ECLI:NL:CBB:2001:AB1275
public
2015-11-10T20:31:35
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB1275
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-04-11
AWB 00/320
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 1
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1275
public
2013-04-04T16:26:10
2005-06-14
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB1275 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 11-04-2001 / AWB 00/320

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/320 11 april 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

de maatschap A, te B, appellante,

gemachtigde: drs H.M.P.M. Koelman R.A., te Alkmaar,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr M.T. Veldhuizen.

1. De procedure

Op 20 april 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij

beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 maart 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing

van haar aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

Op 5 juli 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 februari 2001 heeft appellante haar standpunt toegelicht en

gedocumenteerd.

Op 28 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen hun

standpunten hebben toegelicht. Tevens is verschenen drs M. Honig van GeoRas, die ter

ondersteuning van verweerders standpunt een toelichting heeft gegeven met betrekking tot

satellietopnames die zijn weergegeven op ter zitting overgelegde foto's en op een

beeldscherm.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) zoals deze

luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(.)

e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni

1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde

akkerbouwgewassen (PbEG L 181);

(.)

k. producent: individuele landbouwondernemer (.) die op zijn bedrijf voor

eigen rekening en risico akkerland met akkerbouwgewassen inzaait met de

bedoeling deze gewassen te oogsten;

l. bedrijf: (.)

m. akkerland:

a) geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die

gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als

blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet

agrarische doeleinden in gebruik was;

b) grond die overeenkomstig de Beschikking ter zake van het uit produktie

nemen van bouwland uit productie is geweest;

(.)

Artikel 3

Overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening

3887/92, (.) en deze regeling (.) worden jaarlijks op aanvraag de

beschikkingen tot subsidievaststelling gegeven aan producenten van

akkerbouwgewassen (.)."

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft een "Formulier aanvraag oppervlakten 1999", getekend 4 mei 1999,

bij verweerder ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van de Regeling voor

onder meer een perceel met volgnummer 21 en een oppervlakte van 2.60 ha

(hierna: perceel 21).

- Bij brief van 7 december 1999 is aan appellante medegedeeld dat haar aanvraag is

afgewezen. De bijlage bij deze brief vermeldt dat het verschil tussen de aangevraagde

en de geconstateerde oppervlakte 2.60 ha bedraagt, zijnde 50,49 % van de

geconstateerde oppervlakte, en voorts onder meer het volgende:

" Bij een verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte groter dan

20% van de geconstateerde oppervlakte, dan vervalt geheel het recht op een

subsidie."

- Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt bij brief van 12 januari 2000,

waarin onder meer het volgende wordt aangevoerd:

" Het perceel, met volgnummer 21 en opgegeven oppervlakte van 2.60 ha,

hebben wij in 1997 gekocht van de heer/ wijlen C, D. Evenals op de meeste

bedrijven worden er gronden, meestal grasland, jaarlijks verhuurd voor de teelt

van aardappelen en bloembollen. Dit was ook het geval op het bedrijf van

wijlen C, D.

De heer E, F verbouwde aardappelen op dit bedrijf.

Zie verklaring.

Evenals het andere perceel, waarover geen opmerking wordt gemaakt op

dezelfde locatie, is gebruikt voor de teelt van aardappelen."

- Bij brief van 24 februari 2000 heeft verweerder appellante als volgt bericht:

" Mij is (.) uit satellietbeelden gebleken, dat dit perceel niet in tenminste een

der jaren 1987 tot en met 1991 als akkerland in gebruik is geweest, zoals artikel

1 onder o van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwproducenten vereist,

maar steeds als grasland.

Ik vraag u derhalve sluitend bewijsmateriaal (bijvoorbeeld een kopie van de

betreffende kaart uit de atlas van de topografische dienst m.b.t. de periode 1987

tot en met 1991) te overleggen, waaruit blijkt, dat perceel 21 in tenminste een

van de jaren 1987 tot en met 1991 akkerland (in de zin van de Regeling) is

geweest.

Tevens verzoek ik u aan te geven, of u voor een hoorzitting wilt worden

uitgenodigd, indien dit bewijsmateriaal onvoldoende mocht blijken te zijn."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes bezwaar ongegrond verklaard en

hiertoe onder meer als volgt overwogen:

" Uw aanvraag is afgewezen, omdat uit satellietbeelden is gebleken, dat de

oppervlakte van het perceel met topografisch nummer 119 11 538 23 (perceel

21) van 1987 tot en met 1991 niet als akkerland in de zin van de Regeling in

gebruik is geweest. Daarmee voldoet deze oppervlakte niet aan het bepaalde in

artikel 1 onder m van de Regeling. (.) Gelet op de omstandigheid dat het

verschil tussen de oppervlakte die niet aan de voorwaarden van de Regeling

voldoet meer dan 20 % is van de oppervlakte die daaraan wel voldoet, komt u

op grond van artikel 9 van EG-Verordening 3887/92 in het geheel niet in

aanmerking voor een bijdrage.

U heeft niet overtuigend aangetoond, dat bovenstaande constatering onterecht

is. De verklaring van de heer E uit F, waarin deze stelt, dat hij het betreffende

perceel in het verleden heeft gebruikt voor de teelt van aardappelen is

onvoldoende om als bewijsmateriaal te worden geaccepteerd voor de

vaststelling of een perceel ook daadwerkelijk akkerland is in de zin van de

Regeling. Dit is immers geen objectief bewijsmateriaal waarmee onomstotelijk

wordt aangetoond dat perceel 21 akkerland was in de periode 1987 tot en met

1991. Ook verder is geen bewijsmateriaal overgelegd, waaruit zonder meer

blijkt, dat perceel 21 akkerland in de zin van de Regeling is."

Ten verweer is onder meer het volgende aangevoerd:

" De satellietfoto's zijn voor LASER een aanwijzing dat de desbetreffende

percelen in de jaren 1987 tot en met 1991 niet in gebruik zijn geweest als

akkerland, verweerder is van mening dat het verder aan appellante is om aan te

tonen dat perceel 21 wel aan de definitie van akkerland voldoet.

Verweerder is van mening dat de door appellante overgelegde bewijsstukken

echter niet kunnen aantonen dat de bestreden beslissing onjuist is. Deze

stukken bevatten namelijk geen perceelsgebonden informatie terwijl de

verklaring van de heer G naar de mening van verweerder niet gezien kan

worden als objectief bewijsmateriaal."

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij met betrekking tot percelen die in

voorafgaande jaren wel zijn geaccepteerd als akkerland, het beleid voert deze niet meer als

zodanig te accepteren in het geval de satellietopnames aangeven dat ten tijde van de

opnames sprake was van grasland. In dit geval verzoekt hij van de aanvrager nader bewijs.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft bij beroepschrift onder meer het volgende tegen het bestreden besluit

aangevoerd:

" In 1997 is het desbetreffende perceel door Maatschap A gekocht van wijlen de

heer C.

Uit de administratie van de heer C over de periode 1987-1991 is te zien dat er

elk jaar een deel van zijn grasland verhuurd wordt voor de teelt van

aardappelen. Ook wordt er in alle jaren met uitzondering van 1988 door de heer

C zelf een akkerbouwgewas geteeld op het bedrijf.

De desbetreffende percelen werden gehuurd door de heer G, dit is te

achterhalen uit zowel de administratie van de heer Jimmink (ontvangst) als de

administratie van de heer G (uitgaven).

In de bijlage verklaart de heer G dat hij in de periode 1987-1991 elk jaar een

perceel van de heer C gehuurd heeft, waaronder het perceel 21 van de

aanvraag.

Deze bewering wordt ondersteund door de geldstromen tussen de heer C en de

heer G in deze periode (zie bijgevoegde accountantsverklaring).

Verder willen wij opmerken dat de verhuurde oppervlakte plus de oppervlakte

akkerbouwgewassen op het bedrijf van de heer C in de periode 1987 t/m 1991

in totaal 19,54 ha bedraagt. Aangezien deze oppervlakte groter is dan de totale

bedrijfsoppervlakte nl. 19,09 ha, en het noodzakelijk is om een vruchtwisseling

toe te passen, is het waarschijnlijk dat perceel 21 ook in gebruik is geweest als

akkerland.

Ten slotte willen wij opmerken dat LASER als bewijsmateriaal een kopie van

de kaart uit de atlas van de topografische dienst m.b.t. de periode 1987-1991

verlangt, waaruit blijkt dat perceel 21 'zwart' is geweest. Uit navraag bij de

topografische dienst blijkt dat slechts de kaarten van 1989 en 1990 van deze

periode beschikbaar zijn. Het is dus onmogelijk om op deze manier het door

LASER gevraagde bewijs te leveren."

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 1 van de Regeling wordt - voor zover hier van belang - onder akkerland

verstaan het geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die

gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als blijvend grasland

in gebruik was.

