ECLI:NL:CBB:2001:AB3003
public
2015-11-10T14:57:27
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB3003
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-07-17
AWB 98/342
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB3003
public
2013-04-04T16:33:27
2001-08-01
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB3003 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 17-07-2001 / AWB 98/342

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 98/342 17 juli 2001

11231

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellante,

gemachtigde: mr A.M. Rottier, advocaat te 's-Hertogenbosch,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag, verweerder,

gemachtigden: mr J.C.M. Oudshoorn en mr L.P. de Wit, werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedures

Op 29 april 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 maart 1998.

Bij brief van 5 januari 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 19 juni 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante en haar gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigden nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op het bedrijf van appellante is klassieke varkenspest vastgesteld. De totale waarde van de varkensstapel alsmede bepaalde producten en voorwerpen is op 31 mei 1997 getaxeerd op fl. 706.270,92, waarna de varkens zijn gedood.

- Bij besluit van 24 juni 1997 heeft verweerder appellante een tegemoetkoming in de schade ten bedrage van fl. 706.270,92 toegekend.

- Bij brief van 5 augustus 1997 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 24 juni 1997. Nadat appellante op 10 december 1997 was gehoord omtrent haar bezwaren, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.

De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet) kent een gesloten systeem van tegemoetkomingen in geleden schade. Schade die niet op grond van de artikelen 85 tot en met 90 van de Wet voor vergoeding in aanmerking komt, wordt in bijzondere gevallen vergoed op basis van artikel 91 van de Wet. Schade door maatregelen ter bestrijding van een geconstateerde besmetting met varkenspest moet, voor zover deze schade niet valt onder genoemde artikelen 85 tot en met 90, worden gerekend tot het normale bedrijfsrisico, aangezien het houden van vee het risico van ziekte van dat vee insluit.

Dat bij preventief geruimde zeugenbedrijven onder bepaalde voorwaarden aanvullende tegemoetkomingen in de schade worden verstrekt en bij besmet geruimde bedrijven niet, is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In geval van besmetting wordt ruiming door het gemeenschapsrecht dwingend voorgeschreven, terwijl verweerder een eigen beoordelingsvrijheid heeft al dan niet tot preventieve ruiming over te gaan.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante maakt aanspraak op een aanvullende schadevergoeding basis van artikel 91 van de Wet. Ten onrechte wordt besmet geruimde bedrijven, anders dan preventief geruimde bedrijven, geen aanvullende tegemoetkoming in de schade verleend. Genoemde aanvullende tegemoetkoming maakt duidelijk dat het wettelijk systeem van tegemoetkomingen in de schade, anders dan verweerder stelt, niet gesloten is. Het door verweerder gevoerde beleid is willekeurig, inconsistent en berust niet op een draagkrachtige motivering.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de schade van appellante, voor zover verweerder daarin geen tegemoetkoming heeft verleend, niet op grond van de artikelen 85 tot en met 90 van de Wet voor vergoeding in aanmerking komt. In geschil is of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze schade evenmin op grond van artikel 91 van de Wet voor vergoeding in aanmerking komt.

Gelet op de tekst van bedoeld artikel 91 staat primair aan verweerder ter beoordeling welke vormen van schade voor vergoeding in aanmerking komen. Het standpunt van verweerder, inhoudende dat de door appellanten geleden schade behoudens het bepaalde in de artikelen 85 tot en met 90 van de Wet niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat deze als normaal bedrijfsrisico dient te worden aangemerkt, kan de rechterlijke toetsing doorstaan. Met verweerder is het College van oordeel dat het risico van schade door maatregelen ter bestrijding van een besmettelijke dierziekte tot het normale bedrijfsrisico van een ondernemer behoort, aangezien het houden van vee het risico van ziekte van dat vee insluit.

5.2 Met betrekking tot het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel in verband met het feit dat verweerder bij de toepassing van de kortingsbevoegdheid een onderscheid heeft gemaakt tussen preventief en besmet geruimde bedrijven, verwijst het College naar zijn uitspraken van 29 februari 2000 (AWB 98/140; AB 2000, 206) en 8 februari 2001

(AWB 98/227; te raadplegen op www.rechtspraak.nl), waarin dit beroep is verworpen.

5.3 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen,

als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2001.

w.g. J.A. Hagen w.g. B. van Velzen