ECLI:NL:CBB:2001:AB1506
public
2015-11-10T11:28:35
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB1506
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-05-04
AWB 01/331
Voorlopige voorziening
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1506
public
2013-04-04T16:27:05
2001-08-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB1506 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 04-05-2001 / AWB 01/331

-

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/331 4 mei 2001

11230

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1. Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, gevestigd te 's-Graveland,

2. Stichting Gelderse Milieufederatie, gevestigd te Arnhem,

3. Stichting het Geldersch Landschap, gevestigd te Arnhem,

4. Stichting Ark, gevestigd te Laag-Keppel,

5. Stichting Zeldzame Huisdierrassen, gevestigd te Groningen,

6. Stichting Unie van Provinciale Landschappen, gevestigd te De Bilt,

7. A, B en 542 anderen, als vermeld op aangehechte lijst,

verzoekers,

gemachtigden: mr A.H.J. van den Biesen en mr E.E. Meijer, beiden advocaat te Amsterdam,

tegen

de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigden: mr J.P. Heinrich, advocaat te 's-Gravenhage, en mr G. de Goede.

1. De procedure

Bij besluit van 4 april 2001 heeft verweerder A, onder verwijzing naar

artikel 24 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet), medegedeeld dat alle evenhoevigen op zijn bedrijf op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren (Besluit van 15 juli 1994, houdende regels betreffende verdachte dieren, Stb. 1994/731, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 augustus 1998, Stb. 1998/667, hierna: het Besluit) met ingang van die datum als verdacht van mond- en klauwzeer worden aangemerkt. Onder verwijzing naar artikel 21, derde lid, van de Wet heeft verweerder tevens medegedeeld dat hij spoedheidshalve onder meer de volgende maatregelen neemt:

" 1. Ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter voorkoming van verspreiding ervan is het noodzakelijk dat alle evenhoevigen op uw bedrijf, overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de GWWD worden gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer. (...)

2. Vervolgens is het noodzakelijk dat de geënte evenhoevige dieren, met uitzondering van de runderen, overeenkomstig artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de GWWD worden gedood. (...)"

Tegen deze besluiten hebben verzoekers sub 1 t/m 4 en 7 bij brief van 27 april 2001 en verzoeksters sub 5 en 6 bij brief van 1 mei 2001 een bezwaarschrift ingediend. Voorts hebben zij bij verzoekschrift van 27 april 2001 aan de president van het College verzocht het besluit van 4 april 2001 te schorsen totdat onherroepelijk op het door verzoekers ingediende bezwaarschrift is beslist, althans tot een door de president in goede justitie vast te stellen tijdstip, althans een zodanige maatregel te treffen dat daarmee aan de belangen van verzoekers volledig recht wordt gedaan.

Op 27 april 2001 heeft de president het besluit van 4 april 2001 telefonisch geschorst.

Vervolgens heeft de president het verzoek, gevoegd met het onder nr. AWB 01/333 geregistreerde verzoek, behandeld ter zitting van 2 mei 2001, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. Voor verzoekster sub 5 is tevens het woord gevoerd door C. Voorts is van de zijde van verzoekers

D, dierenarts, international animal health consultant, gehoord. Voor verweerder hebben tevens het woord gevoerd drs F.P. de Klerk, werkzaam bij de RVV, en mr G.B. Raaphorst, directeur van de Directie Natuurbeheer van het ministerie van LNV. Voorts zijn van de zijde van verweerder E en F, geneticus, respectievelijk viroloog bij ID-DLO Lelystad, gehoord.

2. De toepasselijke regelgeving

Artikel 13 van Richtlijn nr. 85/511/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer, zoals nadien enkele malen gewijzigd (PbEG L315, hierna: de Richtlijn), luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" Artikel 13

1. De Lid-Staten zien erop toe dat:

- het gebruik van mond- en klauwzeervaccins verboden wordt,

(...)

3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van mond- en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert, wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte zich op grote schaal dreigt te verspreiden. De in dat geval te nemen maatregelen hebben met name betrekking op:

- de omvang van het geografisch gebied waar de noodvaccinatie moet worden uitgevoerd,

- soort en leeftijd van de te vaccineren dieren,

- duur van de vaccinatiecampagne,

- een specifiek verbod op verplaatsing voor gevaccineerde dieren en de produkten daarvan,

- het specifieke merken en registreren van de gevaccineerde dieren,

- andere in verband met de noodsituatie vereiste maatregelen.

Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staat, volgens de procedure van artikel 16. Bij dit besluit wordt in het bijzonder rekening gehouden met de dichtheid van de veebezetting in sommige gebieden en de noodzaak speciale rassen te beschermen.

In afwijking van de eerste alinea mag het besluit om tot noodinenting rond de ziektehaard over te gaan evenwel worden genomen door de betrokken Lid-Staat na kennisgeving aan de Commissie, mits de wezenlijke belangen van de Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Dit besluit wordt onmiddellijk geëvalueerd in het kader van het Permanent Veterinair Comité volgens de procedure van artikel 16."

Bij Beschikking 2001/246/EG van de Commissie van 27 maart 2001 houdende vaststelling van voorschriften voor de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in Nederland (Pb. 2001, L 88, blz. 21), welke is gewijzigd bij Beschikking 2001/279/EG van de Commissie van 5 april 2001 (Pb. 2001, L 96, blz. 19, hierna: de Beschikking van

27 maart 2001) is op grond van artikel 13 van Richtlijn 85/511/EEG onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:

1. Preventieve doding: het doden van gevoelige dieren op bedrijven in een gebied met een bepaalde straal rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen van toepassing zijn.

Deze doding heeft ten doel het aantal dieren van gevoelige soorten in een besmet gebied snel te doen dalen.

2. Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten op geïdentificeerde bedrijven in een bepaald gebied, het vaccinatiegebied, die uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding als omschreven in punt 1.

Deze vaccinatie heeft ten doel de hoeveelheid circulerend virus en het risico van virusverspreiding buiten het omschreven gebied dringend te verminderen, zonder evenwel vertraging bij het preventief doden te veroorzaken.

Deze vaccinatie mag uitsluitend worden uitgevoerd wanneer het preventief doden van dieren van gevoelige soorten om een van de onderstaande redenen moet worden uitgesteld voor een periode die waarschijnlijk langer is dan de periode die nodig is om virusverspreiding effectief tegen te gaan door immunisatie:

- beperkingen inzake de capaciteit om dieren van gevoelige soorten te doden overeenkomstig Richtlijn 93/119/EEG,

- beperkingen inzake de beschikbare capaciteit om de gedode dieren te vernietigen overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede streepje van Richtlijn 85/511/EEG.

3. Beschermende vaccinatie: noodvaccinatie van runderen op geïdentificeerde bedrijven in het vaccinatiegebied, die uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met de preventieve doding van bepaalde categorieën andere dieren van gevoelige soorten, als omschreven in punt 1, en al dan niet in combinatie met suppressievaccinatie als omschreven in punt 2.

Deze vaccinatie heeft ten doel de hoeveelheid circulerend virus en het risico van virusverspreiding buiten het omschreven gebied snel te verminderen, en mag slechts plaatsvinden op voorwaarde dat de in het kader van de beschermende vaccinatie gevaccineerde dieren van gevoelige soorten niet preventief worden gedood.

Artikel 2

1. Onverminderd Richtlijn 85/511/EEG van de Raad, en met name de artikelen 4, 5 en 9, mogen de bevoegde autoriteiten van Nederland besluiten gebruik te maken van noodvaccinatie onder de in de bijlagen vastgestelde voorwaarden.

BIJLAGE II - Voorwaarden voor de toepassing van beschermende vaccinatie bij de bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van artikel 13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG

(...)

6.6 Intrekking van de beperkende maatregelen

Volgens de procedure van artikel 16 en onverminderd artikel 9 van Richtlijn 85/511/EEG, ten vroegste:

- 12 maanden na de voltooiing van de in punt 3 bedoelde maatregelen of, als dat later is, ten vroegste 12 maanden na de laatste uitbraak in het vaccinatiegebied, of

- 3 maanden nadat het laatste gevaccineerde dier is geslacht."

Bij Beschikking 2001/303/EG van de Commissie van 11 april 2001 houdende vaststelling van voorschriften voor de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer bij bedreigde diersoorten op grond van artikel 13 van Richtlijn 85/511/EEG (Pb. 2001, L 104, blz 3, hierna: de Beschikking van 11 april 2001) is onder meer het volgende bepaald:

" Overwegende hetgeen volgt:

(...)

(5)Het doden van voor mond- en klauwzeer gevoelige bedreigde diersoorten betekent een ongewenst verlies van genetisch materiaal en kan zelfs resulteren in de uitroeiing van een soort; een zo waardevol deel van het werelderfgoed moet zo goed mogelijk worden beschermd.

(...)

(7)Overeenkomstig artikel 13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG moet, wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van oordeel zijn dat de ziekte een risico kan vormen voor bedreigde diersoorten of voor andere dieren, bijvoorbeeld dieren van uiterst zeldzame rassen of dieren die worden gebruikt bij belangrijk onderzoek waarvoor geen alternatief bestaat - geval per geval te beoordelen -, worden bepaald dat de technische voorschriften voor noodvaccinatie worden vastgelegd in het kader van een programma dat de lidstaat aan de Commissie kan voorleggen als aanvullend instrument ter bescherming van de betrokken ziektegevoelige dieren.

(...)

(10)Toepassing van vaccinatie, ook al wordt die alleen toegepast bij bepaalde categorieën dieren die onbelangrijk zijn voor het handelsverkeer, kan de status ten aanzien van mond- en klauwzeer in het internationale handelsverkeer toch in het gedrang brengen, niet alleen voor de lidstaat of het deel van het grondgebied van de lidstaat waar de vaccinatie wordt uitgevoerd.

(...)

(12)De onderhavige voorschriften en de risico's die verband houden met het handelsverkeer van gevaccineerde dierentuindieren, moeten opnieuw worden bekeken in het Wetenschappelijk Comité en door het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten (OIE).

(...)

Artikel 1

Voor de toepassing van deze beschikking gelden de volgende definities: Bedreigde diersoorten zijn alle dieren die zijn opgenomen in de categorieën: uitgestorven in het wild, ernstig bedreigd, bedreigd en kwetsbaar, in de huidige versie van de ,,IUCN Red List of Threatened Species" (Rode Lijst van Bedreigde diersoorten van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen).

Artikel 2

1. De lidstaten zien erop toe dat dierentuinen, of andere duidelijk omschreven erkende of geregistreerde inrichtingen waar bedreigde diersoorten worden gehouden ten aanzien waarvan besmettingsgevaar bestaat in verband met uitbraken van mond- en klauwzeer, goede veehouderijpraktijken toepassen en de nodige voorzorgsmaatregelen nemen om insleep van mond- en klauwzeervirus te vermijden. (...)

2. Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 85/511/EEG van de Raad, en met name de artikelen 4, 5 en 9, kunnen de lidstaten besluiten gebruik te maken van noodvaccinatie van voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren die deel uitmaken van een collectie van een bedreigde diersoort in dierentuinen en die ernstig gevaar lopen in verband met een uitbraak van mond- en klauwzeer binnen een afstand van 25 km, onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden.

De betrokken lidstaat kan, geval per geval, besluiten om, onder de hierboven bedoelde voorwaarden, ook andere dieren te vaccineren, bijvoorbeeld dieren van uiterst zeldzame rassen of dieren die worden gebruikt bij belangrijk onderzoek waarvoor geen alternatief bestaat, voor zover die dieren geacht worden hetzelfde risico te lopen als dieren van een bedreigde soort.

3. Vóórdat met de in lid 2 bedoelde maatregelen wordt begonnen, legt de lidstaat een programma voor om de andere lidstaten en de Commissie officieel in kennis te stellen van de details, (...).

(...)

Bijlage - Voorwaarden voor de toepassing van noodvaccinatie bij de bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van artikel 13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG

1. Omvang van het geografische gebied waar vaccinatie wordt toegepast

Vaccinatie is alleen toegestaan wanneer een uitbraak van mond- en klauwzeer is bevestigd binnen een afstand van 25 km van een collectie dieren van een bedreigde soort in een dierentuin.

Een plattegrond van het hele terrein moet worden ingediend met vermelding van alle gegevens inzake de afgesloten ruimten en de hokken waar de te vaccineren dieren verblijven, details over de grenzen van het terrein en de aard van de omheining, of andere controlemaatregelen. Voorts moet ook een gedetailleerd plan van de geografische ligging van de dierentuin worden overgelegd en een overzicht van alle veehouderijbedrijven binnen een straal van 3 km."

Bij de Wet is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 17

1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter voorkoming van overbrenging van besmetting.

2. Indien de besmettelijke dierziekte is aangewezen in overeenstemming met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur geeft Onze Minister de in het eerste lid bedoelde bevelen in overeenstemming met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

Artikel 21

1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester, zo nodig na overleg met het hoofd van de voor de provincie waar het geval zich heeft voorgedaan, door de stichting genoemd in artikel 82 aangewezen of ingestelde gezondheidsdienst voor dieren, zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.

2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.

3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze

maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.

Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(...)

f. het doden van zieke en verdachte dieren;

(...)

j. het behandelen van dieren op een door Onze Minister aangegeven wijze.

2. (...)

Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

Artikel 109

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Artikel 111

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken van bepalingen van deze wet."

3. Feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Bij uitspraak van 31 maart 2001, nr. 01/227, heeft de president het namens onder meer verzoekers sub 1, 3, 5 en 7 ingediende verzoek een voorlopige voorziening te treffen ter zake van verweerders weigering ontheffing te verlenen van de maatregel een honderdtal Schoonebeeker Heideschapen (alsmede veertig lammeren) te vaccineren tegen mond- en klauwzeer in afwachting van het doden en van de maatregel deze dieren te doden, afgewezen.

- Op 4 april 2001 heeft verweerder het besluit genomen ten aanzien waarvan thans het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan. Dit besluit, waarbij verweerder als reden van verdenking van mond- en klauwzeer heeft vermeld dat in het gebied van het bedrijf van A verschillende gevallen van mond- en klauwzeer zijn vastgesteld, heeft betrekking op een kudde Schoonebeeker Heideschapen.

- Deze kudde, die uit drie delen bestaat, bevindt zich in het op 3 april 2001 aangewezen gebied, gelegen tussen de steden Apeldoorn, Deventer en Zwolle, waarbinnen noodvaccinaties mogen worden uitgevoerd.

- Het ras van de Schoonebeeker Heideschapen is aangemerkt als zeldzaam huisdierras.

- In de hiervoor genoemde uitspraak van 31 maart 2001 is onder het kopje "feiten en omstandigheden" aangegeven dat uit informatie van oktober 2000, gegeven door de Stamboekverenigingen aan de Foktechnisch Inspecteur Zeldzame Huisdierrassen, blijkt dat er in Nederland in totaal 1.318 Schoonebeeker Heideschapen zijn, waarvan 1.296 ooien en 22 rammen. Deze informatie komt overeen met de in het kader van het onderhavige verzoek overgelegde gegevens van Staatsbosbeheer. Uit die gegevens blijkt voorts dat er in Nederland 5 kuddes Schoonebeeker Heideschapen zijn.

- Op 5 april 2001 is de kudde Schoonebeeker Heideschapen gevaccineerd.

4. De gronden van het verzoek

Verzoekers hebben - samengevat - het volgende aangevoerd.

1. Aangezien het vermeende veterinaire risico van het in leven laten van de onderhavige schapen niet bestaat en al helemaal niet door verweerder is aangetoond, ontbreekt de noodzaak voor het doden van deze dieren. Deze schapen zijn inmiddels gevaccineerd en vormen geen risico (meer) voor het dragen en/of overdragen van het mond- en klauwzeervirus op andere evenhoevigen. Voor alle schapen geldt dat de uitgevoerde bloedtesten geen sporen van besmetting hebben aangetoond. Bovendien zijn de dieren al ruimschoots voor die tijd en daarna niet meer van plaats gewisseld, waarmee de kans dat zij het virus alsnog zouden hebben opgelopen na het bloed prikken absoluut nul is. Door deskundigen, onder wie de door verzoekers voorgebrachte deskundige, D, wordt ontkend dat gevaccineerde schapen het mond- en klauwzeervirus kunnen overdragen. D voornoemd heeft in dit verband ter zitting onder meer het volgende verklaard:

" (...)

De gevaccineerde schapen moeten dus direct met een clinisch MKZ geval in contact geweest zijn om virus dragers te veroorzaken. Indien dit contact plaats vond vóór de vaccinatie of een paar dagen na de vaccinatie, dan hebben de gevaccineerde dieren niet genoeg antistoffen en krijgen zij clinische MKZ. Dus, om MKZ dragers in de gevaccineerde schapen te krijgen moet het intieme contact van ge-ente dieren met MKZ zieke dieren gebeuren tenminste 3 dagen na de vaccinatie.

In mijn opinie zijn de tegen MKZ ge-ente schapen die in het besmette gebied zijn, maar niet in direct contact zijn geweest met MKZ gevallen, niet zonder meer als verdacht van MKZ te beschouwen.

Wat is wetenschappelijk verantwoord?