Aan de orde is de vraag of verweerder zijn nader standpunt dat niet kan worden

aangenomen dat perceel 21 in de periode 1987 tot en met 1991 in gebruik is geweest als

akkerland, heeft kunnen baseren op satellietwaarnemingen die in die periode van perceel

21 zijn gedaan. Dienaangaande overweegt het College ten eerste het volgende.

Verweerder heeft in voorgaande jaren appellantes aanvragen minder fijnmazig

gecontroleerd, waarbij hij perceel 21 steeds heeft aangemerkt als akkerland en mede op die

grond deze eerdere aanvragen van appellante goedgekeurd.

Deze omstandigheden staan er niet aan in de weg dat verweerder appellantes aanvraag voor

1999 toetst aan meer gedetailleerde controlegegevens als bedoelde satellietopnames die

inmiddels te zijner beschikking zijn gekomen. Evenmin beletten deze omstandigheden

verweerder bij de beslissing op die aanvraag op grondslag van deze gegevens terug te

komen van zijn conclusie in voorgaande jaren, dat de als zodanig door appellante

opgegeven percelen voldoen aan de definitie van akkerland, met dien verstande dat

appellante de gelegenheid moet worden geboden in bezwaar aannemelijk te maken dat de

percelen waarop bedoelde satellietopnames betrekking hebben, wel degelijk als akkerland

zijn gebruikt in de referentiejaren 1987 tot en met 1991.

Bij de beoordeling van de bewijsvoering van appellante tegenover de aanwijzingen die aan

de satellietopnames kunnen worden ontleend, dient mede in aanmerking te worden

genomen de tijd die sinds de referentieperiode is verstreken gedurende de jaren waarin

verweerder perceel 21 wel heeft aangemerkt als akkerland. Niet onaannemelijk is immers

dat appellantes bewijspositie hierdoor slechter is geworden.

5.2 Aangaande de gevolgtrekkingen die verweerder uit de satellietopnames heeft gemaakt,

overweegt het College als volgt.

De opnames dateren van het voor- en het najaar van elk der referentiejaren, zij het dat een

opname uit het najaar 1990 ontbreekt.

Verweerder heeft ter zitting van het College deze opnames door M. Honig doen

presenteren en doen toelichten hoe deze opnames hem leiden tot de diagnose dat perceel 21

op die tijdstippen in gebruik is geweest als grasland en hoe hij uit de satellietopname van

27 maart 1991 de conclusie heeft getrokken dat perceel 21 ook het gehele najaar 1990

grasland is geweest.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder aldus aangetoond dat er voldoende

twijfel was gerezen omtrent appellantes "Aanvraag oppervlakten 1999" om bij de

besluitvorming op deze aanvraag terug te komen van zijn conclusie in voorgaande jaren dat

perceel 21 is aan te merken als akkerland.

Appellante heeft niet bestreden dat de satellietopnames de diagnose rechtvaardigen dat

perceel 21 op de tijdstippen waarop de overgelegde satellietfoto's zijn genomen, als

grasland in gebruik was. Ook overigens ziet het College geen grond deze diagnose in

twijfel te trekken.

5.3 Appellante heeft evenwel betoogd dat in tijdvakken tussen deze tijdstippen perceel 21 voor

akkerbouw in gebruik is geweest en heeft hiertoe aangevoerd dat jaarlijks een deel van het

grasland aan Borst is verhuurd voor de teelt van aardappelen, alsmede dat haar

bedrijfsvoorganger Jimmink de meeste referentiejaren akkerbouwgewassen heeft geteeld.

Het College constateert dat appellante aldus niet heeft aangegeven, laat staan onderbouwd,

in welk referentiejaar en voor welke akkerbouwgewassen perceel 21 door C,

onderscheidenlijk G is gebruikt. Reeds daarom valt niet eenduidig af te leiden na welke

satellietopname grasland van perceel 21 is gewijzigd in akkerland, wanneer het betreffende

akkerbouwgewas op perceel 21 kan zijn geoogst, wanneer dit perceel derhalve weer kan

zijn ingezaaid met gras en of de diagnose van de daarop volgende satellietopname hiermee

verenigbaar is.

De conclusie is dat tegenover de vaststelling dat in elk der vijf referentiejaren in het voor-

en het najaar perceel 21 grasland is geweest, appellante onvoldoende heeft aangevoerd om

aannemelijk te maken dat het perceel in de tussentijd in enig jaar akkerland is geweest.

5.4 De slotsom is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing

van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

7.

Het College verklaart het beroep ongegrond;

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 april 2001.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel