ECLI:NL:CBB:2001:AB3016
public
2015-11-11T18:44:41
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB3016
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-07-13
AWB 01/401
Voorlopige voorziening
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB3016
public
2013-04-04T16:33:29
2001-08-02
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB3016 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 13-07-2001 / AWB 01/401

-

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/401 13 juli 2001

29020

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1. A, te B,

2. C, gevestigd te D, verzoeksters,

gemachtigde: mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam,

tegen

de burgemeester van de gemeente Bussum, verweerder,

gemachtigden: mr R. Samkalden en mr C.N.J. Kortmann, advocaten te Amsterdam,

Aan dit geding neemt tevens deel:

E, gevestigd te F,

gemachtigde: mr M.B.P. Geeraedts, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1. De procedure

Bij besluit van 25 april 2001 heeft verweerder op basis van de Verordening speelautomatenhallen Bussum aan E een vergunning verleend voor het houden van een speelautomatenhal aan het adres G te Bussum.

Bij brief van 18 mei 2001 is door verzoeksters bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Verzoeksters hebben zich op 18 mei 2001 tot de president van het College gewend met het verzoek bij wege van voorlopige voorziening bovengenoemd besluit van verweerder van

25 april 2001 te schorsen.

Op 11 juni 2001 heeft verweerder schriftelijk op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd, waarbij verweerder op 15 juni 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken bij het College heeft ingediend.

Bij brief van 29 juni 2001 heeft de president verzoeksters verzocht - in ieder geval ter zitting van de president - het spoedeisend belang van verzoeksters bij de gevraagde voorlopige voorziening nader te onderbouwen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is door de president behandeld ter zitting van

5 juli 2001, alwaar partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten nader toe te lichten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Verordening speelautomatenhallen Bussum van 14 december 2000 (hierna: de Verordening) is onder meer het navolgende bepaald:

" artikel 2 vergunningplicht

a. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te houden.

b. De burgemeester kan voor het houden van een speelautomatenhal vergunning verlenen, wanneer de betreffende speelautomatenhal is gelegen in het gebied dat is aangeduid op de aan deze verordening gehechte kaart, die daarvan deel uitmaakt.

c. Het maximaal aantal te verlenen vergunningen op grond van deze verordening wordt bepaald op één."

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de feiten en omstandigheden die zijn weergegeven in rubriek 2.2 van de, partijen bekende, uitspraak van de president in de zaak nr Awb 01/435, en voorts van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoekster sub 1 exploiteert aan het adres H te Bussum een eetcafé, althans het is aan verzoeksters sub 1 op basis van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan deze inrichting anders te exploiteren dan als een eetcafé.

- Deze horeca-inrichting is gelegen buiten het gebied als omschreven in artikel 2, onder b, van de Verordening.

- Bij besluit van 14 december 2001 heeft de gemeenteraad van de gemeente Bussum op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de kansspelen de Verordening speelautomatenhallen Bussum vastgesteld.

- Bij besluit van 25 april 2001 heeft verweerder aan E een vergunning verleend voor het houden van een speelautomatenhal aan het adres G te Bussum.

- Bij brief van 18 mei 2000 is door verzoeksters tegen laatstgenoemd besluit bezwaar gemaakt.

- Op 23 mei 2001 hebben verzoeksters bij het College beroep ingesteld tegen het besluit van 25 april 2001 van de gemeenteraad van de gemeente Bussum, bij welk besluit het door verzoekster sub 1 ingediende bezwaar, gericht tegen de vaststelling van de Verordening speelautomatenhallen Bussum, niet ontvankelijk is verklaard.

- Op 3 juli 2001 is in het kader van deze procedure door verzoeksters een nog productie overgelegd, betreffende een brief van 3 juli 2001, inhoudende de gronden van een bezwaarschrift, welk bezwaar blijkens deze brief is gericht tegen het besluit van 25 april 2001 van de burgemeester van Bussum, bij welk besluit de aanvraag van verzoeksters om een exploitatievergunning op grond van de verordening

niet-ontvankelijk is verklaard.

3. De standpunten van partijen

Partijen hebben in het kader van het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening dezelfde argumenten aangevoerd als in de zaak no Awb 01/435, waarin de president bij uitspraak van heden op een ander verzoek om voorlopige voorziening van dezelfde partijen heeft beslist. Die argumenten zijn aldaar in de rubrieken 3, 4 en 5 weergegeven. Deze argumenten moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Daarnaast zijn nog enkele argumenten genoemd, die in het kader van de navolgende beoordeling zullen worden weergegeven.

4. De beoordeling van het geschil

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Verzoeksters hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een spoedeisend belang. Op de aanvraag van verzoeksters om een exploitatievergunning op grond van de verordening is nog niet onherroepelijk beslist. Schorsing van het besluit tot vergunningverlening aan E laat de eventuele aanspraken van verzoeksters op het alsnog verkrijgen van een dergelijke vergunning in stand. Op basis van de verordening kan immers slechts één vergunning kan worden verleend. Hierbij komt dat de huidige horeca-inrichting van verzoekster sub 1 met sluiting wordt bedreigd.

De president ziet in hetgeen aldus naar voren is gebracht onvoldoende grond voor het treffen van enige voorlopige voorziening.

De president overweegt daartoe dat naar voorlopig oordeel bij schorsing van het besluit tot vergunningverlening aan E voor verzoeksters stellig niet zonder meer de mogelijkheid om ontstaat om de exploitatie van een speelautomatenhal ter hand te nemen.

Bij deze stand van zaken kan naar voorlopig oordeel slechts aanleiding bestaan tot het treffen van de gevraagde voorziening, indien het besluit waarvan schorsing wordt gevraagd onmiskenbaar onrechtmatig is. Tussen partijen is - zo is ter zitting bevestigd - evenwel niet in geschil dat de onderhavige vergunning conform de Verordening aan E is verleend. Door verzoeksters wordt rechtmatigheid van dit besluit echter bestreden op grond van de overweging dat de daaraan ten grondslag liggende verordening (gedeeltelijk) onverbindend is. Hiervan is naar voorlopig oordeel van de president evenwel geen sprake. Voor de overwegingen welke hem tot dat voorlopige oordeel hebben geleid verwijst de president allereerst naar zijn meergenoemde uitspraak in de zaak no Awb 01/435, waarin is uiteengezet waarom naar zijn oordeel de Verordening, anders dan verzoeksters betogen, wel degelijk is aan te merken als een algemeen verbindende regeling.

Ten aanzien van verzoeksters betoog dat de Verordening onverbindend zou zijn wegens strijd met bepaalde algemene rechtsbeginselen stelt de president voorop, dat de door hen opgeworpen vragen in beginsel buiten het bereik van deze procedure vallen, tenzij voetstoots zou moeten worden aangenomen dat het besluit, waarvan schorsing wordt gevraagd, wegens bedoelde onverbindheid niet in stand zal blijven. Daarvan is evenwel geen sprake.

Door verzoeksters is dienaangaande gesteld dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan alvorens het gebied als omschreven in artikel 2, onder b, van de Verordening vast te stellen en aldus niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. Dit kan evenwel naar voorlopige oordeel niet tot de conclusie leiden dat de Verordening onmiskenbaar onverbindend is.

Meer in het bijzonder ziet de president, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting geen plaats voor het oordeel dat die voorbereiding zodanig is geweest, dat de raad kennelijk niet in redelijkheid tot deze gebiedsaanwijzing heeft kunnen komen. Blijkens de toelichting van verweerder valt het bij de Verordening aangewezen gebied samen met het reeds op grond van de APV geldende horecaconcentratiegebied rond het station. Een dergelijke samenval kan naar voorlopig oordeel, gelet op de aard van de betrokken inrichting, niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd.

Door verzoeksters is verder gesteld dat zij niet op dezelfde voet als E in de gelegenheid zijn gesteld om met verweerder te onderhandelen over de vestiging van een speelautomatenhal. Zij achten dit in strijd met het 'fair-play'- beginsel.

Van onrechtmatigheid in verweerders besluitvorming, welke vooraf is gegaan aan de vaststelling van de Verordening, zo deze al zou kunnen leiden tot het oordeel dat die Verordening zelf verbindende kracht moet worden ontzegd, is naar voorlopig oordeel geen sprake.

Blijkens de stukken heeft bij verweerder reeds in een vroeg stadium een voorkeur heeft bestaan voor E als kandidaat-begunstigde voor een te verlenen vergunning voor het houden van een speelautomatenhal. Verweerder heeft de mogelijke vestiging van een speelautomatenhal en de samenwerking met E middels een persbericht in een vroeg stadium bekend gemaakt. Verzoeksters zijn in de gelegenheid geweest verweerder met een gelijksoortig aanbod te benaderen. Verzoekster sub 1 heeft dat bij brief van 5 juli 2000 ook gedaan. Niet valt in te zien dat verweerder bij de beoordeling van de wenselijkheid van de vestiging van een speelautomatenhal niet tevens acht zou mogen slaan op het totaal scala aan de bestaande horeca- en uitgaansgelegenheden binnen de gemeente. Indien door vestiging van een speelautomatenhal het totaal van deze horeca- en uitgaansgelegenheden zodanig zou kunnen worden ingericht dat daadoor minder overlast zou ontstaan van de directe leefomgeving is dat een belang dat verweerder, naar voorlopig oordeel van de president, in mijn besluitvorming mag betrekken.

De slotsom is dat het verzoek moet worden afgewezen. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de president geen aanleiding.

5. De beslissing

De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af:

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, fungerend president, in tegenwoordigheid van

mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. mr R.P.H. Rozenbrand