ECLI:NL:CBB:2001:AB1902
public
2015-11-10T23:09:55
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB1902
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-05-23
AWB 99/1045
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Regeling dierlijke EG-premies
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1902
public
2013-04-04T16:28:48
2001-08-27
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB1902 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 23-05-2001 / AWB 99/1045

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/1045 23 mei 20011

5125

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: mr I.J.J.M. Roorda, advocaat te Mariaheide,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr M.T. Veldhuizen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 21 december 1999 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 november 1999. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen de afwijzing van hun aanvragen op grond van de Regeling dierlijke EG-premies ongegrond verklaard.

Bij brief van 7 februari 2000 hebben appellanten de gronden van hun beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 26 april 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 4 april 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Hierbij heeft verweerder bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader toegelicht. Appellanten zijn, zoals tevoren bericht, niet ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke voorschriften

Artikel 4b, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidt als volgt:

" Aan rundvleesproducenten die op hun bedrijf mannelijke runderen houden kan op hun verzoek een speciale premie worden verleend. Deze premie wordt per kalenderjaar en per bedrijf tot het regionale maximum voor ten hoogste 90 dieren voor elke in lid 2 bedoelde leeftijdsgroep toegekend."

Artikel 4g van voormelde verordening luidt, voorzover hier van belang:

" Het totaal aantal dieren waarvoor de speciale premie en de zoogkoeienpremie kan worden aangevraagd wordt begrensd door de toepassing van het veebezettingsgetal van het betrokken bedrijf. Dit getal geeft de verhouding weer tussen het aantal grootvee-eenheden (GVE) en het areaal van dat bedrijf dat voor de voedering van de dieren van dat zelfde bedrijf wordt gebruikt."

Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals nadien gewijzigd, bepaalt, voorzover hier van belang:

" Artikel 4

(...)

2. a) De steunaanvraag "oppervlakten"mag na de uiterste datum voor de

indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijzigingen uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen. In afwijking van de tweede alinea en zelfs na de in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 bedoelde data mag een Lid-Staat toelaten dat een oppervlakte wordt teruggetrokken van de steunaanvraag "oppervlakten". De wijziging moet schriftelijk worden gemeld voordat door de bevoegde autoriteit enigerlei mededeling is gedaan over hetzij de resultaten van de administratieve controles die de percelen in kwestie betreft, hetzij de organisatie van een inspectiebezoek aan het betrokken bedrijf.

(...)

Artikel 5 bis

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast.

Artikel 9

(...)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. (...)

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

(...)

In dit artikel wordt onder geconstateerde oppervlakte verstaan de oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde voorwaarden is voldaan.

3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden het voederareaal, de braakgelegde oppervlakte en de oppervlakten met verschillende akkerbouwgewassen waarvoor een verschillend steunbedrag geldt, elk alleen en afzonderlijk in aanmerking genomen."

2.2 De vaststaande feiten

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten hebben op 7 mei 1997 een "formulier aanvraag oppervlakten 1997 vereenvoudigde regeling en voederareaal" ingediend bij verweerders dienst LASER. Hierbij hebben zij een totale oppervlakte van 27.00 ha voederareaal opgegeven.

- Op 23 en 26 juni 1997 is er telefonisch contact geweest tussen een medewerker van LASER en appellanten. Het onderwerp was blijkens de van dit contact gemaakte telefoonnotitie perceel 10, dat door appellanten opgegeven was als voederareaal. Deze telefoonnotitie bevat onder meer de aantekening dat perceel 10 volgens de kaart bos is en de aantekening dat er vee tussen de bomen loopt.

- Bij schrijven van 4 juli 1997 heeft verweerder appellanten bericht dat hun aanvraag oppervlakten in behandeling is genomen en dat een oppervlakte voederareaal van 27 ha ten behoeve van de stieren-, ossen-, en/of zoogkoeienpremie voor appellanten is geregistreerd.

- Op 8 september 1997 heeft er door de AID een controle op het bedrijf van appellanten plaatsgevonden. In het van deze bedrijfscontrole opgemaakte rapport staat met betrekking tot perceel 10 het volgende vermeld:

" Perceel 10 is door aanvrager, althans door zijn boekhouder, ingetekend als zijnde een perceel weiland. Dit is niet het geval. Het gaat hier om een perceel bos. Dit is ook al gewijzigd en als zodanig ingetrokken door aanvrager. Een verklaring van aanvrager, waarin hij zich met de wijziging akkoord verklaart, is als bijlage bijgevoegd."

