ECLI:NL:CBB:2001:AB3006
public
2015-11-10T16:34:25
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB3006
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-07-11
AWB 99/658
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB3006
public
2013-04-04T16:33:27
2001-08-02
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB3006 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 11-07-2001 / AWB 99/658

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/658 11 juli 2001

10810

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr J.A. Suyver, advocaat te Woerden,

tegen

het Productschap voor Zuivel, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigden: mr F.G.P. Diermanse en mr I.H. de Klerk Wolters, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 10 augustus 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 juli 1999. Bij dit besluit is beslist op een bezwaarschrift van appellant.

Bij brief van 6 oktober 1999 zijn de gronden van het beroep aan het College gezonden.

Op 19 januari 2000 is een verweerschrift ingediend.

Op 22 december 2000 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Op 3 januari 2001 heeft het eerste onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht; appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn eerstvermelde gemachtigde.

Bij beschikking van 25 januari 2001 is het onderzoek heropend en is appellant verzocht zijn kaasboek over het jaar 1996 aan het College te doen toekomen.

Op 7 februari 2001 heeft appellant het kaasboek 1996 bij het College ingediend.

Bij brief van 6 maart 2001 heeft verweerder zijn reactie op bedoeld kaasboek aan het College gezonden.

Op 20 juni 2001 heeft het tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht; appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn als tweede vermelde gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 1, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 536/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 9 maart 1993 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (Pb. EG 1993, L 57) bepaalt, voorzover hier van belang:

" (…)

Voor kaas (…) kunnen de Lid-Staten hetzij de equivalenties bepalen op grond van het droge-stofgehalte en het vetgehalte van de betrokken kaasoorten (…), hetzij (…).

Indien de producent ten genoegen van de bevoegde autoriteiten de hoeveelheden kan aantonen welke werkelijk voor de vervaardiging van de betrokken produkten zijn gebruikt, baseert de Lid-Staat zich op die bewezen hoeveelheden in plaats van uit te gaan van de bovenbedoelde equivalenties."

Artikel 7 van de door het bestuur van verweerder vastgestelde Zuivelverordening 1994, Uitvoering regeling superheffing (PBO-blad 1994, nr. 26; hierna: de Zuivelverordening 1994) luidt, voorzover hier van belang:

" Met het oog op de vaststelling van de in een heffingsperiode geleverde en/of verkochte hoeveelheden melk geldt voor kaas de navolgende equivalentie:

a. 1 kg witte meikaas (…);

b. 1 kg boerenkaas 20+ (…);

c. 1 kg andere kaas dan genoemd onder a. en b. = 9.5 kg melk, tenzij ten genoegen van het produktschap kan worden aangetoond dat voor de bereiding van de desbetreffende kaas een andere hoeveelheid melk is gebruikt, in welk geval het produktschap zich op de bewezen hoeveelheid baseert, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, lid 2, laatste alinea van Verordening (EEG) nr. 536/93."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij formulier, gedagtekend 15 mei 1998, heeft appellant aan verweerders Centrale Organisatie Superheffing opgave gedaan van de rechtstreeks voor consumptie geleverde hoeveelheden melk en andere zuivelproducten in de heffingsperiode 1997/1998. Volgens deze opgave is 27.508 kg boerenkaas geleverd.

- Bij begeleidende brief van dezelfde datum heeft appellant verzocht als omrekeningsfactor van kaas naar melk niet de gebruikelijke factor 9,5 maar 8,5 te hanteren, in verband met de zeer hoge gehaltes vet en eiwit van de ter verwerking tot kaas gebruikte melk. Bij deze brief heeft appellante een overzicht gevoegd met resultaten van een analyse door het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel te Leusden (COKZ) van acht monsternemingen op tijdstippen in 1997.

- Bij brief van 12 juni 1998 heeft verweerder bericht vooralsnog de vaste omrekeningsfactor van 9,5 te hanteren. Indien kan worden aangetoond dat voor de bereiding van de kaas een andere hoeveelheid melk is gebruikt dan de met inachtneming van deze factor te berekenen hoeveelheid, dan zal van deze andere hoeveelheid worden uitgegaan. Om zulks aan te tonen moeten een kopie van het kaasboek, analyseresultaten van het COKZ en overzichten van het melkcontrolestation te worden overgelegd, aldus de brief van 12 juni 1998.

- Eveneens gedagtekend 12 juni 1998 heeft verweerder aan appellant bericht dat hij voor de heffingsperiode 1997/1998 een geleverde hoeveelheid melkequivalent van 261.326 kg heeft geregistreerd, te weten 9,5 maal 27.508 kg. Deze hoeveelheid wordt, na vermindering in verband met aangekochte melk, gesteld op 258.576 kg.

- In een op 23 juli 1997 gestempelde envelop heeft appellant een kopie van het kaasboek 1997/1998 en een jaaroverzicht van het Koninklijk Nederlands Rundveesyndicaat over de periode van 17 augustus 1996 tot 21 augustus 1997 aan verweerder doen toekomen alsmede, opnieuw, eerdervermeld overzicht van het COKZ. De aldus ingediende stukken zijn door verweerder aangemerkt als bezwaar tegen het besluit de vaste omrekeningsfactor van 9,5 te hanteren.

- Bij nota van 27 juli 1998 heeft verweerder aan appellant over de heffingsperiode 1997/1998 fl. 11.863,19 aan verschuldigde superheffing in rekening gebracht, uitgaande van een levering van 258.576 kg melkequivalent en een inningvrije hoeveelheid van 243.665 kg.

- Bij brief van 26 augustus 1998 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de nota van 27 juli 1998, onder verwijzing naar de door hem op 23 juli 1997 aan verweerder toegezonden stukken.

- Op 27 mei 1999 hebben appellant en zijn gemachtigde de ingediende bezwaren toegelicht op een hoorzitting ten kantore van verweerder. Bij deze gelegenheid heeft appellant een stuk overgelegd, opgesteld door H. Oosterhuis van het IKC Landbouw te Ede, waarin deze op basis van - eveneens door appellant overgelegde - melkcontrole-uitslagen op vijftien data in de heffingsperiode 1998/1999, de werkelijke omrekeningsfactor voor het bedrijf van appellant "indicatief" berekent, met als uitkomst 8,9.

- Ter hoorzitting zijn tevens overzichten overgelegd met resultaten van een analyse door het COKZ van zeven monsternemingen op tijdstippen in 1998 en twee monsternemingen in 1999.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe overwogen:

" Het bezwaar richt zich tegen de berekening van het melkequivalent van de leveringen rechtstreeks voor consumptie, dat in aanmerking is genomen voor

de vaststelling van de door uw cliënt in de heffingsperiode 1997/98 verschuldigde superheffing.

Volgens het opgaveformulier is in de betrokken heffingsperiode uitsluitend kaas geleverd. De kaas behoort tot de categorie 'boerenkaas' (andere kaas dan witte meikaas en boerenkaas 20+).

Na beoordeling van de overgelegde stukken komen wij tot de conclusie dat niet is aangetoond dat voor de bereiding van de betreffende kaas een lagere hoeveelheid melk is gebruikt dan bij toepassing van de in de productschapsverordening voor deze kaas voorgeschreven forfaitaire omrekeningsfactor van 9,5.

Wij merken daarbij op dat de hoeveelheid verkaasde melk, volgens de gegevens in het kaasboek, zelfs hoger is dan het met de factor 9,5 berekende melkequivalent van de door uw cliënt opgegeven leveringen in 1997/1998."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samenvattend weergegeven - in zijn brief van 6 oktober 1999 het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Onduidelijk is welke stukken verweerder heeft beoordeeld, wat bij de beoordeling een rol speelde en waarom de beoordeling leidde tot de bestreden beslissing.

Met het kaasboek, de analyseresultaten van het COKZ en de melkcontrole-overzichten wordt aangetoond dat appellant voor een gunstiger melkequivalentie in aanmerking komt.

Verweerder gaat met geen woord in op het rapport van H. Oosterhuis van het IKC Landbouw.

Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant op 22 december 2000 de volgende stukken ingediend: jaaroverzichten van het Koninklijk Nederlands Rundveesyndicaat over de periodes van 21 augustus 1997 tot 22 augustus 1998,

22 augustus 1998 tot 14 augustus 1999 en 14 augustus 1999 tot 24 augustus 2000; een overzicht met resultaten van een analyse door het COKZ van acht monsternemingen in 1999; een overzicht met analyses van kaas die is bemonsterd op zeven data in 2000, een "overzicht dagopbrengsten grote kazen" met gegevens die betrekking hebben op 9 december 1998, 27 januari 1999 en twaalf data in 2000 ; een berekening van het indroogpercentage van een 16 kilo-kaas.