Uit het bovenstaande blijkt dat de kans dat er onder de gevaccineerde schapen MKZ virus dragers zijn zeer gering is. Het doden van deze gevaccineerde schapen zonder verder onderzoek is in mijn opinie wetenschappelijk dan ook niet verantwoord. Het is aan te bevelen om de betreffende schapen in quarantaine te houden en in eerste instantie een serologisch en virologisch onderzoek in te stellen, met het doel te bepalen of er onder de betreffende schapen eventueel MKZ virus dragers aanwezig zijn."

Volgens D is het wel degelijk mogelijk om gevaccineerde dieren te testen op het mond- en klauwzeervirus. Hij heeft daarbij gewezen op testen die in het Pan-Amerikaanse mkz-instituut zijn ontwikkeld en die ook op grote schaal zijn gebruikt om aan te tonen dat in bepaalde delen van Brazilië geen virusactiviteit meer plaatsvond.

Ter zake van de aanbeveling van D om de schapen in kwestie in quarantaine te houden, hebben verzoekers erop gewezen dat zij verweerder een aanzet voor een plan tot isolatie van deze dieren hebben aangeboden.

Daarnaast achten verzoekers het, gelet op de tegenovergestelde standpunten die door partijen te dezen worden ingenomen, nuttig en wellicht ook nodig dat de president met toepassing van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een deskundige inschakelt. De belangen die in deze zaak in het geding zijn en in het bijzonder de absolute onomkeerbaarheid van het dreigende ten uitvoer leggen van het bestreden besluit tot doding van de schapen, rechtvaardigen een dergelijke tussenbeslissing zonder enige twijfel, aldus verzoekers.

Bovendien, aldus verzoekers, blijkt uit informatie van verweerder dat het zeker nog tot

1 juni a.s. zal duren voordat het "ruimingsprogramma" in het gebied tussen de steden Apeldoorn, Deventer en Zwolle voltooid is. Verzoekers zijn geen dwingende redenen bekend om de kudde Schoonebeekers waar het om gaat nu te ruimen en om deze kudde niet een lagere prioriteit in de relevante werkschema's te geven.

2. Op grond van artikel 13, derde lid, van de Richtlijn, in samenhang bezien met de Beschikking van 11 april 2001, is een speciale afweging vereist wanneer de noodzaak om speciale rassen te beschermen in het geding is. Volgens verzoekers is deze noodzaak in het onderhavige geval aanwezig, omdat de Schoonebeeker Heideschapen een zeldzaam, slechts in Nederland voorkomend schapenras vormen, dat met uitsterven wordt bedreigd. Dit blijkt onder meer uit het feit dat dit ras is opgenomen in de FAO-lijst voor zeldzame landbouwhuisdieren en dat de minister van LNV het houden van kuddes van bedoeld schapenras subsidieert. Volgens verzoekers is het noodzakelijk dat de kudde Schoonebeeker Heideschapen waarop het bestreden besluit betrekking heeft blijft voortbestaan, ook omdat de soort in aantal zo klein is, dat het gevaar van inteelt voortdurend op de loer ligt. Daarom wordt geprobeerd door middel van uitwisselingsprogramma's tussen de kuddes de genetische variëteit zo groot mogelijk te houden, waarbij geldt dat hoe meer kuddes op verschillende locaties er zijn, hoe meer genetische variëteit er is. Volgens verzoekers is het doden van een hele kudde Schoonebeekers op een totaal van slechts 5 kuddes, bezien vanuit de toch al schrale genetische variëteit, dan ook volstrekt in strijd met de voor dit soort rassen voorgeschreven bescherming die volgt uit de FAO-normen en ook uit de normen die het door het ministerie van LNV worden gehanteerd. In dit kader hebben verzoekers uiteengezet dat berekening van de zogenoemde effectieve populatiegrootte, respectievelijk van de inteelttoename per generatie van het hier aan de orde zijnde schapenras waarden opleveren die te laag, respectievelijk te hoog zijn. Hierbij moet tevens in aanmerking worden genomen dat zich onder de totale Nederlandse populatie van Schoonebeeker Heideschapen slechts 22 mannelijke dieren bevinden, waarvan 10 stamboekwaardige A-rammen. Al met al concluderen verzoekers dat door het doden van deze kudde Schoonebeeker Heideschapen een onaanvaardbare inbreuk wordt gemaakt op een populatie die toch al klein in aantal is, dat de genetische variëteit, die mede wordt bepaald door een zekere variatie in locatie waar dieren leven, substantieel wordt uitgehold en dat de effectieve populatie van het schapenras zeer aanzienlijke en deels onomkeerbare schade wordt toegebracht.

3. Het OIE (Office International des Epizooties), welke organisatie een lijst van mkz-vrije staten bijhoudt en publiceert, zal tijdens haar jaarlijkse vergadering op 27 mei 2001 beslissen over een tijdens de wetenschappelijke conferentie van 17 en 18 april 2001 geformuleerd voorstel om een belangrijke uitzondering op de mkz-vrije status te creëren. Deze uitzondering heeft betrekking op noodvaccinaties van zeldzame of anderszins waardevolle dieren en houdt in, aldus het voorstel, dat het uitvoeren van noodvaccinaties in die gevallen niet leidt tot het verlies van de mkz-vrije status. Volgens verzoekers valt niet in te zien waarom niet zou kunnen worden gewacht met het ruimen van de Schoonebeekers totdat de uitkomsten van het overleg van het OIE bekend zijn. Verzoekers hebben hierbij aangetekend dat zij verwachten dat het resultaat van dat overleg zal zijn dat het aanwezig zijn van gevaccineerde dieren, die om bijzondere redenen bijzondere bescherming verdienen, niet zal leiden tot het onthouden van de mkz-vrije status aan het land waarin die preventief gevaccineerde dieren zich bevinden.

4. Aangezien het ras van de Schoonebeeker Heideschapen door de FAO is gekwalificeerd als zeldzaam ras vallen deze schapen, gelet op artikel 2, tweede lid, tweede volzin, van de Beschikking van 11 april 2001, onder de bepalingen van deze beschikking. Volgens verzoeker dient verweerder dan ook in het kader van de heroverweging van het besluit van 4 april 2001, waarbij het gaat om een toetsing ex nunc, volledig toepassing te geven aan letter en geest van de Beschikking. Verzoekers hebben er in dit verband op gewezen dat vast staat dat verweerder met het in leven laten van de schapen kan voldoen aan het bepaalde in de Beschikking van 11 april 2001 en dat daarmee tevens vast staat dat verweerder gehouden is om het in het derde lid van artikel 2 van de Beschikking bedoelde programma te ontwikkelen en daarnaar te handelen. Hieraan doet volgens verzoekers niet af dat de schapen al zijn gevaccineerd.

5. Het standpunt van verweerder

Ter zitting is van de zijde van verweerder - samengevat - het volgende naar voren gebracht.

1. Het standpunt van verweerder inzake de veterinaire aspecten van de zaak is in verweerders pleitnotitie als volgt verwoord:

" Ook als Richtlijn 85/511/EEG en de Dierentuinbeschikking [de Beschikking van 11 april 2001] het aan verweerder zouden toestaan om de kudden in leven te laten, dan nog zou verweerder het besluit tot doding uit veterinair oogpunt handhaven. Met het in leven blijven van de onderhavige schapen blijft een relevant risico bestaan dat één of meer van deze schapen drager is geworden van het MKZ-virus en een nieuwe uitbraak zou kunnen veroorzaken. Het betoog van verzoekers dat de schapen, nu zij gevaccineerd zijn geen besmettingsgevaar meer vormen, miskent dat een virus kan circuleren onder een groep gevaccineerde dieren. Daardoor ontstaan zogenaamde carrierdieren. Deze dieren kunnen de oorzaak van nieuwe infecties zijn, waarbij van belang is dat het virus zich lange tijd (maanden) bij een carrierdier kan bevinden.

De OIE maakt om deze reden een onderscheid tussen landen die MKZ-vrij zijn, maar waar niet wordt gevaccineerd en MKZ-vrije landen waar wel wordt gevaccineerd. Eerstgenoemde landen hebben daarom een hogere status.

De betreffende dieren krijgen nakomelingen. Deze genieten enige tijd bescherming via de moedermelk. Die bescherming verdwijnt, waarna de dieren vatbaar worden voor het virus. Dat kan dan van een carrierdier uit de omgeving overgaan en daarmee dreigt een nieuwe uitbraak. Dat doet zich na ongeveer een half jaar voor; omdat vervoer van de gevaccineerde dieren in ieder geval gedurende twaalf maanden is verboden, is er een ruime periode waarin besmetting kan ontstaan.

Wat betreft veterinaire risico zijn Schoonebeeker Heideschapen en Veluwse Heideschapen volstrekt vergelijkbaar met andere schapen. Schapen onderscheiden zich qua veterinair risico zelfs ten nadele van andere evenhoevigen. Door het (mogelijk) sub-klinisch verloop van de ziekte zijn MKZ-infecties bij schapen moeilijk vast te stellen. De epidemiologische en veterinaire risico's van het in leven laten van gevaccineerde schapen worden daarbij nog vergroot door het ontbreken van een betrouwbaar Identificatie en Registratiesysteem. De onderhavige maatregelen dienen er ook toe om zoveel mogelijk veilig te stellen dat de overige in Nederland aanwezige Schoonebeeker Heideschapen en Veluwse Heideschapen behouden kunnen blijven. Indien zou worden afgezien van ruiming van de onderhavige schapen, zou juist het risico dat ook de overige schapen van dezelfde soort uiteindelijk de MKZ niet zullen overleven worden vergroot. Het is juist ook in het belang van de instandhouding van de rassen dat de verdachte schapen thans worden geruimd.

De problematiek van de carrierdieren en de daaraan verbonden veterinaire risico's is al meermalen aan de orde geweest in eerdere voorlopige voorziening procedures bij het CBB. In die gevallen heeft de President - marginaal toetsend - steeds geoordeeld dat verweerders (veterinaire) beleid niet onredelijk is. Hetgeen in de andere procedures werd aangevoerd over de risico's van het in leven laten van gevaccineerde runderen, geldt onverkort - en wellicht zelfs nog te meer - voor de risico's verbonden aan het in leven laten van de onderhavige schaapskudden."

Ter aanvulling hierop en in reactie op de stellingname van D, dat gevaccineerde dieren op mkz-infectie kunnen worden getest, heeft de door verweerder voorgebrachte deskundige, F, verklaard dat dergelijke testen thans in ontwikkeling zijn, maar dat deze nog onvoldoende zijn gevalideerd om toegepast te kunnen worden. Met die testen kan nog niet worden vastgesteld of een dier echt alleen gevaccineerd is en niet besmet dan wel toch een besmetting heeft doorgemaakt. Bovendien, aldus F, zijn die testen alleen geschikt voor gebruik in runderen en is de werkzaamheid voor gebruik in schapen nog in het geheel niet vastgesteld. Voor schapen bieden de testen derhalve in het geheel geen oplossing. In samenhang hiermee heeft F erop gewezen dat bij schapen vaak niet te zien is dat ze besmet zijn geraakt en dat het dus onwaarschijnlijk is dat geïnfecteerde schapen worden opgemerkt.

Het aanbod van verzoekers om de onderhavige schapen te isoleren heeft verweerder verworpen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat deze schapen zich er niet toe lenen om gedurende langere tijd opgehokt te staan en dat de schapen evenmin op de heide kunnen worden afgezonderd door ze in een beperkt omheind gebied onder te brengen, aangezien niet kan worden tegengegaan dat zij in aanraking komen met bezoekers van de natuurgebieden. Bovendien moet volgens verweerder in aanmerking worden genomen dat dit soort schaapskuddes wordt ingezet in het kader van het terreinbeheer. Het isoleren in het veld van de onderhavige kudde Schoonebeeker Heideschapen zou dan tot gevolg hebben dat het terreinbeheer buiten dat gebied vanwege het aanwezige besmettingsgevaar niet door andere schaapskuddes zou kunnen plaatsvinden.

2. De Schoonebeeker Heideschapen worden niet zodanig in hun voortbestaan bedreigd dat verweerder zou moeten afzien van het doden van de onderhavige kudde. In dit verband heeft verweerder in de eerste plaats opgemerkt dat, hoewel hij niet ontkent dat het hier om een zeldzaam schapenras gaat, de zeldzaamheid van de Schoonebeeker Heideschapen wel moet worden genuanceerd. In de tweede plaats heeft verweerder erop gewezen dat het gaat om een beperkt aantal te doden dieren op de totale populatie Schoonebeeker Heideschapen in Nederland en dat het doden van de onderhavige schapen het voortbestaan van het aan de orde zijnde schapenras niet in gevaar brengt. Hierbij heeft verweerder aangetekend dat het doden van de onderhavige dieren weliswaar tot gevolg zal hebben dat het fokprogramma, waarbij de exterieure kenmerken van het ras worden geselecteerd, een forse terugslag krijgt, maar dat daarmee niet het voortbestaan van de soort wordt bedreigd.

De door verweerder voorgebrachte deskundige, E, heeft hieraan nog toegevoegd dat het selecteren van ramlammeren van uitzonderlijke genetische kwaliteit, de zogenoemde A-type ramlammeren, bij een bedreigd ras eigenlijk meer een gevaar oplevert dan een voordeel. E heeft in dit verband naar voren gebracht dat dieren die uitblinken vanwege een genetisch bepaald kenmerk, vaak voorkomen in dezelfde families en dat indien op die genetisch bepaalde kenmerken wordt geselecteerd de kans groot is dat dieren uit dezelfde families worden geselecteerd, waardoor er juist een verhoogde kans op inteelt bestaat. Voorts heeft E erop gewezen dat, zo de onderhavige kudde Schoonebeekers al genetisch uniek is, deze genetische uniekheid snel zal verdwijnen als gevolg van de uitwisselingsprogramma's tussen de diverse kuddes, waarbij ooien van de ene kudde met rammen van de andere kudde paren. Volgens E gaat het dan ook niet om verschillende, in afzonderlijke kuddes ondergebrachte populaties Schoonebeeker Heideschapen, maar om één landelijke populatie en is het aantal kuddes derhalve niet relevant.

Ter zake van de zeldzaamheid van de schapen heeft verweerder er voorts op gewezen dat de president in zijn uitspraak van 31 maart 2001 al heeft overwogen dat ruiming van ongeveer 100 ooien met 40 lammeren niet een zodanige bedreiging met uitsterving tot gevolg heeft dat een voorlopige voorziening aangewezen is. Volgens verweerder hebben zich sinds die datum geen feiten en omstandigheden voorgedaan die thans tot een andere uitkomst zouden moeten leiden.

3. Tijdens de komende vergadering van de OIE zal geen concrete besluitvorming plaatsvinden over de aanpassing van de OIE-code betreffende het behoud van de mkz-vrije status bij preventieve vaccinatie. Verweerder heeft erop gewezen dat bij die gelegenheid slechts een voorstel tot wijziging van die OIE-code in procedure wordt gebracht en dat, na verschillende overlegrondes, een daartoe strekkend (aangepast) voorstel pas tijdens de komende jaarvergadering in september 2001 in stemming zal worden gebracht.

4. De Beschikking van 11 april 2001 is niet op de onderhavige schapen van toepassing. In het bijzonder bestaat er volgens verweerder geen aanleiding om deze schapen onder het regime van artikel 2, tweede lid, tweede volzin, van deze beschikking te brengen, aangezien het voortbestaan van het ras van de Schoonebeeker Heideschapen niet in het geding is. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat ingevolge deze bepaling de in de bijlage bij de Beschikking opgenomen voorwaarden ook van toepassing zijn op andere gevallen waarin noodvaccinatie is toegepast en dat ingevolge de eerste voorwaarde vereist is dat de gevaccineerde dieren in afgesloten ruimten en hokken worden gehouden, waaraan in het onderhavige geval niet kan worden voldaan.

Voorts heeft verweerder op dit punt naar voren gebracht dat in het onderhavige geval al tot suppressievaccinatie was besloten en dat de betrokken dieren inmiddels zijn gevaccineerd, hetgeen meebrengt, gelet op de Beschikking van 27 maart 2001, dat Nederland verplicht is deze dieren ook te doden. De Beschikking van 11 april 2001 doet hier volgens verweerder niet aan af, omdat deze beschikking pas na het primaire besluit tot stand is gekomen en geen terugwerkende kracht heeft. Bovendien ziet de Beschikking van 11 april 2001 niet op suppressief gevaccineerde dieren, aldus verweerder.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ingevolge het bepaalde bij artikel 8: 81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid van de Wet bestuursrechtspraak bedrijforganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6.2 Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend door een aantal natuur en milieubeschermingsorganisaties en door een aantal zich mede-eigenaar van de Schoonerbeekers noemende natuurlijke personen. De president koestert voorshands - zoals hij ook reeds deed in zijn uitspraak van 31 maart 2001 - met betrekking tot enige organisaties twijfel over de vraag of deze, gezien hun doelstelling, rechtstreeks in hun belang zijn getroffen door het bestreden besluit. Zodanige twijfel is er ook met betrekking tot de kopers van een deel van de kudde Schoonebeekers, ten aanzien van wie de vraag rijst of deze, gelet op de inhoud van de koopcontracten, niet veeleer als donateurs ten behoeve van de instandhouding van de kudde moeten worden gezien. Hoe dit zij, buiten twijfel is, dat de belangen van A en B, die daadwerkelijk eigenaar zijn van de kudde, rechtstreeks bij het door hen bestreden besluit zijn betrokken. Voorts gaat de president er voorshands van uit dat het verzoek van de Stichting Zeldzame Landbouwhuisdieren ontvankelijk is.

Aldus zijn er voldoende ontvankelijke verzoeken om voorlopige voorziening om de zaak ten gronde te behandelen.

Met betrekking tot de hoofdzaak wordt het volgende overwogen.

6.3 Met betrekking tot het betoog van verzoekers dat, anders dan ten tijde van de bestreden aanzeggingen, thans geen noodzaak meer bestaat voor het doden van de schapen omdat zij inmiddels zijn gevaccineerd en zij geen risico vormen voor het dragen en/of overdragen van het mond- en klauwzeervirus op andere evenhoevigen, overweegt de president het volgende.

Gelet op het bepaalde bij artikel 7:11 Awb dient verweerder in het kader van de bezwaarprocedure het bestreden besluit te heroverwegen en herroept hij het besluit als de heroverweging daartoe aanleiding geeft. Feiten en omstandigheden van na het besluit in primo, zoals het feit dat de betrokken dieren inmiddels zijn gevaccineerd, spelen derhalve, gelet op het bepaalde bij artikel 8:81 Awb, bij de beoordeling van het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening een rol, voorzover zij ertoe kunnen leiden dat in bezwaar het bestreden besluit zal worden herroepen.

Verweerder ziet, blijkens zijn reactie ter zitting op hetgeen verzoekers in hun bezwaarschrift en ter zitting hebben aangevoerd, thans geen aanleiding om onder meer in de omstandigheid dat de dieren inmiddels zijn gevaccineerd, terug te komen op zijn besluit tot het doden van de dieren. Hoewel niet zonder meer valt uit te sluiten dat in de bezwaarfase verweerder op basis van nadere argumentatie van verzoekers anders beslist, ziet de president in hetgeen verzoekers thans hebben aangevoerd geen termen om tot schorsing van het besluit in primo - ook niet in afwachting van de nog te nemen beslissing op bezwaar - over te gaan.

Daartoe wordt als volgt overwogen.

6.3.1 Allereerst zij benadrukt dat de taken en bevoegdheden van de bestuursrechter, oordelend op een verzoek om een voorlopige voorziening, beperkt zijn. Bij zijn toetsing van het bestreden besluit gaat het niet primair om de vraag of verweerder wellicht een andere beslissing zou kunnen nemen, maar vooral of bij de uitoefening van bevoegdheden verweerder is gebleven binnen de daarvoor bestemde wettelijk kaders en of zijn beslissing een juiste feitelijke grondslag heeft.

De ingrijpende gevolgen van de mond- en klauwzeeruitbraak plaatsen verweerder voor vergaande beleidsbeslissingen bij zijn bestrijding daarvan. Het is mogelijk dat van de door verweerder gemaakte beleidskeuzen, omdat het nu eenmaal keuzen zijn, gezegd kan worden dat zij ook anders hadden kunnen uitvallen. Waar het bij de toetsing van verweerders beleid door de president echter in dit geding om gaat is de vraag of de gemaakte keuzen naar voorlopig oordeel - rechtens - anders hadden moeten uitvallen.

Voor dat laatste oordeel is slechts plaats als gezegd moet worden dat die keuze kennelijk onredelijk is.

Daarbij dient bovendien in aanmerking te worden genomen dat verweerder over dit onderwerp zich regelmatig verstaat met de Tweede Kamer, over de door hem gemaakte keuzen overleg voert en over de hoofdlijnen van zijn beleid politiek verantwoording aflegt. Het is primair de taak van de volksvertegenwoordiging om verweerders algemene beleid te toetsen. Daar, waar die toetsing van verweerders beleid in de politieke gremia thuishoort en heeft plaatsgevonden, past de bestuursrechter in kort geding terughoudendheid bij zijn beoordeling daarvan.

6.3.2 Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene dient allereerst de noodzaak (bedoeld in artikel 21 van de Wet) tot het doden van de dieren (als maatregel tot de bestrijding van de ziekte) te worden beoordeeld in het licht van de door verzoekers aangevoerde argumenten. De president stelt daarbij voorop dat het inschatten van hier aan de orde zijnde veterinaire risico's tot de bevoegdheid van verweerder behoort. Het is niet aan het College, laat staan aan de president in een voorlopige voorziening procedure om een zodanige inschatting in zich zelf na te wegen.

Voor de president komt het treffen van een voorlopige voorziening in dit opzicht pas binnen handbereik wanneer het hiervoor weergegeven exposé van verweerder over de veterinaire aspecten zo evident en overtuigend door de verzoekende partij op losse schroeven wordt gezet, dat dit exposé niet langer als basis voor het door verweerder ingezette en gehandhaafde beleid kan dienen.

Geplaatst tegen deze achtergrond neemt de president het volgende in aanmerking.

Van de zijde van verweerder is ter zitting een uiteenzetting gegeven over de gevaren van besmetting, die gevaccineerde dieren van verzoekers kunnen opleveren na verloop van enige maanden. Die uiteenzetting is hiervoor onder rubriek 5 weergegeven.

Het gewicht daarvan is door verzoekers gerelativeerd. Daartoe heeft de gemachtigde van verzoekers erop gewezen dat voor alle dieren geldt dat de voorafgaand aan de vaccinatie uitgevoerde bloedtesten geen sporen van mond- en klauwzeerbesmetting hebben aangetoond. Voorts heeft de deskundige van verzoekers, dr Sutmoller, erop gewezen dat gevaccineerde schapen alleen kunnen worden besmet indien zij binnen drie dagen na vaccinatie intiem contact met besmette dieren hebben gehad, dat de gevaccineerde dieren die zich in het besmette gebied bevinden, maar niet in contact zijn gekomen met besmette dieren, niet zonder meer als verdacht van mond- en klauwzeer kunnen worden beschouwd en dat, gelet hierop, de kans dat er onder de gevaccineerde schapen mond- en klauwzeerdragers zijn zeer gering moet worden geacht.

De bestrijding van de zijde van verzoekers van de juistheid van verweerders uiteenzetting over de veterinaire aspecten heeft de president evenwel voorshands onvoldoende grondslag geboden om tot het oordeel te komen dat verweerder niet aan zijn beleid mocht vasthouden. De verklaring van D, gelegd naast die van F, heeft de president niet tot de overtuiging gebracht dat na vaccinatie ieder risico van verspreiding van het virus is uitgesloten. Voor het aanwijzen van weer andere deskundigen dan door partijen zijn voorgebracht ziet de president thans geen termen.

Verzoekers hebben ter zitting gesteld dat het veterinaire risico waarop verweerder heeft gedoeld kan worden ondervangen door de schapen in kwestie te isoleren. Verweerder heeft evenwel naar voorlopig oordeel op goede gronden twijfel uitgesproken over de vraag of een kudde schapen met een omvang als die waarover het hier gaat op zodanige wijze kan worden geïsoleerd dat geen enkel besmettingsrisico meer bestaat. Reeds om deze reden heeft verweerder, naar voorlopig oordeel, de door verzoekers ter sprake gebrachte "isolatie-optie" van de hand kunnen wijzen.

6.3.3 Verzoekers zijn, zoals uit het vorenoverwogene volgt, naar voorlopig oordeel er niet in geslaagd het veterinaire fundament van verweerders beleid aan te tasten in de hiervoor omschreven zin. Verweerder mocht dan ook aan de veterinaire risico's als door hem vastgesteld, waarmee de belangen van de veehouders en de gezonde dieren in Nederland en in de Europese Gemeenschap nauw verbonden zijn, een zwaarder gewicht toekennen dan aan de belangen die gelegen zijn in het in leven laten van de dieren.

6.3.4 Verzoekers hebben gesteld dat ten aanzien van het voorliggende besluit een bijzondere afweging dient plaats te vinden in verband met de zeldzaamheid van de te doden dieren. Een zodanige bijzondere afweging behoeft evenwel, naar het oordeel van de president, niet tot een ander resultaat te leiden. Daartoe overweegt de president als volgt.

Zoals de president in zijn hiervoor genoemde uitspraak van 31 maart 2001 met betrekking tot de Schoonebeeker Heideschapen reeds heeft overwogen, zal als gevolg van de tenuitvoerlegging van het besluit tot doding van de gevaccineerde schapen weliswaar genetisch materiaal verloren gaan, waardoor de kwaliteit van het ras van de Schoonebeeker Heideschapen zal afnemen, doch is van een onherstelbare schade, in die zin dat dit ras door tenuitvoerlegging van bedoeld besluit met uitsterven wordt bedreigd, geen sprake. Onder die omstandigheden acht de president het voorshands niet onredelijk dat verweerder doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de veterinaire risico's die worden genomen wanneer de schapen in kwestie niet worden geruimd.

6.3.5 Voorts heeft verweerder, naar voorlopig oordeel, er in redelijkheid vanaf kunnen zien de tenuitvoerlegging van het besluit tot doding van de gevaccineerde schapen uit te stellen tot na de vergadering van het OIE op 27 mei 2001, waar een voorstel met betrekking tot het mond- en klauwzeerbeleid zal worden besproken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Het voorstel waar verzoekers op doelen betreft niet meer dan een aanbeveling om te komen tot wijziging van de OIE-code op het behoud van de mkz-vrije status bij preventieve vaccinatie van bepaalde categorieën dieren in bepaalde omstandigheden. Mitsdien blijft ook na 27 mei 2001 onzeker of, wanneer en onder welke voorwaarden de code wordt gewijzigd. In dit verband is van belang dat, zoals in diverse uitspraken, waaronder de al meermalen genoemde uitspraak van 31 maart 2001, is overwogen, bij marginale beoordeling van verweerders beleid door de president geen rekening wordt gehouden met ontwikkelingen, waarvan niet vaststaat dat zij zich zullen voordoen. Het treffen van voorlopige voorzieningen met het oog op onzekerheden in de toekomst zou het beleid van verweerder te zeer in de weg staan.

Overigens acht verweerder blijkens zijn verklaring ter zitting de veterinaire risico's met betrekking tot de onderhavige dieren, die zich bevinden in een gebied waarbinnen diverse besmettingsgevallen zijn vastgesteld, van dien aard dat hij ook indien vorenbedoelde aanbeveling zou worden gevolgd tot doding van die dieren zou overgaan. In het licht van het vorenstaande heeft verweerder, naar voorlopig oordeel, zijn standpunt te dezen ook op dit uitgangspunt kunnen baseren.

6.3.6 Met betrekking tot de vraag of verweerder tenuitvoerlegging van de maatregel van doding van de gevaccineerde schapen zou moeten opschorten onder het gelijktijdig aanvatten van de procedure, bedoeld in artikel 2, tweede lid, tweede volzin, en derde lid, van de Beschikking van de Commissie van 11 april 2001, overweegt de president als volgt.

Gezien de samenhang tussen het eerste en het tweede lid van artikel 2 van de Beschikking van 11 april 2001 ziet bedoelde procedure weliswaar op andere (bedreigde) dieren dan omschreven zijn in de in het eerste lid vervatte begripsbepaling maar gaat het ook te dien aanzien slechts om dieren die zich bevinden in erkende en geregistreerde inrichtingen. Vast staat dat de dieren waar het in het onderhavige geval om gaat zich niet in dergelijke inrichtingen bevinden. Naar voorlopig oordeel van de president heeft verweerder reeds om die reden op goede gronden besloten de in het derde lid van artikel 2 vervatte procedure niet aan te vangen.

6.4 Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen onder opheffing van de eerder telefonisch uitgesproken schorsing van het besluit van 4 april 2001.

6.5 Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 Awb ziet de president geen aanleiding.

7. De beslissing

De president:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- heft de op 27 april 2001 telefonisch uitgesproken schorsing op.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. W.F. Claessens