ECLI:NL:CBB:2001:AB1464
public
2015-11-10T19:15:47
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB1464
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-04-17
AWB 99/69
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1464
public
2013-04-04T16:26:56
2001-07-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB1464 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 17-04-2001 / AWB 99/69

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/69 17 april 2001

11200

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellante,

gemachtigde: mr M.T.C.A. Smets, advocaat te Waalre,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr G. de Goede, ambtenaar ten departemente.

1. Feiten en procesverlooop

Bij brief van 8 februari 1997 heeft appellante verweerder verzocht om vergoeding van

schade welke zij had geleden als gevolg van de vernietiging van 240 varkens die op

7 februari 1997 door haar transportbedrijf waren vervoerd. Deze vernietiging vond plaats

na aanhouding van het transport van de varkens in een gebied, waar in verband met de

uitbraak van klassieke varkenspest een vervoersverbod van kracht was.

Verweerder heeft bij schrijven van 21 april 1997 voormeld verzoek afgewezen en daartoe

onder meer overwogen dat de inbeslagneming en de vernietiging van de varkens het gevolg

zijn van een overtreding van het vervoersverbod en dat derhalve de daaruit voortvloeiende

schade door appellante moet worden gedragen.

Tegen deze beslissing heeft appellante bij brief van 20 mei 1997 een bezwaarschrift

ingediend.

Bij besluit van 10 maart 1998 heeft verweerder dit bezwaarschrift niet-ontvankelijk

verklaard.

Appellante is van evenvermeld besluit in beroep gekomen bij de Arrondissements-

rechtbank te Arnhem bij een op 20 april 1998 door de rechtbank ontvangen beroepschrift.

Bij schrijven van 29 mei 1998 heeft appellante de gronden van haar beroep uiteengezet.

Verweerder heeft onder dagtekening 14 juli 1998 een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 19 januari 1999 heeft de rechtbank, voorzover in deze van belang, zich

onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep van appellante en bepaald dat het

beroepschrift ter verdere behandeling wordt door gezonden aan het College.

Het onderzoek ter zitting van het College heeft plaatsgevonden op 13 februari 2001.

Partijen hebben aldaar hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader

uiteengezet.

2. De grondslag van het geschil

In artikel 106 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWWD) is het

volgende bepaald:

" 1. Onder de uitvoering van deze wet en de krachtens deze wet gestelde regelen

is begrepen de bevoegdheid van een door Onze Minister aangewezen

ambtenaar, indien dit ter voorkoming van verspreiding van smetstof

noodzakelijk is, tot het op kosten van de overtreders doen verrichten van

hetgeen in strijd met deze wet of die regelen is of wordt gedaan, ondernomen

of nagelaten.

2. Tenzij in spoedeisende gevallen neemt een door Onze Minister aangewezen

ambtenaar een in het eerste lid genoemde maatregel niet dan na een daartoe

door hem aan betrokkene gegeven waarschuwing of gedane aanzegging."

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

" Omtrent de ontvankelijkheid van Uw bezwaarschrift overweeg ik het volgende.

U meent dat schade is ontstaan door het onduidelijk aangeven van de

toegestane rijroutes, in verband met het vervoersverbod rond Venhorst,

alsmede door het in beslag nemen en vernietigen van de vervoerde varkens.

Het vaststellen van vervoersverboden en het plaatsen van

waarschuwingsborden rondom het aldus verboden gebied gebeurt op grond van

artikel 30 van de Wet (lees: de GWWD). Uw verzoek is derhalve op te vatten

als een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het

kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid.

De afwijzende beslissing van 21 april 1997 op Uw verzoek betreft derhalve een

besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, en wel een zogenaamd zuiver

schadebesluit.

Beroep tegen een zuiver schadebesluit is echter alleen mogelijk, indien

eveneens beroep openstaat tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de

publiekrechtelijke bevoegdheid zelf.

De schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid

bestaat naar Uw zeggen uit het ter plekke op onjuiste wijze aangeven van het

gebied waarbinnen en waar vanuit het, op grond van het vervoersverbod

Venhorst, verboden is om vee te vervoeren en uit het in beslag nemen en

vernietigen van de vervoerde varkens. Het in beslag nemen en het vernietigen

van de varkens berust niet op een schriftelijk genomen besluit. Reeds omdat er

in deze situatie geen sprake is van enige schriftelijke beslissing, betreft dit

vermeende schadeveroorzakende handelen geen besluit in de zin van artikel 1:3

van de Awb, waartegen op grond van art. 8:1 van de Awb beroep open staat.

Derhalve kan tegen het besluit van 21 april 1997 geen beroep worden ingesteld

en kan daartegen op grond van art. 7:1 van de Awb evenmin bezwaar worden

gemaakt."

In het verweerschrift heeft verweerder nog te kennen gegeven dat in het door appellante

genoemde artikel 106 van de GWWD geen grond is te vinden voor de opvatting dat hier

sprake is van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Awb, aangezien

zonder voorafgaande schriftelijke waarschuwing is overgegaan tot het toepassen van

bestuursdwang en een dergelijke toepassing een louter feitelijk handelen betreft.

Het is - aldus verweerder - vaste bestuursrechtelijke jurisprudentie dat de schriftelijke

waarschuwing dat tot bestuursdwang zal worden overgegaan een voor bezwaar en beroep

vatbare beslissing betreft, daar zo'n waarschuwing een noodzakelijke voorwaarde is voor

het rechtsgeldig kunnen uitoefenen van de bevoegdheid inzake bestuursdwang. In het

onderhavige geval is echter van een dergelijke - voorafgaande - waarschuwing geen sprake

geweest. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat artikel 106, tweede lid, van de

GWWD in spoedeisende gevallen de mogelijkheid biedt een waarschuwing achterwege te

laten.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, samengevat weergegeven en voor zover van belang, ter ondersteuning

van het beroep het volgende aangevoerd.

Het schadeveroorzakende besluit betreft, zoals intussen duidelijk door verweerder te

kennen is gegeven, de toepassing van artikel 106 van de GWWD.

Dit artikel geeft verweerder de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang. Derhalve

ging het bij de vernietiging van de onderhavige varkens om de uitoefening van een

publiekrechtelijke bevoegdheid. De uitoefening van deze bevoegdheid heeft een

schriftelijke basis in de vorm van een verklaring van de inspecteurs-districtshoofden van de

RVV, waarin onder verwijzing naar eerdergenoemd artikel is aangezegd dat bij overtreding

van het vervoersverbod de betrokken varkens onverwijld worden gedood en vernietigd.

Deze verklaring dient in verband met de destijds heersende hectiek en noodzaak tot

onverwijld handelen, te worden aangemerkt als een waarschuwing dan wel aanzegging in

de zin van artikel 106, tweede lid, van de GWWD. Immers, destijds was het ondoenlijk per

geval een aanzegging te doen, zodat is volstaan met een algemene aanzegging.

Appellante stelt zich subsidiair op het standpunt dat bij wege van anticipatie op het per

1 januari 1998 in werking getreden artikel 5:24, zesde lid, van de Awb, het primaire besluit

van 21 april 1997 moet worden aangemerkt als een na de toepassing van spoedeisende

bestuursdwang op schrift gestelde beschikking, waartegen voorziening op grond van de

Awb kan worden gevraagd.

Appellante is in verband met het voorafgaande van mening dat verweerder hem in zijn

bezwaren had behoren te ontvangen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat, blijkens hetgeen van de zijde van verweerder naar voren is

gebracht, gelijk ook door appellante is aangenomen, met het treffen van de door appellante

gewraakte maatregel - vorenomschreven vernietiging van de door appellante vervoerde

varkens - is beoogd toepassing te geven aan meergenoemd artikel 106 van de GWWD.

Voor de beantwoording van de in dit geding aan de orde zijnde vraag betreffende de

ontvankelijkheid van appellante in haar bezwaren tegen de weigering van verweerder d.d.

21 april 1997 om de uit voormelde vernietiging voortvloeiende schade aan appellante te

vergoeden, is beslissend of ter zake van deze schade een besluit is aan te wijzen waartegen

voorziening op grond van de Awb openstond.

Het College beantwoordt de laatstgeformuleerde vraag ontkennend en overweegt daartoe

dat aan voormelde uitoefening van bestuursdwang geen aan appellante gedane schriftelijke

waarschuwing of aanzegging, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, is voorafgegaan.

Als waarschuwing dan wel aanzegging, gericht aan de betrokkene, kan niet worden

aangemerkt de door appellante bedoelde algemene verklaring van de inspecteurs-

districtshoofden.

Derhalve moet worden geoordeeld dat aan het door appellante gestelde

schadeveroorzakend handelen geen besluit in de betekenis van artikel 1:3 van de Awb,

zijnde een schriftelijke beslissing inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, ten

grondslag lag.

Het beroep dat appellante heeft gedaan op artikel 5:24, zesde lid, van de Awb faalt reeds

omdat genoemd voorschrift eerst op 1 januari 1998 in werking is getreden.

De vraag of met betrekking tot de in het geding zijnde uitoefening van bestuursdwang een

voor voorziening vatbaar besluit is aan te wijzen, dient te worden beantwoord aan de hand

van de bestuursrechtelijke jurisprudentie van v¢¢r genoemd tijdstip. Die jurisprudentie

hield, kort gezegd, in dat ter zake van bestuursdwang geen voorziening mogelijk werd

geacht, indien geen sprake was van een, aan de tenuitvoerlegging van de dwangmaatregel

voorafgaande, schriftelijke waarschuwing of aanzegging.

In verband met het vorenstaande dient, gelet op het bepaalde in de artikelen 1:3, 8:1 en 7:1

van de Awb te worden geoordeeld dat appellante niet kon worden ontvangen in haar

bezwaren tegen vorenomschreven schadebesluit van verweerder d.d. 21 april 1997.

Het beroep van appellante dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:71 van de Awb merkt het College op dat

een vordering betreffende de in geding zijnde schade uitsluitend bij de burgerlijke rechter

kan worden ingesteld.

Tenslotte acht het College geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met

toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar

op 17 april 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen