ECLI:NL:CBB:2001:AB1119
public
2015-11-16T14:00:14
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB1119
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-04-04
AWB 99/251
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Regeling superheffing 1993 31
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1119
public
2013-04-04T16:25:32
2001-04-18
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB1119 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 04-04-2001 / AWB 99/251

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/251 4 april 2001

10700

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr F.W. van Dijk, advocaat te Wageningen,

tegen

het Productschap Zuivel, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigden: mr F.G.P. Diermanse en A.P. van Houten, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 15 maart 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij

beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 februari 1999. Bij dit besluit

is een beslissing genomen op de bezwaarschriften van appellant tegen een tweetal besluiten

tot vaststelling van verschuldigde superheffing.

Bij brief van 6 april 1999 heeft appellant het beroepschrift gemotiveerd.

Op 6 mei 1999 is een verweerschrift ingediend.

Op 18 oktober 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar

hun standpunt bij monde van hun gemachtigden toegelicht. Appellant was ook in persoon

aanwezig.

De gemachtigden van verweerder werden bijgestaan door J. Luth, werkzaam bij de

Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

(hierna: AID).

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EEG) nr. 536/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot

vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en

zuivelproducten (Pb. 1993, L 57; hierna: Verordening 536/93) luidt, voorzover hier van

belang:

" Artikel 4

1. Wat de rechtstreekse verkopen betreft, recapituleert de producent aan het

einde van elk van de in artikel 1 van de Verordening (EEG) nr. 3950/92

bedoelde tijdvakken in een verklaring, per produkt, de hoeveelheid van de

rechtstreeks aan de consument (.) verkochte melk en/of andere

zuivelprodukten.

(.)

2. De producent zendt jaarlijks voor 15 mei zijn verklaring toe aan de bevoegde

autoriteit van de Lid-Staat.

Bij niet-inachtneming van de termijn is de producent de heffing verschuldigd

over de totale hoeveelheid melk en melkequivalent die boven de hem

toegewezen referentiehoeveelheid rechtstreeks is geleverd (.).

(.)

Artikel 7

1. De Lid-Staten nemen alle nodige controlemaatregelen om te waarborgen dat

de heffing wordt ge‹nd op de hoeveelheden melk en melkequivalent die boven

een van de in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde

hoeveelheden op de markt zijn gebracht. Daartoe geldt het volgende:

(.)

f) De producenten die over een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse

verkoop beschikken, houden gedurende ten minste drie jaar de volgende

bescheiden ter beschikking van de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat:

(.) een produktboekhouding per tijdvak van twaalf maanden waarin de

hoeveelheid, per maand en per produkt, van de rechtstreeks aan de consument

(.) verkochte melk en/of zuivelprodukten wordt vermeld (.) en de

bewijsstukken die het mogelijk maken de bovenbedoelde produktboekhouding

te controleren."

De Regeling superheffing 1993 (Stcrt. 1993, 60) bepaalt, voorzover hier van belang:

" Artikel 4

1. De producent is ter zake van rechtstreekse verkoop voor consumptie van een

hoeveelheid melk, of het equivalent daarvan, die zijn referentiehoeveelheid

voor rechtstreekse verkoop overschrijdt, een heffing verschuldigd.

(.)

Artikel 29

1. De in artikel 4 bedoelde producent doet conform het bepaalde in artikel 4

van Verordening (EEG) nr. 536/93 en conform door het productschap daartoe

gestelde regelen, aangifte bij het productschap van de hoeveelheid melk of

andere melkproducten die hij in de vorige heffingsperiode rechtstreeks aan de

consument, groot- of detailhandel of aan affineurs heeft geleverd,

gespecificeerd per product.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde aangifte niet tijdig wordt gedaan, legt het

productschap de in artikel 4, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 536/93

bedoelde sanctie op aan de producent.

(.)

Artikel 31

1. De (.) producent, die ingevolge de artikelen (.) 4 een heffing

verschuldigd is of kan worden, is verplicht conform het bepaalde in artikel 7

van Verordening (EEG) nr. 536/93 en conform de door het productschap

gestelde regelen een administratie te voeren.

2. Het productschap kan ambtshalve de afgeleverde hoeveelheid vaststellen,

indien de verplichtingen uit het eerste lid (.) niet of, naar het oordeel van het

productschap, onvoldoende worden nagekomen."

Artikel 11, eerste lid, van de door het bestuur van verweerder vastgestelde Zuivel-

verordening 1994, Uitvoering regeling superheffing (PBO-blad 1994, 26) luidde ten tijde

hier van belang:

" De producent is verplicht van alles wat zijn onderneming of bedrijf betreft op

zodanige wijze aantekening te houden, dat daaruit te allen tijde de produktie, de

voorraad en de ontvangen be- of verwerkte en afgeleverde hoeveelheden van

melk, alsmede de op een en ander betrekking hebbende financi‰le gegevens

kunnen worden gekend, en zodanige aantekeningen en gegevens gedurende

tenminste 3 jaren te bewaren."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 15 mei 1996 heeft verweerders Centrale Organisatie Superheffing (hierna ook te

noemen: verweerder) een door appellant op 12 mei 1996 ondertekend formulier

ontvangen, waarmee opgave werd gedaan van de door hem in de heffingsperiode

1995/1996 rechtstreeks voor consumptie geleverde hoeveelheden melk en andere

zuivelproducten. Hierbij is opgegeven dat de volgende in kilogrammen product

uitgedrukte hoeveelheden zijn geleverd, met vermelding van de hieronder

aangegeven vetpercentages:

Product Kilogrammen Vetpercentage

Melk 878

boter 162

overige (boeren)kaassoorten 10.046

karnemelk 4.860 0,6

yoghurt 1.685

- Op basis van voormelde opgave heeft verweerder voor de heffingsperiode 1995/1996

een realisatie in hoeveelheden melk geregistreerd van 101.439 kg.

- Op 15 mei 1997 heeft verweerder de volgende opgave van appellant over de

heffingsperiode 1996/1997 ontvangen:

Product Kilogrammen Vetpercentage

melk 838 4,1

boter 145

Goudse boerenkaas 10.124

karnemelk 15.050 0,4

yoghurt 1.546 4,1

- Op basis van deze opgave van appellant heeft verweerder voor de heffingperiode

1996/1997 een realisatie in hoeveelheden melk geregistreerd van 102.821 kg.

- Op 4 april 1997 heeft een controle op het bedrijf van appellant plaatsgevonden door

een ambtenaar van de AID met betrekking tot de opgave voor de heffingsperiode

1995/1996. In het hiervan opgemaakte rapport staat onder meer het volgende

vermeld:

" Plasvergelijking

Produktie volgens N.R.S.-gegevens: 503.786 kg. (.)

Afgeleverd aan zuivelfabriek (Coberco): 304.697 kg. (.)

-------------

Beschikbaar 199.089 kg.

Afgeleverd voor rechtstreekse consumptie

volgens berekening A.I.D.:

- melk - 878 kg.

- karnemelk - 17.773 kg.

- yoghurt - 1.685 kg.

- kaasmelk - 107.398 kg.

-------------

127.734 kg. 127.734 kg

-------------

Verschil 71.355 kg

Volgens verklaring veehouder A moet het vastgestelde verschil als volgt

worden verklaard:

1. Vervoedering aan kalveren : ca. 31.840 ltr.

2. Vaststelling produktie via

N.R.S.-gegevens te hoog : ca. 7.350 ltr.

3. Afval van zuivelprodukten : ca. 15.000 ltr.

4. Penicilline in melk : ca. 23.715 ltr.

5. Eigen verbruik melk en melkpr. : ca. 3.650 ltr.

Ter zake de hierboven gerelateerde hoeveelheden is geen administratie

getoond.

Aangezien geconstateerd werd dat veehouder A een onjuiste opgave had

ingediend ter zake geleverde karnemelk en boerenkaas en de aanwezige

administratie onvolledig bleek, werd hem proces-verbaal aangezegd."

- Desgevraagd is door de AID een aanvullende rapportage, gedateerd

16 november 1997, aan verweerder uitgebracht. Hierin is de hoeveelheid niet-

verantwoorde melk op in totaal 84.894 kg gesteld.

- Op 14 januari 1998 heeft de AID op het bedrijf van appellant de opgave voor de

heffingsperiode 1996/1997 gecontroleerd. In het hiervan opgemaakte rapport staat

onder meer het volgende vermeld:

" Vergelijk NRS gegevens met opgave COS en afleveringen aan de

zuivelfabriek:

Productie volgens NRS gegevens : 500.034 kg

Afgeleverd aan de zuivelfabriek : 327.197 ,,

------------

Blijft : 172.837 kg

Totaal verwerkt in boerderijzuivelproducten : 124.693 ,,

-------------

Blijft : 48.144 kg

In de administratie van het bedrijf stond vermeld:

Vervoederd aan kalveren 18.000 kg

Penicillinemelk 23.500 kg

Eigen verbruik melk 2.160 kg

------------

Totaal 43.660 kg

-------------

Verschil 4.484 kg

Vervoedering aan kalveren : (vlgs verklaring A)

25 kalveren 6kg x 100 dgn = 15.000 kg

35 stieren 8 kg x 10 dgn = 2.800 kg

De penicilline melk is berekend aan de hand van het verbruik van de

medicijnen.

De vervoedering van melk en de penicilline melk wordt op een kalender

bijgehouden. De kalender was echter niet meer aanwezig.

Op de kalender van 1998 stonden de totale hoeveelheden vervoedering en

penicilline melk van 1997 vermeld.

Het vet wat bij de productie van karnemelk is vrijgekomen is vlgs verklaring

ook vernietigd. (ca 475 kg)

Aan A is meegedeeld dat hij een dagelijkse administratie moet voeren van zijn

vervoederde kilogrammen melk en van de melk die hij in verband met

penicilline vernietigt. De kalender waarop hij dat vermeldt dient hij voor de

controle te bewaren.

Note:

Of de vervoedering en de vernietiging ook daadwerkelijk hebben

plaatsgevonden is niet te controleren."

- Bij brief van 17 april 1998 heeft verweerder appellant bericht dat hij de door

appellant in de heffingsperiode 1995/1996 rechtstreeks voor consumptie geleverde

hoeveelheid melk en andere zuivelproducten ambtshalve heeft vastgesteld op

190.105 kg melkequivalent. Gelet op het gebruiksquotum van appellant van

112.895 kg leidt dit tot een overschrijding van 77.210 kg, waarvoor een bedrag van

fl. 58.880,35 aan superheffing in rekening wordt gebracht. Verweerder heeft

dienaangaande het volgende overwogen:

" Op grond van het gestelde in het in kopie bijgevoegde AID-rapport (.) hebben

wij de hoeveelheden melk en/of andere zuivelproducten die u rechtstreeks voor

consumptie heeft geleverd in de heffingsperiode 1995/1996 volgens de bijlage

ambtshalve vastgesteld op grond van artikel 31 lid 2 Regeling superheffing

1993.

Van de in de bijlage vermelde hoeveelheden is door u geen volledige opgave

gedaan aan de Centrale Organisatie Superheffing (COS), zoals voorgeschreven

ten aanzien van de genoemde heffingsperiode bij of krachtens artikel 29 lid 1

Regeling superheffing 1993. Opgave van de juiste rechtstreekse verkoop had

voor 15 mei 1996 moeten plaatsvinden aan de COS.

De vaststelling dat de opgaveverplichting niet tijdig (en volledig) is

nagekomen, betekent dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 4, 2e lid

verordening (EEG) Nr. 536/93. U bent derhalve superheffing verschuldigd over

de totale overschrijding van uw consumentenquotum voor de periode

1995/1996 (.)."

- Bij brief van 6 mei 1998 heeft verweerder appellant medegedeeld dat hij de door

appellant in de heffingsperiode 1996/1997 rechtstreeks geleverde hoeveelheid melk

en andere zuivelproducten ambtshalve heeft vastgesteld op 151.236 kg

melkequivalent. Dit betekent een overschrijding van appellants gebruiksquotum van

38.341 kg, waarvoor fl. 30.032,51 superheffing in rekening wordt gebracht.

- Bij brieven van 28 mei 1998 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de hem bij beide

voormelde besluiten opgelegde superheffing. De gronden voor zijn bezwaar heeft hij

aangevoerd bij schrijvens van 21 juli 1998.

- Op 2 december 1998 heeft appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn

bezwaren toegelicht ten overstaan van een hoorcommissie van verweerder. Tevens

was hierbij de AID-ambtenaar Ten Hoven aanwezig. In het verslag van de

hoorzitting is onder meer het volgende vermeld:

" De heer VAN DIJK (.)

Geconcludeerd kan worden dat het productschap bij de vaststelling van de

geproduceerde hoeveelheden is voorbijgegaan aan de realiteit van het bedrijf

van A. Er is in de heffingsjaren 1995/96 en 1996/97 niet anders gewerkt dan in

de jaren daarvoor en op dit moment. Het enige verschil is dat door de

genoemde omstandigheden A de administratie niet volledig heeft kunnen

bijhouden. Voor de veronderstelling dat grote hoeveelheden zure

zuivelproducten zijn geproduceerd en buiten de boekhouding om zijn verkocht

is geen enkele concrete aanwijzing te vinden. Niet in de boekhouding, niet in

de verwerkingscapaciteit en niet in de verklaring van A. De verklaring van A

geeft een aannemelijk beeld van hetgeen zich in deze jaren op het bedrijf heeft

afgespeeld. Spreker wijst op de kaasboeken over de jaren 1995 t/m 1997

waaruit blijkt dat de productie van melk, yoghurt, boter en kaas is

bijgehouden. (.)

De heer DIERMANSE merkt op dat uit jurisprudentie blijkt dat ook het CBB

van oordeel is dat de administratieverplichting zich uitstrekt tot wat niet

geleverd is. Dit is van belang voor de controle. Als deze gegevens ontbreken

kan het PZ ambtshalve vaststellen. Dit moet uiteraard dan wel redelijk en

verantwoord zijn. Het gaat daarbij niet om een strafrechtelijke sanctie, maar om

ambtshalve vaststelling van leveringen waarover eventueel superheffing wordt

opgelegd. Spreker vraagt of hij goed begrepen heeft dat er wel een aanzienlijk

grotere hoeveelheid melk is geproduceerd dan is opgegeven, maar dat deze

melk niet is geleverd ondermeer als gevolg van de mastitisproblemen. Ook

blijkens de eigen verklaring van A gaat het om grote hoeveelheden.

De heer VAN DIJK stelt dat er een gat zit tussen de hoeveelheden geleverd aan

de fabriek en de geproduceerde hoeveelheden. Deze productie is vervoederd

dan wel vernietigd.

De heer DIERMANSE constateert dat het daarbij om grote hoeveelheden gaat.

De heer TEN HOVEN merkt op dat bij vorige controles niet is gebleken dat de

heer A de tot producten verwerkte melk niet correct heeft geadministreerd. De

problemen liggen bij de afwezigheid van administratie van de gestelde

vervoedering en de vernietiging.

De AID gebruikt de NRS-gegevens voor de berekening van de jaarproductie,

maar houdt rekening met het gegeven dat de jaarproductie op basis van de

NRS-gegevens 3% hoger ligt dan het normale productieniveau. Een mindering

van 3% wordt daarom toegepast.

Coberco kent ten aanzien van penicillinemelk het beleid dat bij melding fl. 0,25

wordt uitbetaald.

De heer DIERMANSE vraagt of er stukken zijn waaruit blijkt dat een melding

is gedaan bij de fabriek dat er sprake is van penicillinemelk.

A merkt op dat bij onderschrijding van het quotum voor geleverde

penicillinemelk fl 0,25 wordt uitbetaald. De melding bij de fabriek is van

belang om een monstername te vragen van mogelijk besmette melk. Als de

hoeveelheid penicilline niet aantoonbaar of gering is kan de fabriek alsnog

besluiten de melk op te halen en te verwerken. Spreker heeft geen melding aan

de fabriek gedaan van penicillinemelk, maar de melk zelf vernietigd.

De heer TEN HOVEN zegt dat niet in het geding is of er penicillinemelk was,

maar de administratie hiervan was niet voldoende.

Als de opgave van de verwerkte producten van A wordt omgerekend naar

melkplas en daarbij de leveringen aan de fabriek worden opgeteld en dit wordt

vergeleken met het productieniveau op basis van de gegevens van het NRS

ontstaat een verschil. Het verschil bestaat volgens de verklaring van A uit

vernietigde en vervoederde producten."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen en besloten:

" Op het bedrijf van uw cli‰nt was geen verkoopadministratie aanwezig. Aan de

hand van de wel aanwezige gegevens in de administratie van A is vastgesteld

dat door hem in 1995/96 en 1996/97 een grotere hoeveelheid zuivelproducten

is geleverd dan waarvan opgave was gedaan bij de COS. Daarbij gaat het voor

1995/96 om 17.773 kg in plaats van 4.860 kg karnemelk em om 11.025 kg in

plaats van 10.046 kg boerenkaas. Voor 1996/97 gaat het om 145 kg in plaats

van 136 kg boter en om 10.664 kg in plaats van 10.124 kg boerenkaas.

Er is voorts geconstateerd dat in de betrokken heffingsperiodes geen

volledige/juiste administratie van de geproduceerde melk is bijgehouden.

Voor de controle op aan superheffing onderworpen leveringen is het

noodzakelijk dat ook genoteerd wordt wat de bestemming is van hoeveelheden

melk en andere zuivelproducten die niet geleverd worden door de producent. Er

is geen sprake van een volledige administratie van de gestelde vervoedering,

vernietiging en eigen gebruik. Het ontbreken van een adequate administratie

leidt ertoe dat de vaststelling van de geproduceerde hoeveelheid melk

gebaseerd moet worden op een schatting.

Niet is aangetoond dat niet in de administratie verantwoorde hoeveelheden

melk niet zijn geleverd.

Niettemin zijn wij bereid, gezien ook de bij uw brieven van 21 juli overgelegde

stukken, een deel van de hoeveelheden, welke in de besluiten van 17 april en

6 mei 1998 betrokken zijn bij de ambtshalve vaststelling van de leveringen, aan

te merken als niet geleverde melk. Daarbij gaat het voor de heffingsperiode

1995/96 om 24.426 kg (23.715 l) (penicilline-)melk en voor de heffingsperiode

1996/97 om 23.500 kg (penicilline-)melk.

Gezien het vorenstaande is besloten:

met betrekking tot 1995/96 de hoeveelheden -na correctie i.v.m. het

schrikkeljaar- van de ambtshalve vastgestelde leveringen te verlagen van

190.105 kg tot 165.746 kg melk, hetgeen resulteert in een verlaging van de

opgelegde heffing van fl. 58.880,35 tot fl. 40.304,17;

met betrekking tot 1996/97 de hoeveelheden van de ambtshalve vastgestelde

leveringen te verlagen van 151.236 kg tot 127.736 kg melk, hetgeen resulteert

in een verlaging van de opgelegde heffing van fl. 30.032,51 tot fl. 11.624,96.

Uw cliënt ontvang binnenkort nieuwe nota's (.).

Op basis van de leveringsgegevens in de opgaveformulieren was sprake van

een onderschrijding van het consumentenquotum. Gezien ook de doelstelling

van artikel 4, lid 2, Verordening (EEG) nr. 536/93 - zie de vijfde overweging

bij de verordening - is in de onderhavige gevallen terecht de sanctie toegepast

van het opleggen van een heffing over de totale overschrijding van het

consumentenquotum."

Ter zitting heeft verweerder hieraan nog het volgende toegevoegd:

" De ambtshalve vaststelling van het productschap heeft overigens (uitsluitend)

betrekking op de hoeveelheid melk welke appellant, volgens zijn verklaring,

voor een andere bestemming heeft gebruikt dan levering.

Niet ontkend wordt dat deze hoeveelheid melk op zijn bedrijf geproduceerd is.

Het productschap neemt het standpunt in dat de overgelegde stukken

onvoldoende zijn om te kunnen dienen als bewijs voor de stelling van appellant

dat de betrokken hoeveelheid niet is geleverd.

Dit geldt ook voor de verklaring van de dierenarts en de daarbij gevoegde

rekeningen. Immers:

de in een bepaalde periode aangekochte hoeveelheid antibiotica zegt op zich

niets over het gebruik ervan voor de behandeling in die periode van

besmette melkkoeien;

niet duidelijk is hoe de hoeveelheid penicillinemelk aan de hand van de

medicijnen is berekend;

geen gegevens zijn overgelegd die betrekking hebben op de behandeling

met antibiotica van besmette koeien (datum behandeling, naam van de koe,

wachttijd welke in aanmerking is genomen. Ook de verklaring van de

dierenarts is op dit punt niet concreet ("veel gevallen.");

voorzover sprake is van penicillinemelk ontbreekt een bewijs van

daadwerkelijke lozing in de gierput.

Niettemin is het productschap bereid geweest om de in het primaire besluit

vastgestelde hoeveelheden te verminderen met de hoeveelheden waarvan

appellant heeft gesteld dat deze betrekking hebben op zijn bedrijf vernietigde

penicillinemelk. Dit heeft geleid tot een forse vermindering van de ambtshalve

vastgestelde hoeveelheden "niet verantwoorde melk" welke het productschap

als leveringen van melk heeft aangemerkt."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" Strijd met evenredigheidsbeginsel

De nadelige gevolgen van het besluit acht appellant onevenredig tot de met het

besluit te dienen doelen. Appellant meent dan ook dat er gehandeld is in strijd

met artikel 3:4, lid 2 AWB.

(.)

Verwerkingscapaciteit

Appellant heeft in zijn bezwaarschriften aangegeven dat de

verwerkingscapaciteit op zijn bedrijf dermate groot is dat, kort samengevat, de

kennelijk door verweerder aan de verschillende consumentenproducten

toegerekende hoeveelheden, niet konden worden geproduceerd. Verweerder is

evenwel op dit argument in het geheel niet ingegaan. Appellant acht de

beslissing op dit punt dan ook onvoldoende zorgvuldig, althans onvoldoende

gemotiveerd, tot stand gekomen. Voorts constateert appellant op dit onderdeel

dat in elk geval vaststaat dat de aan de fabriek geleverde hoeveelheden correct

zijn geadministreerd. In de ogen van verweerder zijn evenwel de aan de

consument geleverde zuivelproducten niet juist bijgehouden. De door appellant

vernietigde en vervoederde hoeveelheden heeft verweerder als zijnde verwerkt

tot consumentenproducten in aanmerking genomen voor het opleggen van de

heffing. Gelet op de hoeveelheden totaal verwerkingscapaciteit, blijkt dit echter

ten enenmale onmogelijk.

Representativiteit gebruikte gegevens

Voorts constateert appellant dat hij reeds in het bezwaarschrift heeft

aangegeven dat de zogenaamde NRS-gegevens niet representatief zijn. Tevens

heeft appellant aangevoerd dat voor bederf en eigen gebruik geregeld een

productieverlies optreedt van circa 10%. Appellant is van oordeel dat

verweerder dit verlies ten onrechte niet heeft meegenomen, en zich ten

onrechte op de NRS-cijfers heeft gebaseerd.

Vervoedering

Met betrekking tot de vervoedering van de opgegeven hoeveelheden, heeft

appellant verwezen naar overgelegde rantsoenberekeningen. Ook daaraan is in

de beslissing op het bezwaarschrift geen overweging gewijd. Verweerder

constateert slechts dat er geen verkoopadministratie aanwezig was. Appellant

meent evenwel dat hij in voldoende mate heeft aangetoond, dan wel

aannemelijk gemaakt dat hij aanzienlijke hoeveelheden heeft vervoederd.

Appellant merkt in dat kader op dat verweerder kennelijk van oordeel is dat de

onderbouwing van de vernietiging van de zogenaamde penicillinemelk ook

voldoende is geweest.

Vereveningsruimte

Tenslotte is appellant van oordeel dat verweerder bij de berekening van de

superheffing ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de zogenaamde

vereveningsruimte. (.)"

5. De beoordeling van het geschil

Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat

appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende boekhoudverplichting. Een

toereikende administratie van de bestemming van de totale zuivelproductie ontbreekt

immers. Dit brengt mee dat verweerder op grond van artikel 31, tweede lid, van de

Regeling superheffing 1993 bevoegd was om ambtshalve de afgeleverde hoeveelheid vast

te stellen. Deze vaststelling kan zoals het College al meermalen heeft overwogen - bij

gebreke van een adequate administratie - noodzakelijkerwijs niet anders zijn dan een

schatting, maar deze schatting moet, met gebruikmaking van de wel bekende gegevens,

hetgeen zich daadwerkelijk heeft voorgedaan zo dicht mogelijk benaderen.

Naar het oordeel van het College voldoet de ambtshalve vaststelling in dit geval niet aan

deze voorwaarde. Het College overweegt hiertoe als volgt.

Appellant heeft betoogd dat de verwerkingscapaciteit op zijn bedrijf ten enenmale

onvoldoende is om de door verweerder ambtshalve vastgestelde hoeveelheid te verwerken.

Verweerder is op deze stelling van appellant niet ingegaan, zodat in het duister blijft

waarom hetgeen appellant met betrekking tot de verwerkingscapaciteit naar voren heeft

gebracht, niet af zou doen aan de juistheid van de schatting van verweerder.

Aan de uiteindelijk door appellant gedane opgave met betrekking tot vervoedering komt

uiteraard niet zonder meer doorslaggevende betekenis toe, maar het ligt op de weg van

verweerder om, indien hij uitgaande van de (waarschijnlijk) gemolken liters het hiervan

niet verantwoorde gedeelte wenst te traceren, nader aandacht te besteden aan de vraag in

hoeverre het waarschijnlijk is dat vervoedering plaatsvond. Dat dit is geschied blijkt echter

niet uit de gedingstukken.

Een aftrek voor eigen consumptie heeft verweerder niet toegepast. Nu enig eigen gebruik

op voorhand niet onaannemelijk lijkt, voldoet de ambtshalve vaststelling ook op dit punt

niet aan de daaraan te stellen eisen.

Anders dan verweerder ter zitting lijkt te hebben willen betogen worden voormelde

gebreken van de schatting zonder nadere, op de argumenten van appellant toegespitste en

cijfermatig onderbouwde, redengeving niet weggenomen door de beweerdelijk soepele

houding van verweerder met betrekking tot de geclaimde aftrek voor de penicillinemelk.

Dit zou immers niet verenigbaar zijn met een behoorlijke schatting.

Gelet op het vorenstaande voldoet de vaststelling van de rechtstreeks verkochte hoeveel-

heid melkequivalent niet aan de uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding en

motivering daaraan te stellen eisen. Het beroep moet hierom gegrond worden verklaard en

het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12,

eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder moet opnieuw op de bezwaren

van appellant beslissen met inachtneming van het vorenoverwogene.

Aan een beoordeling van de overige grieven van appellant komt het College, gelet op het

voorgaande, niet toe.

Het College ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te

veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van fl. 1.420,--.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op de bezwaarschriften van 28 mei 1998, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant ten belope van fl. 1.420,-- (zegge: ‚‚nduizendvierhonderdtwintig gulden);

- bepaalt dat verweerder aan appellant het griffierecht ten bedrage van fl. 225,-- (zegge: tweehonderdvijfentwintig gulden) vergoedt.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2001.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. A. Bruining