- Op 5 maart 1998 heeft verweerder appellanten bericht dat de oppervlakte voederareaal op 0 is gesteld, omdat het verschil tussen de opgegeven oppervlakte en de feitelijk geconstateerde oppervlakte meer dan 20% bedraagt, nu perceel 10 met een oppervlakte van 5.00 ha ten onrechte als voederareaal is opgegeven.

- Bij schrijven van 12 maart 1998 is namens appellanten aan verweerder bericht dat zij reeds vorig jaar met de correctie met betrekking tot perceel 10 akkoord waren gegaan en dat daarbij was overeengekomen dat perceel 13 met een oppervlakte van 4.08 ha voor perceel 10 als voederareaal in de plaats zou komen.

- Bij besluit van 15 april 1998, verzonden op 22 april 1998, heeft verweerder de aanvragen dierpremies, verkoopseizoen 1997, afgewezen.

- Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 29 mei 1998, aangevuld bij schrijven van 24 juli 1998, bezwaar gemaakt.

- Appellanten zijn op 28 oktober 1999 gehoord. In het verslag van de hoorzitting is onder meer het volgende vermeld:

" A: ABAB Deurne heeft voor mij de aanvraag ingevuld. Ik heb het niet nagekeken. Opeens stond er een A.I.D.-er op de stoep. Ik had graanpremie en stierenpremie aangevraagd.

(...)

Dhr. Bos: De wijzigingen zijn telefonisch doorgegeven, voordat de A.I.D. op bezoek is geweest. In het controlerapport van de A.I.D. blijkt ook dat het juiste perceel is opgenomen in de administratie.

De voorzitter: Op de aanvraag oppervlakte is het nummer van de topografische kaart gewijzigd. Op 23 juni 1997, dus voor de A.I.D.-controle, is perceel 10 volgens de kaart bos. Er is een telefoonnotitie gemaakt. Daarin staat: "Er loopt vee tussen de bomen." Er is naar ons niet duidelijk weergegeven wat de bedoeling was. Daardoor is vermoedelijk het perceel niet uit de aanvraag gehaald.

Dhr. Bos: Er staat wel vast dat er telefonisch contact is geweest.

De voorzitter: Perceel 10 zou moeten vervallen. Dit blijkt niet uit de telefoonnotitie. De afwijking is 22,7%. Daarom vervalt het voederareaal en dus automatisch ook de stierenpremie.

Dhr. Bos: De medewerker van uw kantoor die de telefoonnotitie heeft gemaakt was blijkbaar niet op de hoogte van deze complexe materie."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit onder meer als volgt overwogen.

" In uw bezwaarschrift stelt u dat er geen rekening gehouden is met hetgeen is gesteld in de brief van 17 maart 1998 en de daaraan ten grondslag liggende correspondentie. In uw brief van 12 maart 1998 geeft u aan dat LASER een perceel ter grootte van 5 hectare uit de aanvraag zou hebben gecorrigeerd. In 1997 zou u reeds hiermee akkoord zijn gegaan. Voor dit perceel zou perceel nummer 13 in de plaats komen ter grootte van 4.08 hectare en dat het andere perceel dus niet in aanmerking moest komen voor de EG-subsidie akkerbouwgewassen. Telefonisch zou u dit hebben doorgegeven aan LASER.

Ten aanzien van deze grond van bezwaar overweeg ik als volgt. Uit een telefoonnotitie in uw dossier Aanvraag oppervlakten blijkt dat u of ABAB op 23 juni 1997 met LASER contact heeft gehad. Uit deze notitie blijkt niet dat u perceel 10 uit uw Aanvraag terug wilde trekken en dat u dit perceel wilde vervangen door perceel nummer 13. Volgens u was perceel nummer 10 bos en loopt er vee tussen de bomen. Hieruit valt niet af te leiden dat u het perceel terug wilde trekken en door een ander perceel wilde vervangen.

Uit artikel 4, tweede lid sub a van de Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals aangevuld door Verordening (EG) nr. 1648/95 blijkt dat een oppervlakte uit de steunaanvraag oppervlakten teruggetrokken kan worden mits dat deze wijziging schriftelijk wordt gemeld voordat door de bevoegde instantie enigerlei mededeling is gedaan over hetzij de resultaten van de administratieve controles hetzij de organisatie van een inspectiebezoek van het betrokken bedrijf.

U of ABAB heeft weliswaar telfonisch contact gehad met LASER, maar u heeft niet schriftelijk aan LASER medegedeeld dat u perceel nummer 10 uit uw aanvraag oppervlakten terug wilde trekken. Overigens volgt uit artikel 4, tweede lid sub a van de Verordening (EEG) nr. 3887/92 zoals gewijzigd door de Verordening (EG) nr. 229/95 dat u geen perceel mag toevoegen aan de percelen die als voederareaal zijn aangegeven.

(...)

U beroept zich tot slot op het bepaalde dat met betrekking tot het gebruik of de betrokken steunregeling in alle gevallen wijzigingen kunnen worden aangebracht. In deze wijs ik u op het bepaalde in artikel 4, lid 2 onder a (gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 229/95) en artikel 5 bis van de Verordening (EEG) nr. 3887/92. Uit deze bepalingen volgt, dat uw aanvraag na de uiterste datum van indiening nog slecht kan worden gewijzigd in geval van een klaarblijkelijke fout.

De fout die u maakte in uw aanvraag kan niet als een dergelijke manifeste fout worden aangemerkt. Perceel 10 heeft u opgegeven voor voederareaal. Bij behandeling van uw aanvraag kon LASER niet vermoeden dat u een vergissing had gemaakt.

Niets wees er op dat u uw aanvraag anders wenste in te dienen dan u had gedaan. Ik stel derhalve vast dat er geen sprake was van een manifeste fout en dat uw aanvraag niet meer kan worden gewijzigd."

Ter zitting heeft verweerder hieraan nog het volgende toegevoegd:

" LASER heeft op 23 juni 1997 telefonisch contact opgenomen met vertegenwoordiger van appellanten, D van ABAB. Uit de telefoonnotitie van dit gesprek kan opgemaakt worden dat de medewerker van LASER heeft aangegeven dat volgens de kaart perceel nr. 10 bos is. Perceel nr. 10 is opgegeven als voederareaal. D kan in eerste instantie niet aangegeven of het bos gerooid is of niet. Later heeft hij teruggebeld en gemeld dat het vee tussen de bomen loopt.

In tegenstelling tot hetgeen appellanten beweren blijkt uit de telefoonnotitie op geen enkele wijze dat appellanten perceel 10 wilden terugtrekken uit de aanvraag. Mocht dit bovendien wél de bedoeling van appellanten zijn geweest, dan hadden appellanten deze terugtrekking ten eerste schriftelijk moeten melden, en niet telefonisch, en ten tweede vóórdat door LASER enige mededeling was gedaan over de resultaten van de administratieve controles, en niet nadat een medewerker van LASER opgebeld had met de mededeling dat perceel 10 volgens de kaart bos was. Deze beide eisen staan niet alleen duidelijk vermeld in Vo 3887/92 (EEG), maar ook in de brochure die bij de aanvraag oppervlakten wordt geleverd onder het kopje "wijzigingen in uw aanvraag"."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van hun beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" In kwestie is met name van belang de namens aanvragers op 12 maart 1998 aan het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ter attentie van LASER, regio Zuid-oost toegezonden brief, welke is bijgevoegd (prod 1).

Anders dan in de beslissing van 29 november 1999 staat vermeld hebben bezwaarmakers met de namens hen op 12 maart 1998 aan het Ministerie van Landbouw toegezonden brief wel degelijk verzocht om perceel 10 uit de aanvraag (melding veebezetting 1997 - definitieve registratie) te schrappen en daarvoor in de plaats te doen stellen perceel nummer 13.

Ten onrechte wordt op vervolgblad 10, tweede alinea overwogen

"Ten aanzien van deze grond van bezwaar overweeg ik als volgt. Uit een telefoonnotitie in uw dossier Aanvraag oppervlakten blijkt dat u of ABAB op 23 juni 1997 met LASER contact heeft gehad. Uit deze notitie blijkt niet dat u perceel 10 uit uw Aanvraag terug wilde

trekken en dat u dit perceel wilde vervangen door perceel nummer

13".

Inderdaad is het zo dat er op 23 juni 1997 sprake is geweest van contact voor wat betreft de reikwijdte van de aanvraag.

Waarom zou alsdan alleen sprake zijn geweest van het schrappen van een onderdeel van de aanvraag?

Waarom zou er - naar zeggen van de Minister - niet sprake zijn geweest van vervangen?

Anders gezegd: wat zou de reden kunnen zijn dat aanvragers eenzijdig hun aanvraag - zonder compensatie - geweld aan zouden doen?

Welk belang hebben wij daarbij en welk belang heeft de Minister om van die veronderstelling uit te gaan?

Uit het gestelde in de brief van 12 maart 1998 blijkt onmiskenbaar dat het betreffende perceel ter grootte van 5 hectare vervangen moest worden door een perceel ter grootte van 4.08.00 hectaren.

Een en ander blijkt klip en klaar uit hetgeen staat vermeld in de brief van

12 maart 1998.

In de brief van 12 maart 1998 staat namelijk onder meer:

"Met deze correctie was onze cliënt reeds vorig jaar akkoord gegaan

en was daarbij overeengekomen dat perceel nummer 13 hiervoor in

de plaats zou komen ter grootte van 4.08 hectaren en dat perceel 13

dus niet in aanmerking moest komen voor de EG-subsidie

akkerbouwgewassen".

Anders gezegd; voorafgaande aan 12 maart 1998 was telefonisch besproken c.q. overeengekomen dat voor wat betreft de aanvragen van 1997 perceel nummer 10 zou komen te vervallen en dat daarvoor in de plaats zou treden perceel nummer 13, hetgeen zoals gezegd in de brief van 12 maart 1998 staat vermeld.

Een en ander vond zijn beslag vóór het aangevochten besluit van 22 april 1998.

Op vervolgblad 10, vijfde alinea, eerste zin staat dan ook ten onrechte vermeld als zouden bezwaarmakers niet hebben laten weten dat perceel nummer 10 uit de aanvraag was komen te vervallen.

Mocht er aan de zijde van LASER sprake zijn geweest van enige twijfel, alsdan had het op de weg gelegen van LASER om - ter respectering van de rechten van bezwaarmakers - daarover opheldering te vragen dan wel een en ander niet ten nadele, doch ten voordele van appellanten te interpreteren.

In plaats daarvan werd op 17 maart 1998 het gestelde in de brief van 12 maart 1998 bevestigd (prod. 2).

Ter nadere adstructie van het vorenstaande wordt tevens nog gewezen op het namens bezwaarmakers op 24 juni 1998 aan het Ministerie van Landbouw toegzonden schrijven, zijnde een nadere motivering van het op 29 mei 1998 ingediende bezwaarschrift."

5. De beoordeling van het geschil

Aan de orde is de vraag of verweerder bij het bestreden besluit zijn afwijzing van de aanvraag van appellanten op grond van de Regeling dierlijke EG-premies terecht heeft gehandhaafd. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Het beroep van appellanten zou slechts dan kunnen slagen indien zou kunnen worden vastgesteld dat perceel 10, waarvan niet in geschil is dat dit perceel niet als voederareaal aangemerkt kon worden, door appellanten overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften uit de aanvraag is teruggetrokken. Daarvoor zou overeenkomstig het bepaalde bij artikel 4 van Verordening nr. 3887/92 de terugtrekking van het perceel plaatsgevonden moeten hebben voordat door de bevoegde autoriteiten enigerlei mededeling is gedaan met betrekking tot de resultaten van de administratieve controles die dat perceel betreffen. Indien zoals verweerder uiteindelijk heeft betoogd het initiatief voor het telefonisch contact op 23 juni 1997 aan de zijde van LASER heeft gelegen, moet worden vastgesteld dat terugtrekking van dit perceel niet meer mogelijk was, nu in dat contact perceel 10 aan de orde is gesteld.

Het College acht het gelet op de inhoud van de telefoonnotitie aannemelijk dat het initiatief aan de zijde van verweerder heeft gelegen: nadat verweerder bij een eerste administratieve controle op de omstandigheid was gestuit dat het opgegeven perceel 10 volgens de kaart bos was, heeft verweerder contact opgenomen met appellanten en navraag ter zake gedaan. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de aanname dat het initiatief bij appellanten heeft gelegen. Appellanten hebben dat ook niet gesteld.

Maar ook indien het initiatief voor het telefonisch contact op 23 juni 1997 wel bij appellanten zou hebben gelegen, dan nog lag het op hun weg hun wil tot wijziging van de aanvraag waaraan zij in beginsel zijn gebonden en die slechts onder stringente voorwaarden kan worden gewijzigd, op ondubbelzinnige, schriftelijke wijze aan verweerder kenbaar te maken. Dat is niet gebeurd. Aan verweerder is toen niet schriftelijk gemeld dat perceel 10 werd teruggetrokken. De gevolgen hiervan dienen voor rekening en risico van appellanten te blijven.

Voorgaande overwegingen leiden tot het oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr W.E. Doolaard, mr H.G. Lubberdink en mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2001.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R.P.H. Rozenbrand