ECLI:NL:CBB:2001:AB3177
public
2015-11-12T00:21:09
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AB3177
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-07-31
AWB 01/455
Voorlopige voorziening
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB3177
public
2013-04-04T16:34:12
2001-08-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AB3177 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 31-07-2001 / AWB 01/455

-

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/455 31 juli 2001

26400

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorzieningen in de zaak van:

de gemeente Gorinchem, verzoekster,

gemachtigden: mr D.M.L. Krak en E. van Sprakelaar, beiden werkzaam bij verzoekster,

tegen

de Algemene directie voor de Arbeidsvoorziening, te Zoetermeer, verweerster,

gemachtigde: H. Donkervoort, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Bij besluit van 19 februari 2001 heeft verweerster het besluit van 18 mei 1999 van de Regionale Directie voor de Arbeidsvoorziening Rijnmond (hierna: Regionale Directie), strekkende tot vaststelling van de bij besluit van 9 februari 1998 door de Regionale Directie aan de gemeente Gorinchem toegekende subsidie uit het Europees Sociaal Fonds (hierna: ESF), ingetrokken, de subsidie voor het betreffende project vastgesteld op nihil en de ter zake van het project betaalde voorschotten ten bedrage van fl. 96.879,-- teruggevorderd.

Bij brief van 21 maart 2001 heeft verzoekster bij verweerster bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 februari 2001.

Bij brief en faxbericht van 13 juni 2001 heeft verzoekster zich tot de president van het College gewend met het verzoek het besluit van 19 februari 2001 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen voor zover daarbij de voor het project betaalde voorschotten worden teruggevorderd, verweerster te vragen de beslissing op het verzoek af te wachten alvorens tot invordering van bedoelde voorschotten over te gaan en verweerster op te dragen vóór 6 juli 2001 op het bezwaar van 21 maart 2001 te beslissen.

Bij brief en faxbericht van 28 juni 2001 heeft verzoekster de gronden van het verzoek aangevuld.

Bij brief van 13 juli 2001 heeft verweerster een reactie op het verzoek gegeven.

Toepassing gevend aan het bepaalde bij artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heeft de president besloten heden zonder zitting uitspraak te doen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 4:49 van de Awb wordt onder meer het volgende bepaald:

" 1. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of

c. indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

(…)."

De Arbeidsvoorzieningswet 1996 (hierna: de Wet) bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 3

De Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft tot doel het bevorderen van de aansluiting tussen vraag naar en aanbod van arbeidskrachten op de arbeidsmarkt, in het bijzonder door dienstverlening aan moeilijk plaatsbare werkzoekenden.

Artikel 81

1. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan subsidie verstrekken voor activiteiten die strekken tot verwezenlijking van het in artikel 3 genoemde doel.

(…)

Artikel 93

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit, met uitzondering van een besluit genomen op grond van artikel 4, tweede lid, 42 en 81a, kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorzieningen gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Door middel van een op 11 november 1997 gedagtekend formulier heeft verzoekster bij de Regionale Directie een aanvraag ingediend om subsidie uit het ESF voor het project "Stadswachten Heerenwaard" over het jaar 1998.

- Bij besluit van 9 februari 1998 heeft de Regionale Directie voormelde aanvraag ingewilligd, waarbij het maximale subsidiebedrag is bepaald op fl. 193.758,--.

- Na ontvangst van een declaratie met betrekking tot het project "Stadswachten Heerenwaard" heeft de Regionale Directie de subsidie voor dit project bij besluit van 18 mei 1999 vastgesteld op fl. 139.680,14. Dit besluit bevat onder meer de volgende passage:

" Aangezien de door u ingediende declaratie onderwerp zal uitmaken van controle door de afdeling Interne Controle van de Algemene Directie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft deze subsidievaststelling een voorwaardelijk karakter. Hiermee is uitdrukkelijk beoogd dat gebreken en of onvolledigheden welke mochten blijken bij die controle tot verval van de subsidievaststelling kunnen leiden."

- Op 28 december 1999 heeft het externe controleteam van Arbeidsvoorziening Nederland rapport uitgebracht over zijn controle van de administratie van het project "Stadswachten Heerenwaard". Bij brief van 28 januari 2000 heeft de Arbeidsvoorziening, ESF Nederland, Cluster Zuid-West, dit rapport aan verzoekster doen toekomen en haar verzocht hierop te reageren. Bij brief van 29 februari 2000 heeft verzoekster gereageerd op het rapport van 28 december 2000.

- Op 16 mei 2000 heeft het Team Interne Controle/Operational Audit van Arbeidsvoorziening Nederland rapport uitgebracht over zijn controle van de einddeclaratie van het project "Stadswachten Heerenwaard". Bij brief van 6 juli 2000 heeft de Arbeidsvoorziening, ESF Nederland, Service eenheid Zuid-West, dit rapport aan verzoekster doen toekomen en haar verzocht hierop te reageren. Bij brief van 27 juli 2000 heeft verzoekster gereageerd op het rapport van 16 mei 2000.

- Vervolgens heeft verweerster het besluit van 19 februari 2001 genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in.

Het besluit van 18 mei 1999 tot verlening van subsidie uit het ESF voor het project "Stadswachten Heerenwaard" wordt ingetrokken. De subsidie voor dit project wordt vastgesteld op nihil.

Artikel 4:49 van de Awb bepaalt dat een besluit tot subsidievaststelling onder meer kan worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger gewijzigd op grond van feiten en omstandigheden waarvan het bestuursorgaan - in casu Arbeidsvoorziening - bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn. Eveneens kan een dergelijk besluit worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger gewijzigd indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.

Voor de motivering in concreto van het besluit tot het intrekken of lager vaststellen van de subsidie wordt verwezen naar de bij brief van 6 juli 2000 toegezonden rapportage.

De ter zake van het project betaalde voorschotten ten bedrage van fl. 96.879,-- worden teruggevorderd. Dit bedrag dient binnen vier weken na bekendmaking van dit besluit te worden terugbetaald.

4. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende aangevoerd ter onderbouwing van haar verzoek.

In het besluit van 19 februari 2001 wordt op geen enkele wijze inhoudelijk ingegaan op de uitgebreide schriftelijke reactie van 29 februari 2000 en 27 juli 2000 van verzoekster op de rapporten van 28 december 1999 en 16 mei 2000. Ook overigens heeft verzoekster nimmer een reactie ontvangen op haar brieven van 29 februari 2000 en 27 juli 2000. In het besluit van 19 februari 2001 wordt slechts melding gemaakt van een brief van 6 juli 2000. Door deze gang van zaken is onduidelijk welke overwegingen ten grondslag hebben gelegen aan dit besluit en of verweerster de brieven van 29 februari 2000 en 27 juli 2000 van verzoekster heeft ontvangen en meegewogen bij de totstandkoming van het besluit van 19 februari 2001, hetgeen in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Niet is gebleken dat de gemeente Gorinchem onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verstrekt en dat de subsidie bij juiste of volledige informatie niet zou zijn verleend.

Blijkens de brief van 1 mei 2001 van verweerster zal het nog geruime tijd duren voordat een beslissing op het bezwaar van 21 maart 2001 wordt genomen. Verweerster heeft bovendien geen belang bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het besluit van 19 februari 2001.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

5.2 In het voetspoor van eerdere uitspraken overweegt de president in de eerste plaats dat in beginsel slechts aanleiding kan zijn tot het treffen van (een) voorlopige voorzieningen(en) in een zaak als de onderhavige, waar het gaat om een financieel belang als de (terug)betaling van een geldsom, indien, ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht, ernstig dient te worden betwijfeld of de (terug)vordering van het betreffende bedrag juist is en bovendien door verzoekster wordt gewezen op feiten en omstandigheden die meebrengen dat haar belang vordert dat het verzoek om schorsing van de terugbetalingsverplichting bij wege van onverwijlde voorziening(en) bij voorraad wordt ingewilligd.

Naar het oordeel van de president is van een situatie als geschetst in de voorgaande alinea in het onderhavige geval geen sprake, reeds nu verzoekster geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan zij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij het toestaan van een uitzondering op artikel 6:16 van de Awb. De stelling van verzoekster dat verweerster geen belang heeft bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het besluit van 19 februari 2001 is in dit verband niet voldoende. Deze stelling miskent immers dat, blijkens artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, bij de beantwoording van de vraag of een verzoek om (een) voorlopige voorziening(en) voor toewijzing in aanmerking komt, niet in de eerste plaats van betekenis is of verweerster er belang bij heeft dat de werking van het aangevallen besluit niet wordt geschorst.

Ook overigens wordt naar voorlopig oordeel niet voldaan aan het hierboven omschreven criterium voor het treffen van (een) voorlopige voorziening(en), nu de president uit de stukken niet, althans onvoldoende, is gebleken van feiten of omstandigheden die reeds op voorhand ernstige twijfel doen rijzen aan de rechtmatigheid van het besluit waarvan schorsing is verzocht. Met name ontbreken concrete, duidelijke, aanwijzingen die zouden moeten leiden tot het voorlopige oordeel dat de aan het aangevallen besluit ten grondslag gelegde rapportage zodanig gebrekkig of lacuneus is, dat deze rapportage niet als grondslag voor dat besluit zou kunnen dienen. Evenmin zijn er aanknopingspunten te vinden die erop wijzen dat verweerster bij de - onder voorbehoud verrichte - vaststelling van de subsidie reeds wist of kon weten dat door verzoekster verschafte gegevens onjuist waren.

Het standpunt van verzoekster dat dit besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en onzorgvuldig is totstandgekomen, brengt het treffen van (een) voorlopige voorziening(en) hier op zichzelf niet dichterbij. Al aangenomen immers dat op die punten gebreken aan het aangevallen besluit zouden kleven, dan kunnen die in het besluit op bezwaar worden hersteld, terwijl er thans onvoldoende aanwijzingen zijn die nu reeds waarschijnlijk maken dat herstel van deze eventuele gebreken tot een voor verzoekster materieel gunstig resultaat zou leiden.

5.3 Het vorenstaande brengt de president tot het oordeel dat het verzoek om voorlopige voorzieningen kennelijk ongegrond is, zodat de gevraagde voorzieningen niet worden getroffen.

De president acht geen termen aanwezig één der partijen onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken.

Toepassing gevend aan het bepaalde bij artikel 8:83, derde lid, van de Awb wordt beslist als volgt.

6. De beslissing

De president wijst het verzoek om voorlopige voorzieningen af:

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van

mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2001.

w.g. R.R. Winter w.g. B. van Velzen