ECLI:NL:CBB:2001:AB1500
public
2015-11-10T20:16:45
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB1500
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-05-02
AWB 00/441
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1500
public
2013-04-04T16:27:04
2001-07-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB1500 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 02-05-2001 / AWB 00/441

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/441 2 mei 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr L.P. de Wit, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 30 mei 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 april 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de beslissing op haar aanvraag om steun ingevolge de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 27 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 22 maart 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EEG) nr. 1765/92 is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2

1. In de Gemeenschap gevestigde producenten van akkerbouwgewassen kunnen onder de in deze titel aangegeven voorwaarden een compensatiebedrag aanvragen.

(...)

5. Het compensatiebedrag wordt toegekend in het kader van:

a) een "algemene regeling", die voor alle landbouwers geldt, of

b) een "vereenvoudigde regeling", die voor kleine producenten geldt.

Producenten die het compensatiebedrag aanvragen in het kader van de algemene regeling verbinden zich ertoe een deel van hun areaal uit produktie te nemen en ontvangen een compensatie voor deze verplichting."

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 229/95, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 4

2.a De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijziging uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

Wat de percelen landbouwgrond betreft, mag de steunaanvraag "oppervlakten" slechts worden gewijzigd in bijzondere gevallen die naar behoren zijn gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of de sluiting van een pachtovereenkomst. De Lid-staten stellen de desbetreffende voorwaarden vast. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die voor een braaklegging of als voederareaal zijn aangegeven, tenzij het een geval betreft dat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen naar behoren is gemotiveerd en op voorwaarde dat dit perceel reeds voor braaklegging of als voederareaal was opgenomen in een steunaanvraag van een ander bedrijfshoofd, welke laatste steunaanvraag dienoverkomstig wordt gecorrigeerd.

Artikel 5 bis

Met betrekking tot het gebruik of de betrokken steunregelingen kunnen in alle gevallen wijzigingen worden aangebracht. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen, die voor een braaklegging zijn aangegeven.

(...)

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 6 mei 1999 een Aanvraag oppervlakten 1999 Algemene regeling en voederareaal op grond van de Regeling bij verweerder ingediend.

- Bij schrijven van 28 juli 1999 heeft verweerder appellante erop gewezen, dat haar aanvraag onvolledig en/of (deels) onjuist is ingevuld. Perceel 9 in de opgave zou mogelijk kleiner zijn, dan door appellante was opgegeven.

- Appellante heeft hierop bij brief van 8 augustus 1999 gereageerd.

- Bij besluit van 6 december 1999 heeft verweerder de gevraagde steun gedeeltelijk toegewezen, omdat de oppervlakte braakgelegde grond geringer was dan voor een volledige toewijzing vereist is.

- Appellante heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt en daarbij aangevoerd dat haar door verweerder een formulier voor een aanvraag in het kader van de algemene regeling was toegezonden. Zou zij daarentegen dezelfde aanvraag in het kader van de vereenvoudigde regeling hebben ingediend, dan zou deze geheel gehonoreerd hebben kunnen worden.

- Appellante verzoekt dan ook alsnog tot volledige toekenning van de gevraagde steun te besluiten.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

" U voert in uw bezwaarschrift aan dat u zich door LASER op het verkeerde been gezet voelt, doordat LASER u een aanvraagformulier voor de Algemene Regeling heeft toegezonden en nu blijkt dat u een aanvraagformulier voor de Vereenvoudigde Regeling had moeten indienen. Verder stelt u dat Laser uws inziens de plicht heeft om aanvragers in te lichten over het feit dat hun manier van aanvragen kan leiden tot het niet verkrijgen van een bijdrage. U vindt het verder opmerkelijk dat u door LASER ervan in kennis wordt gesteld dat met ingang van het jaar 2000 nog maar één formulier kan worden gebruikt voor het aanvragen van een akkerbouwbijdrage. Er wordt dan niet meer gesproken over vereenvoudigde en algemene regeling, maar over één steunregeling voor alle producenten. U vindt het derhalve niet fair dat u nu zo zwaar wordt gestraft voor het invullen van het verkeerde formulier.

LASER gaat ervan uit dat u in de hoedanigheid van aanvrager op de hoogte bent van het bepaalde in de Regeling en dat u een aanvraag indient conform de eisen die het uitvoeringsorgaan daaraan stelt. In de aan u toegezonden brochure staat duidelijk vermeld dat u kunt kiezen voor deelname aan de Vereenvoudigde Regeling zonder braakverplichting of voor de Algemene Regeling met braakverplichting. Wanneer u in 1999 wilt deelnemen aan een andere regeling dan in 1998 dan kunt u met behulp van de bestelkaart in bijlage 8 de daarvoor benodigde formulieren en brochures bestellen. Verder staat het verschil tussen de twee voornoemde regelingen duidelijk uitgelegd in deze brochure.

LASER mocht er bij de beoordeling van uw aanvraag van uitgaan dat u de intentie had om deel te nemen aan de Algemene Regeling. U vult immers op het aanvraagformulier bij het perceel met het volgnummer 13 de bijdragecode 830 en de gewascode 668 in hetgeen betekent dat u bijdrage vraagt voor braak met toegestane groenbemester.

Het wijzigen van uw aanvraag is, op grond van artikel 4 lid 2 sub a en artikel 5 bis van Verordening (EEG) 3887/92, thans nog slechts mogelijk indien er sprake is van een klaarblijkelijke fout. De uitleg van het begrip klaarblijkelijke of "manifeste" fout is vastgelegd in het Werkdocument van de commissie "Manifeste fouten"/Brussel, 18-01-"99, VI.7103/98 Rev2-NL. De vraag die moet worden gesteld is, of de fout die u maakte, op grond van de richtlijnen in het genoemde document, kan worden beschouwd als zijnde manifest.

Op grond van het bovenstaande concludeer ik dat het invullen van het verkeerde formulier in uw geval niet beschouwd kan worden als een manifeste fout als bedoeld in het bovengenoemde werkdocument."

Ter zitting heeft verweerder nog eens beklemtoond dat het juist invullen van het aanvraagformulier een verantwoordelijkheid van de aanvrager is. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat het verschil tussen Algemene Regeling (met braak) en vereenvoudigde Regeling (zonder braak) duidelijk in de brochure is aangegeven. Daarbij is vermeld, dat indien de productie minder dan of gelijk is aan 92 ton de producent naar keuze aan één van beide regelingen kan deelnemen, waarbij erop gewezen wordt dat bij toepassing van de vereenvoudigde regeling de producent geen subsidie kan aanvragen voor braak gelegde percelen. Gelet daarop kan verweerder in het onderhavige geval geen duidelijke fout aanwezig achten.

Van de zijde van verweerder is tenslotte verklaard, dat het in gebruik nemen van een ander formulier in het jaar 2000 samenhangt met een wijziging in de Europese regelgeving en niets te maken heeft met de in dit geval aan de orde zijnde problemen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

" Zoals ik al schreef heb ik een brief ontvangen van LASER(...)In deze brief staat dat "uw aanvraag met ontvangstdatum 6 mei 1999 is goedgekeurd"erg tegenstrijdig is het dan ook om vervolgens te lezen dat de aanvraag voor akkerbouwsubsidie maar gedeeltelijk is toegewezen. Uit diezelfde brief is vervolgens niet op te maken waarom het volledige subsidiebedrag van ca fl 8.500,- niet volledig wordt uitgekeerd maar een deel te weten fl 4364,46. Na telefonische navraag en een bezoek aan het kantoor van LASER op 10 december bleek dat de kantoormedewerkers ook zelf niet wisten wat de reden van deze forse inhouding van subsidie geld kon zijn. Immers aan alle voorwaarden was voldaan om voor subsidie in aanmerking te komen, te weten totaal productie van granen beneden de 92 ton hierdoor niet braakplichtig waardoor dus ook voor gehele oppervlakte subsidie toegekend zou moeten worden. Het feit dat een perceel van ca. 0.50 ha vrijwillig braak gelegd is speelt geen rol. Blijkbaar is de regelgeving zo complex dat de medewerkers van LASER er ook niet mee uit de voeten kunnen.

Uiteindelijk heb ik 13 december 1999 telefonisch bericht gekregen dat het feit dat een verkeerd formulier gebruikt is de reden is dat LASER het volledige subsidiebedrag niet wil toekennen. Op mijn verzoek dit schriftelijk te bevestigen werd ronduit geweigerd.

Blijkbaar is door ons een subsidieformulier ingevuld voor de algemene regeling maar omdat de graanproductie beneden de 92 ton was had dit een formulier moeten zijn voor de vereenvoudigde regeling. Dit fomulier is notabene zelf door LASER aan ons toegezonden met verzoek om in te vullen!!!!

Met deze korting ben ik het uiteraard niet eens en heb hier een aantal argumenten voor:

•Laser heeft zelf een formulier gestuurd voor aanvraag akkerbouwsubsidie voor de algemene regeling (dus feitelijk mij op verkeerd been gezet waardoor dus geen aanvraag voor vereenvoudigde regeling is ingediend).

•Laser heeft mijn inziens ook een plicht om subsidie aanvragers in te lichten dat hun manier van aanvragen geen subsidie kan opleveren (als ik volgens bouwplan had kunnen werken, 0 ha braak, had ik blijkbaar helemaal geen subsidie gekregen)

(...)

•Financieel voordeel kan ook niet een reden zijn om de algemene regeling te verkiezen omdat de vergoedingen voor beide gelijk zijn.

•Aan de eisen is ook voldaan, graanproductie minder dan 92 ton waardoor geen verplichte braak maar naar keuze alleen vrijwillige braak. Waardoor we recht hebben op de volledige akkerbouwsubsidie.

•Heel opmerkelijk is de als bijlage door laser bijgevoegde brief 'wijzigingen aanvraag oppervlakten 2000'dat vanaf het jaar 2000 de verschillende formulieren algemene en vereenvoudigde regeling vervallen en hiervoor 1 formulier in de plaats komt.(precies de reden dat deze akkerbouwsubsidie aanvraag niet geheel wordt toegewezen) Blijkbaar vindt Laser zelf ook dat deze manier van akkerbouwsubsidie- aanvraag fouten oproept en erg verwarrend is en dus indirect de korting die ons bedrijf wordt opgelegd niet fair is.

•Alle door mij aangeleverde gegevens zijn correct ingediend en alleen het simpele feit dat niet het juiste formulier gebruikt is mag toch redelijkerwijs niet zo zwaar wegen voor zulke forse inhouding. Ik ben immers geen misdadiger die zwaar gestraft moet worden maar een akkerbouwer die met zijn gezin van de inkomsten uit de landbouw moet leven.

Resumerend ben ik van mening dat LASER de ingezonden subsidie aanvragen beter moet nakijken omdat geen mens subsidie gaat aanvragen als hij bij voorbaat al weet dat hij geen subsidie krijgt omdat hij een verkeerd formulier gebruikt. Geluk bij een ongeluk is dat door het natte voorjaar van 1999 toevallig een perceel van 0,50 ha vrijwillig braak gelegd anders had LASER helemaal geen akkerbouwsubsidie toegekend.

De sanctie van deze administratieve onvolkomenheid staat in geen enkele verhouding tot de grote financiële strop die ons gezinsbedrijf wordt aangedaan."

5. De beoordeling van het geschil

Het College overweegt allereerst dat in de bezwaarfase tussen partijen ook een geschil speelde over de door verweerder gecorrigeerde oppervlakte van perceel 9. Aangezien dit punt in beroep door appellante niet meer aan de orde gesteld is, heeft het College in de hierbovenstaande samenvatting van de standpunten van partijen de opvattingen over dit geschil niet weergegeven en zal het in het hiernavolgende daarop ook niet ingaan.

Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder, de regelen van de algemene regeling toepassend, de aan appellante toekomende subsidie op juiste wijze berekend heeft. Het geschil draait dus uitsluitend om de vraag of verweerder in dit geval aanleiding had moeten vinden de vereenvoudigde regeling toe te passen dan wel appellante in de gelegenheid had dienen te stellen haar aanvraag alsnog te wijzigen in een aanvraag op grond van de vereenvoudigde regeling.

Het College stelt daarbij voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat slechts aan het bezwaar van appellante tegemoet gekomen had kunnen worden indien door appellante bij de aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5 bis van verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen en zou het onrechtmatig zijn appellante aan haar oorspronkelijke aanvraag te houden.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een werkdocument van 18 januari 1999, VI/7103/98 Rev2-NL, enkele richtsnoeren inzake manifeste fouten in de zin van genoemd artikel 5 bis vastgesteld. Als manifeste fouten worden in dit werkdocument aangemerkt direct in het oog springende fouten en tegenstrijdigheden, die bij een aandachtiger onderzoek van de in de aanvraag verstrekte gegevens geconstateerd worden, alsmede eigenaardigheden, die betrekking hebben op aanduidingen of nummers van percelen of dieren. Benadrukt wordt dat het moet gaan om identificatiefouten. Fouten met betrekking tot de teelt gelden in beginsel niet als duidelijke fouten. Bij verwisseling van percelen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden, mits het niet gaat om een perceel, dat wordt gebruikt als braakgrond of met voedergewassen beteelde oppervlakte.

Het College overweegt dat genoemd werkdocument niet is aan te merken als een verordening, een richtlijn of een beschikking in de zin van artikel 249 EG en dat derhalve aan dit werkdocument niet de verbindende kracht toekomt die verweerder hieraan wenst te verbinden. Naar zijn inhoud betreft dit werkdocument bovendien niet een limitatief systeem van mogelijke gronden om wijziging van de aanvraag na de sluitingsdatum toe te staan.

Dit neemt niet weg dat verweerder de bevoegdheid om aan de hand van dit werkdocument en de daaraan voorafgaande, qua strekking vergelijkbare werkdocumenten, binnen de door Verordening (EEG) nr. 3887/92 getrokken grenzen een vaste beleidslijn te ontwikkelen, zeker niet ontzegd kan worden.

Verweerder heeft er terecht op gewezen, dat de "Aanvraag oppervlakten 1999 algemene regeling en voederareaal" van appellante geen tegenstrijdigheden bevat. Uit dien hoofde bestond er derhalve geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze aanvraag.

Het is het College bekend, dat verweerder wel reden vindt om te twijfelen aan de juistheid van de aanvraag in gevallen, waarin minder dan 12,95 hectare gewaspercelen op een aanvraag ingevolge de Algemene Regeling wordt ingevuld, terwijl geen braak wordt opgegeven. In zo'n geval kan namelijk in het geheel geen steun worden verleend.

Wordt wel braak opgegeven, dan gaat verweerder ervan uit dat de aanvrager daarvoor gekozen heeft en dat het niet aan verweerder is om te beoordelen of daarmee een verstandige keuze gemaakt is. Het College ziet geen aanleiding verweerders benadering in deze voor onjuist te houden.

In het licht van deze overwegingen biedt, hetgeen appellante heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel, dat verweerder de aanwezigheid van een klaarblijkelijke fout, als bedoeld in artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 had moeten erkennen en naar aanleiding van appellantes bezwaarschrift wijziging van de aanvraag had moeten toestaan.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van

mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2001.

w.g. W.E. Doolaard w.g. Th.J. van Gessel