ECLI:NL:CBB:2001:AB2106
public
2015-11-12T10:57:05
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB2106
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-05-22
AWB 98/970
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB2106
public
2013-04-04T16:29:36
2001-08-22
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB2106 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 22-05-2001 / AWB 98/970

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 98/970 22 mei 2001

26010

Uitspraak in de zaak van:

de Stichting Werkgelegenheids Initiatieven Almelo (Stichting Impuls), te Almelo, appellante,

gemachtigde: mr Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat te Almelo en A, directeur van appellante,

tegen

de Algemene Directie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, gevestigd te Zoetermeer, verweerster,

gemachtigde: mr R. Stapert, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Op 11 september 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 7 augustus 1998.

Bij dat besluit heeft verweerster, handelend als rechtsopvolgster van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, het administratief beroep van appellante, dat gericht was tegen de brief van het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening Overijssel (hierna: RBA) van 25 oktober 1996 betrekking hebbend op de Subsidieregeling Arbeidsvoorziening banenpools, niet-ontvankelijk verklaard en 36 bezwaarschriften gericht tegen even zovele besluiten van onderscheidenlijk 20 maart, 14 april, 6 mei en 15 mei 1997 ongegrond verklaard.

Op 9 november 1999 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Op 9 juli 1999 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Op 4 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. Namens appellante is ter zitting aangegeven dat wat betreft de ongegrondverklaring haar beroep nog slechts gericht is tegen de afwijzing van haar verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.

Het onderzoek ter zitting is vervolgens, wat het verzoek om schadevergoeding betreft, geschorst tot 4 februari 2001 in afwachting van het bereiken van overeenstemming tussen partijen ter zake.

Bij brief van 5 februari 2001 heeft appellante het College verzocht de procedure nogmaals 4 weken aan te houden. Dit verzoek is door het College op 8 februari 2001 ingewilligd.

Bij brief van 7 maart 2001 heeft appellante het College wederom verzocht de procedure met 4 weken aan te houden, met welk verzoek het College bij brief van 13 maart 2001 heeft ingestemd.

Bij brief van 3 april 2001 heeft appellante het College nader bericht. Bij brief van

11 april 2001 heeft verweerster van haar aanbod aan appellante mededeling gedaan.

Bij brief van 20 april 2001 heeft appellante meegedeeld het aanbod af te wijzen en het College verzocht uitspraak te doen.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 25 oktober 1996 heeft het RBA appellante een brief gestuurd met de navolgende inhoud:

" In het kader van de Subsidieregeling Arbeidsvoorziening Banenpools is m.i.v. 1 januari 1996 een wijziging ingevoerd zoals bekend en gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 220 van 13 november 1995.

Ingaande 1-1-1996 dient bij het toekennen van de subsidie ten behoeve van een Banenpoolplaats te worden gelet op het aantal uren dat de Banenpoler gaat werken i.c. indien de arbeidsovereenkomst de arbeidstijd van de Banenpoler wordt bepaald op minder uren dan de volledige diensttijd, wordt de subsidie vastgesteld naar evenredigheid van het aantal uren dat word gewerkt.

Als voorbeeld: een Banenpoler gaat 32 uur werken, dan wordt de subsidie vastgesteld op 32/38 deel van f. 3.500,-- is f. 2.947,--. Dit in tegenstelling tot voorheen waar f. 3.500,-- subsidie werd verstrekt ongeacht het aantal uren dat werd gewerkt.

Arbeidsvoorziening is gehouden deze wijziging met terugwerkende kracht tot 1-1-1996 toe te passen en zal daar bij de voorschotdeclaraties over 1996 dan ook rekening mee houden."

- Tegen deze brief heeft appellante administratief beroep ingesteld bij het CBA.

- Bij besluiten van 20 maart, 14 april, 6 mei en 15 mei 1997 heeft het RBA 36 beschikkingen afgegeven in het kader van de Subsidieregeling Arbeidsvoorziening banenpools, waarbij appellante subsidies zijn toegezegd van fl. 3500,-- per banenpooler. In de beschikkingen wordt verwezen naar de "Subsidieregeling Arbeidsvoorziening banenpools, zoals bekend onder nummer CBA 1995/243 en gepubliceerd in de Staatscourant 1995/251".

- Tegen deze beschikkingen heeft appellante 36 bezwaarschriften ingediend.

- Bij brief van 19 september 1997 heeft verweerster appellante - voor zover van

belang - als volgt bericht:

" In het voornoemde telefoongesprek gaf u aan dat de kern van de zaak voor u is of de Subsidieregeling Arbeidsvoorziening banenpools zoals die gold in 1995, danwel de actuele versie uit 1997 zal worden toegepast.

(...)

Bij brief van 15 september 1997 heeft de Regionale Directie aangegeven dat er sprake is van een misverstand. De Regionale Directie stelt in haar brief dat van-zelfsprekend de actuele Regeling uit 1997 zal worden toegepast. Dit betekent dat de einddeclaratie over 1997 zal plaats vinden op basis van de huidige

36-urige werkweek."

- Bij brief van 10 december 1997 heeft appellante het RBA verzocht om de kosten van juridische bijstand, groot fl. 32.507,64, welke samenhangen met de 36 door appellante ingediende bezwaarschriften, te vergoeden.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerster

Bij het bestreden besluit is onder meer het volgende overwogen en beslist.

" Met betrekking tot de brief van 6 december 1996 van verzoekster waarin verzoekster beoogt een bezwaarschrift in te dienen tegen de brief van het Regionaal Bestuur van 25 oktober 1996 merkt de Algemene Directie op dat de brief van 25 oktober 1996 geen beschikking is, doch een informatief schrijven dat op zich geen wijziging in de positie van verzoekster aanbrengt. Gezien deze reden is het bezwaarschrift van 6 december 1996 gericht tegen voormelde brief niet-ontvankelijk.

(...)

Verzoekster heeft in haar brief van 14 oktober 1997 en ter hoorzitting verwoord dat zij er naar streeft de voornoemde bezwaarschriften zo spoedig mogelijk in te trekken, doch verwijst hierbij nadrukkelijk naar de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand, ten bedrage van Fl. 32.507,64.

(...)

De Algemene Directie is van oordeel dat ook in casu er geen sprake is van omstandigheden die er toe nopen van het algemene uitgangspunt, dat de in bezwaarschriftprocedure gemaakte kosten in de regel voor rekening van de belanghebbende moeten blijven, af te wijken.

Immers het beoogde doel zou ook zijn bereikt bij de eindvaststelling, op welk moment zou worden afgewikkeld conform de alsdan toepasbare bepalingen. Gezien bovenstaande behoeft niet te worden ingegaan op de onevenredigheid van de in de bezwaarschriftfase gemaakte kosten."

Bij brief van 11 april 2001 heeft verweerster appellante als volgt bericht:

" In mijn brief van 7 februari 2001 verzocht ik u mij te berichten of u de vordering voor de kosten van rechtsbijstand van fl. 32.507, 64 wenst te handhaven. In antwoord hierop liet u mij op 7 maart 2001 weten, deze vordering onverkort te handhaven.

Ik stel voorop dat ik mij niet gehouden acht tot betaling van de door appellante in de bezwaarschriftprocedure gemaakte kosten. Deze kosten komen immers in de regel voor rekening van belanghebbenden. Voorts stel ik mij nog steeds op het standpunt dat appellante - gelet op de data van de beschikkingen - in redelijkheid zou hebben kunnen volstaan met indiening van hooguit een viertal bezwaarschriften. Aldus zouden de kosten door samenvoeging van samenhangende zaken tot een minimum beperkt kunnen zijn gebleven. In dit licht acht ik het dan ook onbegrijpelijk dat u de vordering onverkort wenst te handhaven.

Niettemin ben ik bereid uit pragmatische overwegingen vier maal het door u voorgestelde normbedrag fl. 902,99 per bezwaarschrift, tot in totaal fl. 3.611,96 als kosten voor rechtsbijstand te vergoeden. Een afschrift van deze brief heb ik heden verzonden naar de griffie van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De brief van 25 oktober 1996 is een besluit in de zin van de Awb. Er is immers sprake van een wijziging in de rechtspositie van appellante. Zij wordt geconfronteerd met maatregelen die begrotingstechnisch gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering. Het invoeren van deze regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 slaat een gat van circa fl. 100.000,-- in de begroting.

Ten onrechte is appellante in haar bezwaar tegen de brief van 25 oktober 1996 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 20 april 2001 heeft appellante als volgt op verweersters aanbod ter zake van de vergoeding van de kosten in de bezwaarfase gereageerd:

" Onder verwijzing naar uw brief van 18 dezes, bericht ik u dat mijn cliënte op generlei wijze kan instemmen met de door verweerder aangeboden vergoeding terzake kosten rechtsbijstand. Namens mijn cliënte verzoek ik het College dan ook om uitspraak in overhavig geschil."

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ten aanzien van het besluit van verweerster van 7 augustus 1998, voor zover dit behelst een afwijzing van appellante's verzoek om vergoeding van de kosten gemaakt in de bezwaarfase, overweegt het College dat dit besluit is aan te merken als een zelfstandig schadebesluit waartegen, ingevolge artikel 7:1 van de Awb, eerst bezwaar gemaakt dient te worden bij verweerster.

Het College verklaart zich derhalve onbevoegd om van het beroepschrift, voor zover dit is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten gemaakt in de bezwaarfase, kennis te nemen en zal, met toepassing van het bepaalde in artikel 6:15 van de Awb, het beroepschrift van appellante doorzenden aan verweerster ter behandeling als bezwaarschrift.

5.2 Het College ziet zich voorts gesteld voor de vraag of in het schrijven van verweerster van 25 oktober 1996 een voor beroep vatbaar besluit, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, is neergelegd.

In deze brief deelt het RBA mede dat de Rijksbijdrageregeling banenpools met ingang van 1 januari 1996 in die zin is gewijzigd, dat vanaf deze datum bij het toekennen van subsidie ten behoeve van een banenpoolplaats dient te worden gelet op het aantal uren dat de banenpooler gaat werken.

Naar het oordeel van het College is de brief van 25 oktober 1996 een informatief schrijven dat niet is gericht op rechtsgevolg. Dit rechtsgevolg was immers reeds ingetreden door de wijziging per 1 januari 1996 van de Rijksbijdrageregeling banenpools, welke is gepubliceerd in de Staatscourant.

Het College concludeert dat verweerster het bezwaar van appellante tegen de brief van

25 oktober 1996 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het beroep dienaangaande derhalve ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep van appellante, voor zover gericht tegen het besluit van verweerster tot afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de kosten, door appellante gemaakt in de bezwaarschriftprocedure;

- zendt dit beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 Awb door naar verweerster ter afhandeling als bezwaarschrift;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op

22 mei 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. A.J. Medze