Ter zitting heeft appellant benadrukt dat hij zijn kaas oud verkoopt, zodat meer indroging plaatsvindt dan het geval is bij jonger verkochte kazen. Voorts is, onder toning van foto's, betoogd dat een grote, in omvang toenemende, voorraad kaas op het bedrijf van appellant aanwezig is.

5. De beoordeling van het geschil

In het bestreden besluit is overeenkomstig opgave van appellant aangenomen dat in de heffingsperiode 1997/1998 27.508 kg boerenkaas rechtstreeks voor consumptie is geleverd.

In geschil is welke hoeveelheid melkequivalent deze hoeveelheid kaas vertegenwoordigt.

Ingevolge artikel 7 van de Zuivelverordening 1994 dient als regel voor elke kilogram kaas van de door appellant geproduceerde soort 9,5 kg melk in aanmerking te worden genomen. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien ten genoegen van verweerder wordt aangetoond dat voor de bereiding van de desbetreffende kaas een andere hoeveelheid melk is gebruikt dan voortvloeit uit toepassing van de als hoofdregel te hanteren factor. Alsdan dient verweerder zich te baseren op de bewezen (andere) hoeveelheid.

Het voorgaande brengt met zich dat verweerder het verzoek van appellant om toepassing van een andere omrekeningsfactor slechts zou hebben kunnen honoreren, indien appellant aantoonde dat voor de productie van de in de heffingsperiode 1997/1998 verkochte 27.508 kg kaas in werkelijkheid minder dan 261.326 kg (namelijk: 9,5 maal 27.508 kg) melk is gebruikt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant zulks niet heeft aangetoond. Het College deelt dit oordeel en overweegt hiertoe als volgt.

In het door hem bijgehouden kaasboek vermeldt appellant (in liters) de hoeveelheden verkaasde melk. Gedurende het tijdvak dat overeenkomt met de heffingsperiode 1997/1998 heeft appellant volgens zijn kaasboek 330.175 liter melk, overeenkomend met 340.080 kg melk, verkaasd. Deze hoeveelheid is aanzienlijk groter dan de door verweerder in aanmerking genomen hoeveelheid van 261.326 kg en vormt dus zeker geen aanwijzing dat minder dan laatstbedoelde hoeveelheid is gebruikt.

Na heropening van het onderzoek is het kaasboek over 1996 in geding gebracht. Volgens dit boek is gedurende dit jaar circa 329.000 kg melk verkaasd. Deze hoeveelheid komt vrijwel overeen met de hoeveelheid die in de heffingsperiode 1997/1998 gedurende een tijdvak van dezelfde omvang is verkaasd. Voor de op zichzelf niet volledig ondenkbare mogelijkheid dat de in de heffingsperiode 1997/1998 verkochte kaas gedeeltelijk voorafgaand aan deze periode zou zijn vervaardigd uit een hoeveelheid melk die geringer is dan het kaasboek 1997/1998 doet vermoeden, valt dus in ieder geval aan het kaasboek 1996 geen enkel aanknopingspunt te ontlenen.

Dat appellant een grote, in omvang toenemende, voorraad kaas op zijn bedrijf zou hebben, is evenmin een omstandigheid die noopt tot de gevolgtrekking dat het oordeel van verweerder onjuist is. Bovendien: indien het zo zou zijn dat een zodanige (toenemende) voorraadvorming optreedt, dat hiermee valt te onderbouwen dat appellant minder dan de in aanmerking genomen hoeveelheid melk heeft gebruikt voor de productie van de 27.508 kg kaas, dan ligt het op zijn weg om hiervan een nauwkeurige boekhouding bij te houden en mede aan de hand van deze boekhouding beredeneerd en navolgbaar aan te geven welke hoeveelheid melk in werkelijkheid is gebruikt. Zodanige boekhouding is niet overgelegd. Het tonen van foto's met kazen heeft het College overigens niet kunnen overtuigen van toenemende voorraad.

Alle overigens door appellant in de verschillende stadia van de procedure ingediende stukken verschaffen geen inzicht in de werkelijk ter vervaardiging van de in de heffingsperiode 1997/1998 verkochte kaas gebruikte hoeveelheid melk en kunnen daarom niet strekken tot het ingevolge de geldende regels vereiste bewijs.

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr H.G. Lubberdink en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2001.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas