ECLI:NL:CBB:2001:AB2125
public
2015-11-10T12:31:23
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB2125
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-05-02
AWB 01/335
Voorlopige voorziening
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB2125
public
2013-04-04T16:29:39
2001-07-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB2125 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 02-05-2001 / AWB 01/335

-

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/335 2 mei 2001

11230

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1. A, te Hattem,

2. B en C, te Heerde,

3. D en E, te Hattem,

4. F, te Wapenveld,

5. G en H, te Epe,

6. I, te Wenum Wiesel,

7. J, te Wenum Wiesel,

8. K, te Emst,

9. L en M, te Epe,

10. N, te Terwolde,

11. O, te Hattem,

12. P, te Hattem,

13. Q en R, te Epe,

14. S, te Heerde,

15. T, te Epe,

16. U en V, te Hattem,

17. W, te Emst,

18. X, Y en Z, te Wapenveld.

19. AA en BB, te Hattem,

20. CC, te Terwolde,

21. DD en EE, te Vaassen,

22. FF, te Vaassen,

23. GG en HH, te Epe,

24. II, te Nijbroek,

25. JJ en KK, te Vorchten,

26. LL, te Nijbroek,

27. MM, te Wapenveld,

28. NN, te Hattem,

29. OO, te Emst,

30. PP, te Twello,

31. QQ, te Heerde,

32. RR, te Heerde,

33. SS, te Twello, en

34. TT, te Vaassen,

gemachtigde: mr H.J. Bronkhorst, advocaat te Den Haag,

tegen

1. de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag en

2. de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te Rijswijk, hierna individueel en gezamenlijk aan te duiden als verweerder,

gemachtigde: mr G. de Goede, werkzaam bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Den Haag.

1. De procedure

Bij, wat betreft aard en strekking, gelijkluidende besluiten van 1 april 2001 heeft verweerder verzoekers sub 8 en 13, onder verwijzing naar artikel 24 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet), medegedeeld dat alle runderen en geiten op de bedrijven van verzoekers sub 8 en 13 op grond van artikel 2, onderdeel a, van het Besluit verdachte dieren (Besluit van 15 juli 1994, houdende regels betreffende verdachte dieren, Stb. 1994, 731, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 augustus 1998, Stb. 1998, 667, hierna: het Besluit) met ingang van die datum als verdacht van mkz worden aangemerkt. Tevens heeft verweerder verzoekers sub 8 en 13, onder verwijzing naar artikel 21, derde lid, van de Wet, medegedeeld dat hij het onder meer noodzakelijk acht dat de dieren aan een nader onderzoek worden onderworpen en dat afhankelijk van de uitslag van dit nader onderzoek, andere maatregelen kunnen worden genomen, waaronder, in het geval van mkz, onder verwijzing naar artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de Wet, het doden van de dieren.

Verweerder heeft bij, wat betreft aard en strekking, gelijkluidende besluiten van 4 april 2001 verzoekers sub 1 tot en met 7, sub 9 tot en met 12, sub 14 tot en met 16 en sub 18 tot en met 32, en bij, wat betreft aard en strekking, gelijkluidende besluiten van 10 april 2001 verzoekers sub 17, 33 en 34, onder verwijzing naar artikel 24 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet), medegedeeld dat alle evenhoevigen op de bedrijven van voornoemde verzoekers op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren (Besluit van 15 juli 1994, houdende regels betreffende verdachte dieren, Stb. 1994, 731, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 augustus 1998, Stb. 1998, 667, hierna: het Besluit) met ingang van die datum als verdacht van mkz worden aangemerkt. Tevens heeft verweerder voornoemde verzoekers, onder verwijzing naar artikel 21, derde lid, van de Wet, medegedeeld dat hij het noodzakelijk acht dat alle evenhoevige dieren op de bedrijven van deze verzoekers worden gevaccineerd en dat deze gevaccineerde evenhoevige dieren, met uitzondering van de runderen, worden gedood, met dien verstande dat deze verzoekers nader zal worden bericht of ook de runderen op hun bedrijven zullen worden gedood.

Bij brief van 17 april 2001 heeft verweerder verzoekers sub 1 tot en met 7, sub 9 tot en met 12 en sub 14 tot en met 34 medegedeeld dat ook de runderen op hun bedrijven zullen worden gedood.

Tegen deze besluiten hebben verzoekers tijdig bezwaarschriften ingediend.

Voorts hebben verzoekers bij verzoekschrift van 1 mei 2001 aan de president van het College verzocht bij wijze van voorlopige voorziening de hiervoor vermelde besluiten te schorsen.

Op 2 mei 2001 heeft de president op deze verzoeken om voorlopige voorziening beslist.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor de grondslag van het geschil zij verwezen naar het normatieve kader zoals dat is weergegeven in rubriek 2 van de uitspraak van de fungerend president van het College d.d. 27 april 2001, geregistreerd onder het nummer AWB 01/311 en AWB 01/320 en in rubriek 2 van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, alsmede van de mondelinge uitspraak van de president van het College d.d. 1 mei 2001, geregistreerd onder het nummer AWB 01/332. Zowel voornoemde uitspraak van de fungerend president van het College van 27 april 2001, als voornoemd proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, alsmede de mondelinge uitspraak van de president van het College van 1 mei 2001 zijn aan deze uitspraak gehecht. Dit normatieve kader wordt hier geacht te zijn herhaald en ingelast.

2.2 In aanvulling op het vorenstaande gaat de president bij de beoordeling van de verzoeken om voorlopige voorziening uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- De bedrijven van verzoekers zijn allen gelegen buiten een straal van 2

kilometer rond een bedrijf waar een besmetting met mkz is vastgesteld.

- Vaccinatie van de op de bedrijven van verzoekers als verdachte dieren aangemerkte dieren heeft plaatsgevonden in de periode van 5 april 2001 tot en met 14 april 2001.

- Alvorens de als verdachte dieren aangemerkte dieren zijn gevaccineerd, zijn bij bedoelde dieren steekproefsgewijs bloedmonsters afgenomen.

- Verzoekers hebben elk afzonderlijk tegen het desbetreffende tot hen gerichte besluit een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Op deze bezwaarschriften is door verweerder nog niet beslist.

3. De standpunten van partijen

Het standpunt van verzoekers is gelijk aan het standpunt van de verzoekers zoals weergegeven in rubriek 3 van voornoemde uitspraak van de fungerend president van het College van 27 april 2001 met het nummer AWB 01/311 en in rubriek 3 van voornoemd proces-verbaal, alsmede van de mondelinge uitspraak van de president van het College van 1 mei 2001, met het nummer AWB 01/332. Dit standpunt wordt hier geacht te zijn herhaald en ingelast.

Voor het standpunt van verweerder zij verwezen naar rubriek 4 van voornoemde uitspraken. Dit standpunt wordt hier geacht te zijn herhaald en ingelast.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) juncto artikel 19, eerste lid van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Dienaangaande overweegt de president het volgende.

4.2. De president stelt vast dat bij uitspraak van 27 april 2001 in de gevoegde zaken met het nummer AWB 01/311 en 01/320, de verzoeken om een voorlopige voorziening van de daarin genoemde verzoekers sub 1 en 2, met dezelfde strekking als de onderhavige verzoeken, zijn afgewezen.

De president stelt voorts vast dat bij uitspraak van 1 mei 2001 in de zaken met het nummer AWB 01/332, de verzoeken om een voorlopige voorziening van de daarin genoemde verzoekers, met dezelfde strekking als de onderhavige verzoeken, eveneens zijn afgewezen. Het ging in voornoemde procedures om besluiten van verweerder met een, wat betreft aard en strekking, gelijkluidende inhoud als die waarvan hier eveneens schorsing wordt verzocht. Voorts betrof het in de zaken, geregistreerd onder het nummer

AWB 01/332, evenals hier, bedrijven die allen zijn gelegen buiten een straal van

2 kilometer rond een bedrijf waar een besmetting met mkz is vastgesteld.

Weliswaar verschillen in de zaken van verzoekers sub 17, 33 en 34 de hiervoor bedoelde data van besluiten en verschillen in de zaken van enige verzoekers de hiervoor bedoelde data van inentingen met die van de verzoekers in voornoemde procedures, doch voor de beoordeling van het geschil zijn deze verschillen evenwel niet van belang.

Voorts overweegt de president dat verzoekers sub 8 en 13 er, blijkens het gestelde in hun verzoeken om voorlopige voorziening en hun bezwaarschriften, kennelijk vanuit zijn gegaan dat de ten aanzien van hen genomen besluiten van 1 april 2001, de introductie vormt tot het doden van de desbetreffende dieren. De door hen in dat verband naar voren gebrachte argumenten kunnen, aldus beschouwd, tegelijk en op dezelfde wijze worden behandeld als de argumenten van de overige verzoekers.

Dienaangaande overweegt de president als volgt.

De president stelt vast dat verzoekers in de onderhavige procedure dezelfde argumenten aan de orde stellen die in de procedures geregistreerd onder de nummers AWB 01/311 en 01/320 en AWB 01/332 aan de orde zijn geweest.

Zij hebben er, gelet op de daartoe leidende overwegingen van de fungerend president onderscheidenlijk de president, niet toe geleid dat die verzoeken tot schorsing werden toegewezen.

Op grond van dezelfde overwegingen, waarnaar de president verwijst en die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, komen de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening evenmin voor toewijzing in aanmerking. Dit wordt niet anders indien de besluiten van verweerder van 1 april 2001, genomen ten aanzien van verzoekers sub 8 en 13, louter zouden worden bezien in het licht van de tekst van die besluiten. Gesteld noch gebleken is immers dat die, aldus bezien minder ingrijpende, besluiten de hier aan te leggen toets der kritiek niet zouden kunnen doorstaan.

4.3 Het vorenstaande brengt de president tot het oordeel dat de verzoeken om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond zijn en dat er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, Awb uitspraak te doen.

De president acht geen termen aanwezig één der partijen onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de verzoeken heeft moeten maken.

5. De beslissing

De president wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2001.

w.g. R.R. Winter w.g. I.K. Rapmund