 75%. Verlaging

van de MKZ-status van de gehele EG zal een verlies van 94% van de Europese

rundvleesexport meebrengen en een verlies van 73% van de Europese varkensexport.

6. De beoordeling van het geschil

Ingevolge het bepaalde in artikel 8: 81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet

bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep

is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op

verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op

de betrokken belangen, dat vereist.

Ten tijde dat verzoekers hun bezwaarschrift indienden, te weten op 29 maart 2001 had

verweerder nog niet beslist op de voorliggende verzoeken tot ontheffing van, kortweg, het

hier geldende vaccinatieverbod. Verweerder moet op zo'n verzoek binnen een redelijke

termijn beslissen. Door de belangen die in gevallen betreffende de MKZ-problematiek op

het spel staan moet deze - weliswaar korte - periode geacht worden te zijn verstreken. Gelet

op de zijdens verweerder gedane uitlatingen, die wijzen op afwijzing van de verzoeken om

ontheffing, vat de president in dit geval het op 29 maart 2001 vigerende fictieve besluit op

als een fictieve weigering van de gevraagde ontheffingen.

Ten aanzien van de primaire vordering van verzoekers, ontheffing van het

vaccinatieverbod, zonder de gevaccineerde dieren te hoeven doden, overweegt de president

als volgt.

Naar verweerder terecht heeft gesteld ontbreekt in het onderhavige geval een wettelijke

grondslag om een ontheffing als gevraagd te verlenen.

De president heeft in zijn uitspraak van 24 maart 2001, no. 01/96, (dierentuinen)

overwogen dat het geen twijfel lijdt dat de Richtlijn aan de Lidstaten in algemene zin

voorschrijft het gebruik van MKZ-vaccins te verbieden.

Artikel 13, derde lid, laatste alinea, van de Richtlijn biedt verzoekers derhalve geen

uitkomst, reeds omdat de bedrijven van verzoekers niet gelegen zijn rond enige

ziektehaard, hetgeen voor de toepasselijkheid van genoemd artikelonderdeel vereist is

Ook het bepaalde bij artikel 13, derde lid, eerste volzin van de Richtlijn, kan niet als

grondslag dienen voor enige bevoegdheid van verweerder om tot noodvaccinatie over te

gaan. Eveneens verwijzend naar meergenoemde uitspraak van 24 maart jl. moet de

hierbedoelde bevoegdheid om noodvaccinaties uit te voeren geacht worden te zijn

voorbehouden aan de Commissie, die, gelet op de thans vigerende normatieve kaders

tevens zal moeten beoordelen wat hier de belangen van de gemeenschap zijn, of ook de

belangen van individuele veehouders daartoe kunnen worden gerekend en tot welke

communautaire maatregelen een zodanige afweging moet leiden.

Er is aan de president geen besluit van de Commissie bekend op grond waarvan tot de door

verzoekers gewenste inenting (dus zonder gevolgd te worden door doding en niet rond een

ziektehaard) zou zijn toegestaan.

Hieruit volgt dat het nationale recht thans dan ook geen bevoegdheid kent om tot

noodvaccinatie over te gaan in gebieden, die niet rond een besmettingshaard gelegen zijn.

De Regeling noodvaccinatie, die - onder meer - strekt tot uitvoering van artikel 17, eerste

lid, van de Wet, ziet immers alleen op als zodanig aangewezen toezichtsgebieden.

De primaire vordering van verzoekers niet voor toewijzing in aanmerking.

Hetzelfde geldt voor de subsidiaire vordering van verzoekers, die strekt tot het verlenen

van een ontheffing met het oog op een onzekere toekomstige gebeurtenis. De president

overweegt hier ten overvloede dat, zo het subsidiaire verzoek al een concrete grondslag zou

hebben, het af zou stuiten op dezelfde juridische belemmeringen, die in het kader van de

toepasselijkheid van artikel 13, derde lid, zijn opgenomen. Daarbij wordt in aanmerking

genomen dat verweerders beleid tot het uitvoeren van noodvaccinaties en daaraan

verbonden het preventief ruimen binnen een door hem te bepalen straal rondom een door

een MKZ-besmetting getroffen bedrijf, door de president, gelet op het epidemisch kakter

van de ziekte en de belangen die in de gegeven omstandigheden met bestrijding van de

ziekte gemoeid zijn, niet kennelijk onredelijk wordt geacht.

De slotsom moet zijn dat het verzoek moet worden afgewezen. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de president geen aanleiding.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2001.

w.g. D. Roemers w.g. A. Bruining