ECLI:NL:CBB:2001:AD3524
public
2015-11-12T15:07:54
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AD3524
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-09-12
96/0076/060/013 en 96/0090/060/013
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AD3524
public
2013-04-04T17:15:06
2001-09-17
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AD3524 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 12-09-2001 / 96/0076/060/013 en 96/0090/060/013

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. 96/0076/060/013 en 96/0090/060/013 12 september 2001

Uitspraak in de zaken van:

Internationale Controle Maatschappij (I.C.M.) B.V., te Spijkenisse appellante,

gemachtigden: mr R.G.A. Tusveld en mr G.J. van Slooten, werkzaam bij PricewaterhouseCoopers N.V.,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: aanvankelijk mr A.A. Kop, later J.W.J. Swinkels, beiden werkzaam bij de Belastingdienst/Douane district Rotterdam.

1. De procedure

Bij afzonderlijke besluiten van 13 december 1995 heeft de Belastingdienst/Douane district Rotterdam namens verweerder de bezwaren van appellante tegen de aan haar op 17 maart 1995 en op 10 april 1995 gezonden uitnodigingen tot betaling van fl. 51.093,90 onderscheidenlijk fl. 52.578,40 aan landbouwheffing, ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijke op 23 januari 1996 ter griffie ontvangen en later nader aangevulde beroepschriften heeft appellante tegen de besluiten van 13 december 1995 beroep ingesteld bij het College.

Verweerder heeft op 14 oktober 1996 in de afzonderlijke zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 1997 en is vervolgens geschorst.

Bij memories van 22 augustus 2000 en 27 december 2000 hebben verweerder respectievelijk appellante zich uitgelaten over een door het College aan hen voorgelegde vraag.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 20 juni 2001, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nog nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De artikelen 203, 204 en 215 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) luidden, ten tijde hier van belang, als volgt:

" Artikel 203

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.

3. Schuldenaren zijn:

- de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;

- de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken;

- de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken;

- alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.

Artikel 204

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst of,

b) indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,

in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.

2. De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze regeling of of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzonder bestemming van de goederen, niet is voldaan.

3. Schuldenaar is de persoon die, naar gelang van het geval, hetzij de verplichtingen moet nakomen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst, hetzij de aan de plaatsing van de goederen onder de regeling verbonden voorwaarden in acht moet nemen.

Artikel 215

1. De douaneschuld ontstaat op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot het ontstaan van deze schuld leiden.

2. Indien de in lid 1 bedoelde plaats niet kan worden bepaald, wordt de douane-schuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de douaneautoriteiten vaststellen dat de goederen zich in een situatie bevinden die tot het ontstaan van een douaneschuld heeft geleid.

3. Indien een douaneregeling voor bepaalde goederen niet is beëindigd, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan:

- op de plaats waar de goederen onder de regeling zijn geplaatst, of

- op de plaats waar de goederen de Gemeenschap onder de betrokken regeling zijn binnengekomen."

De artikelen 378 en 379 van de Verordening nr. 2454/93 van de Commissie, inhoudende de bepalingen voor de toepassing van het CDW (hierna ook: TCDW) luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

" Artikel 378

1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid, onverminderd artikel 215 van het Wetboek, geacht te zijn begaan:

- in de Lid-Staat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert, of

- in de Lid-Staat waaronder het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de Gemeenschap ressorteert en waaraan een kennisgeving van doorgang is afgegeven,

tenzij, binnen een nader te bepalen termijn als voorzien in artikel 379, lid 2, ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.

2. Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de Lid-Staat van vertrek of in de Lid-Staat van binnenkomst als bedoeld in lid 1, eerste alinea, tweede streepje, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze Lid-Staat volgens de communautaire of nationale bepalingen geïnd.

3. Indien, binnen drie jaar na geldigmaking van de aangifte T1, kan worden vastgesteld in welke Lid-Staat de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, gaat deze Lid-Staat overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen over tot de inning van de rechten en heffingen op de betrokken goederen (met uitzondering van die welke overeenkomstig de tweede alinea als eigen middelen van de Gemeenschap werden geïnd). De aanvankelijk geïnde rechten en heffingen worden terugbetaald (met uitzondering van die welke als eigen middelen van de Gemeenschap werden geïnd) zodra het bewijs van deze inning is geleverd.

4. De zekerheid die ten behoeve van het communautair douanevervoer werd gesteld, wordt eerst vrijgegeven na afloop van voornoemde termijn van drie jaar, of eventueel na betaling van de rechten en heffingen die van toepassing zijn in de Lid-Staat waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en onregelmatigheden te bestrijden en daar doeltreffende sancties op te stellen.

Artikel 379

1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.

2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde Lid-Staat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze Lid-Staat niet de Lid-Staat is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze Lid-Staat daarvan onverwijld in kennis."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 24 januari 1994 heeft appellante aangifte gedaan voor extern communautair douanevervoer met als kantoor van bestemming Aalsmeer van 660 zakken mager melkpoeder afkomstig uit Estland met een nettogewicht van 16.500 kg.

- Voor voormelde aangifte van appellante is een zogenoemd T1-document afgegeven met nummer 8101477.

- Op 17 februari 1994 heeft appellante aangifte gedaan voor extern communautair douanevervoer met als kantoor van bestemming Amsterdam van 679 zakken mager melkpoeder afkomstig uit Estland met een netto-gewicht van 16.975 kg.

- Voor deze aangifte van appellante is een T1-document met nummer 8103306 afgegeven.

- Bij brief van 10 augustus 1994 met als onderwerp "Mededeling betreffende een niet gezuiverd document" heeft de Belastingdienst/Douane post Kerkrade appellante het volgende meegedeeld:

" Op 24-01-94 is te Rotterdam onder nummer 8101477 op uw naam afgegeven een document ED-T1.

Van dit document is het zuiveringsexemplaar nog niet terugontvangen.

(…)

In verband hiermee kan het document (nog) niet als gezuiverd worden aangemerkt, hetgeen verschuldigdheid van belasting en/of andere heffingen alsmede het belopen van een administratieve boete tot gevolg heeft .

Indien u (inmiddels) over gegevens beschikt aan de hand waarvan u meent te kunnen aantonen dat de goederen hun in het document vermelde bestemming hebben gevolgd of teloor zijn gegaan, stel ik u in de gelegenheid mij deze binnen drie maanden na heden onder verwijzing naar datum en nummer van deze mededeling toe te zenden."

- Door appellante is op deze mededeling niet gereageerd.

- Op 29 december 1994 heeft de Belastingdienst/Douane post Kerkrade ter zake van T1-document 8103306 een uitdrukkelijk als zodanig aangeduide kennisgeving op grond van artikel 379 TCDW gezonden van de navolgende inhoud:

" Op febr 94 werd te Rotterdam onder nummer T1-8103306 op uw naam een document ED-T afgegeven.

Aangezien tot nu toe nog niet is gebleken dat de goederen op het door u genoemde kantoor van bestemming werden aangebracht, stel ik u op grond van artikel 379 van de Toepassingsverordening C.D.W., ervan in kennis dat het document ED-T nog niet als afgedaan kan worden beschouwd.

Ik stel u in de gelegenheid om binnen 3 maanden na heden, onder verwijzing naar kenmerk en datum van deze mededeling, alsnog het bewijs van regelmatigheid van het douanevervoer te leveren of mij de plaats mee te delen waar de goederen daadwerkelijk werden aangebracht.

Met de volgende bewijsmiddelen kan de rechtmatigheid van het douanevervoer aangetoond worden:

- een door de douane gewaarmerkt document (lees: verklaring) waaruit blijkt dat de goederen op het kantoor van bestemming of bij een toegelaten geadresseerde zijn aangeboden. Dit document moet een gedetailleerde omschrijving van de goederen bevatten, of;

- een douanedocument of een gewaarmerkte kopie daarvan waarmee de goederen in het vrije verkeer van een derde land zijn gebracht.

Dit document moet een gedetailleerde omschrijving van de goederen bevatten.

Indien dit bewijs na het verlopen van eerder genoemde termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde Lidstaat over tot de invordering van het bedrag over rechten en andere heffingen dat verschuldigd is."

- Op deze kennisgeving is door appellante niet gereageerd.

- Op 17 maart 1995 onderscheidenlijk 10 april 1995 heeft de Belastingdienst/Douane post Kerkrade appellante een uitnodiging tot betaling doen toekomen wegens niet-zuivering van voornoemde documenten T1. Daartegen heeft appellante bezwaar gemaakt. De motivering van de afzonderlijke bezwaarschriften is gelijkluidend, namelijk:

" Betreffende partij is afgeleverd op het volgende adres: Almagenajo Y Distribucion Transquela S.L., Pollgono "Can Masferrar", 08170 Montornes del Valles (Barcelona), v.r.v. de uiteindelijk koper, Comercial Vall Saberit S.L., C. Santa Anna II, 08500 VOC (Barcelona), die zoals het ernaar uitziet, de goederen niet op regelmatige wijze bij de douane heeft aangebracht.

Deze affaire is in onderzoek bij de F.I.O.D. te Amsterdam, die over alle correspondentie beschikt.Wij vragen u dan ook om in contact te treden met de heren N.P.J.J. Hemelaar en H. Huijser, beide Opsporingsambtenaar van de F.I.O.D. te Amsterdam (…)."

- Op 26 juli 1995 is appellante in verband met het gemaakte bezwaar door de Belastingdienst/Douane district Rotterdam gehoord.

In het verslag van de hoorzitting staat onder meer het volgende vermeld:

" Argumenten belanghebbende:

1.Vaststaat dat de goederen in Spanje zijn aangekomen. Dit blijkt uit de afgetekende vrachtbrieven. De documenten zijn door de Spaanse douane n.a.v. een huiszoeking bij de Spaanse ontvanger in beslaggenomen. Door ons kunnen geen verdere bewijsstukken worden overgelegd. Enkel aanwezig is een brief van de Spaanse autoriteiten waarin ons verder wordt opgedragen ons verder te onthouden van iedere inmenging in deze zaak.

(…)

2. Door ons is een onderzoek ingesteld en daaruit is gebleken dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de goederen in Spanje zijn. Echter de Spaanse autoriteiten willen ons niet verder helpen. De douane Nederland zal de nodige informatie wel van de Spaanse autoriteiten kunnen krijgen. Daar dit nog niet is gebeurd is het nog niet mogelijk nu al een uitspraak in het bezwaar te doen.

Op grond van deze informatie is tevens Nederland niet bevoegd om de verschuldigde belastingen in te vorderen.

Standpunt inspecteur (…):

In het kader van het communautair extern douanevervoer staan de verplichtingen van de titularis van het document vast. De gegevens waarmee belanghebbende op dit moment komt zijn onvoldoende om de documenten alsnog als gezuiverd aan te merken.

Ieder verband tussen de niet-gezuiverde documenten en de goederen die staan vermeld op het door belanghebbende overgelegde bewijsmateriaal ontbreekt. Een afgetekend CMR kan niet als bewijs van regelmatig aanbrengen dienen. Ook kan niet worden geconcludeerd dat op grond van de CMR-vrachtbrieven de invorderingsbevoegdheid aan Spanje toe moet komen.

Conclusie/afspraken/oplossingen:

1. Bij de FIOD zal worden geïnformeerd naar een rapport over hetgeen door belanghebbende wordt beweerd.

2. Overwogen zal worden om alsnog nadere informatie in te winnen bij de Spaanse autoriteiten.

(…)"

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

De bestreden besluiten houden onder meer het volgende in:

" Op 10-07-1995 is er een bespreking geweest tussen mij en ambtenaren van het Douane district Amsterdam. Zij hebben aangegeven dat er geen verband is te leggen tussen een bij hen lopende zaak betreffende de onregelmatige opslag van melkpoeder in een Entrepot dat daarvoor niet bevoegd was en de zendingen die toezien op de litigieuze T1-documenten waar u titularis van bent. Ook is bij navraag duidelijk geworden dat de FIOD vooralsnog geen onderzoek heeft lopen ten aanzien van de litigieuze melkpoeder.

Op 15-06-1995 is een afspraak met u gemaakt om u te horen in deze en andere, gelijksoortige zaken met betrekking tot de niet-zuivering van T1-documenten met melkpoeder.

Dit horen heeft op 26-07-1995 plaatsgevonden. Van dit horen is een verslag opgemaakt, waarvan een afschrift aan u is toegezonden. Kortheidshalve verwijs ik naar dit verslag.

Op 09-08-1995 geeft u schriftelijk enige aanvullingen op het verslag van het horen. U voegt daarbij een vertaling van een rapport dat door de Spaanse douaneautoriteiten is opgemaakt. In dit rapport wordt onder punt 2.3 gesteld dat de goederen en de documenten zijn aangeleverd in de magazijnen van Transquela S.A. te Spanje. Ik wijs er in dit verband op dat hier geen sprake is van aanbrengen in de zin van de wet, zoals ik dit hierboven heb aangegeven.

Op 01-09-1995 heb ik, naar aanleiding van de gemaakte afspraak tijdens het horen, een brief gezonden aan de Spaanse douaneautoriteiten met een aantal specifieke vragen aangaande de litigieuze documenten. Op 16-11-1995 ontving ik een antwoord op mijn brief, gedateerd 15-11-1995. Na vertaling blijkt daaruit het volgende:

Ik citeer:

"

1. De Spaanse autoriteiten hebben geen aktie tot invordering ondernomen, in

overeenstemming met het gespecificeerde artikel 378 lid 3 van de Toepassingsverordening 2454/93.

2. De Spaanse douaneautoriteiten en de Spaanse Justitie hebben geen beslag gelegd op melkpoeder beschreven in de boven aangehaalde documenten communautair douanevervoer T1.

3. Dit Regionaal douanekantoor kan, in het licht van de in haar bezit zijnde bewijzen, administratief gezien geen procedure in gang zetten voor het innen van de ontdoken rechten."

Einde citaat.

Op 05-12-1995 heb ik telefonisch kontakt gehad met de heer Splietelhof van Cooper & Lybrand Belastingadviseurs die u in deze zaak terzijde staat. In dit gesprek heb ik nogmaals aangegeven dat ik geen reden vind, mede gelet op het hierboven beschrevene, om de bezwaarschriften toe te wijzen. Tevens heb ik gezegd dat het mijnerzijds niet zinvol is om bij de vervoerder nader bewijs op te vragen, waarmee kan worden aangetoond dat de goederen hun (geografische) bestemming hebben gevolgd. Ik heb dit gemotiveerd, wijzend op de wettelijke bepalingen omtrent het aanbrengen, als hierboven beschreven. Een afschrift van de hierboven genoemde correspondentie tussen mij en de Spaanse douaneautoriteiten zend ik op zijn verzoek separaat toe aan de heer Splietelof van Coopers & Lybrand Belastingadviseurs.

De heer Spietelhof heeft nog een fax toegezonden met een rapportage van de Commissie van de EU betreffende een onderzoek naar fraude. Hij vroeg mij om de inhoud van dit rapport mee te wegen in de afdoening van het bezwaarschrift. Deze rapportage is in algemene bewoordingen opgesteld, legt geen verband met de litigieuze documenten en is voor mij dan ook geen reden om een ander standpunt in te nemen. Dit temeer, gelet op het specifieke antwoord van de Spaanse douaneautoriteiten omtrent de litigieuze documenten, zoals hierboven gedeeltelijk geciteerd.

U heeft in dit geval geen bewijsmateriaal overgelegd waarmee is aangetoond dat de goederen en het document zijn aangeboden aan het kantoor van bestemming. De douaneschuld blijft dan ook in stand (artikel 204 Vo (EEG) nr. 2913/92 juncto artikel 114 Wet inzake de douane)."

Ter zitting van 20 juni 2001 heeft verweerder onder meer nog het volgende aangevoerd.

" Zuiveringsprocedure

Belanghebbende beroept zich op de procedure niet-zuivering zoals deze staat beschreven in het handboek douane. Nu deze procedure niet is gevolgd is belanghebbende van mening dat reeds op deze grond de uitnodiging tot betaling niet in stand kan blijven.

Met betrekking tot de niet gezuiverde T1 documenten merk ik op dat deze als plaats van bestemming Nederland hadden. De nasporingsprocedure kon zich daarom beperken tot Nederland. Enige tijd nadat de uitnodiging tot betaling was verzonden werd op grond van het FIOD onderzoek duidelijk dat de betreffende goederen mogelijk naar Spanje waren vervoerd. Ik verwijs hiervoor naar hetgeen ik onder de feiten heb vermeld. Een nasporingsonderzoek in Spanje was daarom tijdens de niet-zuiveringsprocedure niet aan de orde en is anders dan belanghebbende stelt daarom ook niet aan haar onthouden. Zoals belanghebbende zelf stelt heeft deze mij tijdens de zuiveringsprocedure niet op de hoogte gesteld van het lopende onderzoek bij de Spaanse douaneautoriteiten. De grond die belanghebbende daarvoor aanvoert kan mij niet worden tegengeworpen nu ik daarin geen partij was.

In de door belanghebbende aangehaalde instructie inzake de zuiveringsprocedure is aangegeven dat de beslissing over de zuivering en de bewaking van de diverse termijnen de verantwoordelijkheid blijft van de zuiveringsafdeling van het douanedistrict. De instructie is in beginsel bedoeld voor de gevallen dat het kantoor van bestemming in een andere lidstaat is gelegen. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat een afwijking van de genoemde instructie gerechtvaardigd is. Door de geconstateerde afwijking is belanghebbende bovendien naar mijn mening niet geschaad in haar belangen. De mededeling niet zuivering is in beide gevallen binnen de gestelde termijn aan belanghebbende verzonden. Ook is de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden gegeven als bedoeld in artikel 379, tweede lid van de Verordening (EEG) nr 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 (verder UCDW). Gedurende deze termijn heeft belanghebbende geen enkele mededeling gedaan omtrent de verblijfplaats van de goederen. In beide gevallen is de uitnodiging tot betaling pas verzonden na het verstrijken van deze termijn van drie maanden. Ik ben daarom van mening dat ik aan alle vereisten van artikel 379 UCDW heb voldaan.

Plaats van onttrekking aan het douanetoezicht

In mijn verweerschrift heb ik reeds uitgebreid uiteengezet waarom ik van mening ben dat de onttrekking aan het douanetoezicht in Nederland heeft plaatsgevonden. Ik wil hieraan nog toevoegen dat volgens de T1-documenten de plaats van bestemming in Nederland was gelegen. Reeds bij het vertrek uit Rotterdam stond echter voor de vervoerder vast dat de goederen niet naar de in Nederland gelegen plaats van bestemming zouden worden overgebracht. De vrachtbrieven CMR waren opgemaakt ook voor het vervoer naar Spanje. Mede op deze grond moet naar mijn mening worden aangenomen dat de onttrekking reeds in Nederland heeft plaatsgevonden. In Spanje heeft men het immers doen voorkomen dat de goederen reeds in het vrije verkeer van de EU waren. Dit blijkt uit het feit dat de goederen nimmer bij de douane werden aangebracht doch dat ze voor de heffing van de omzetbelasting werden aangegeven als intracommunautaire transacties. Ook uit deze feiten concludeer ik dat de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht reeds in Nederland heeft plaatsgevonden.

De stelling van belanghebbende dat er geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 378, tweede lid UCDW kan ik niet volgen. Gedurende de termijn van 3 maanden welke in de mededeling niet zuivering is gegeven heeft belanghebbende geen bewijzen aangedragen dat de onregelmatigheid in een andere lidstaat heeft plaatsgevonden. Zoals ik onder de feiten heb verwoord zijn mij gedurende deze termijn ook geen andere feiten bekend geworden waaruit ik zou moeten concluderen dat de onregelmatigheid niet in Nederland heeft plaatgevonden. Hetgeen belanghebbende hieromtrent stelt wil ik ten stelligste ontkennen. De verwijzing naar de uitspraak van de Tariefcommissie van 31 juli 1998 nr. 0076/97 gaat niet op. In dat geval was het kantoor van bestemming gelegen in Duitsland. Het nasporingsonderzoek had daar ook plaatsgevonden. Bovendien bleek dat de inspecteur beschikte over stukken welke gedateerd waren ruim voor de datum waarop de uitnodiging tot betaling was verzonden. Hieruit heeft de Tariefcommissie blijkbaar de conclusie getrokken dat de inspecteur ten tijde van het verzenden van de uitnodiging tot betaling op de hoogte was van het feit dat de onttrekking in Duitsland had plaatsgevonden."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

" 5.1 Primaire grief

De primaire grief strekt tot nietigverklaring van de bestreden UTB nu de voorbereiding van de in deze UTB vervatte beschikking niet omgeven is geweest met de door de betrokken autoriteiten in acht te nemen zorgvuldigheid.

Een dergelijk gebrek in de voorbereiding van de in deze UTB vervatte beschikking dient te worden bedreigd met nietigheid, nu de aard van de belangen die door de in acht te nemen zorgvuldigheid worden beschermd, met zich meebrengt dat een dergelijk gebrek niet aan een belastingplichtige dient te mogen worden tegengeworpen.

5.1.1 Europees onderzoek naar de fraude

In het kader van de Europese fraudebestrijding is reeds in een vroeg stadium tot melding overgegaan van het onderhavige fraudepatroon bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen in Brussel. Hieruit vloeide een centraal gecoördineerd onderzoek voort dat onder meer werd vormgegeven door middel van meerdere bijeenkomsten in Brussel. Bij het onderzoek waren diverse organen van de Europese Gemeenschap, de Spaanse-, Nederlandse-,

Belgische-, en Duitse autoriteiten betrokken (zie hiervoor onder andere in 3.4).

Door middel van de vereende onderzoeksactiviteiten is het fraudepatroon in kaart gebracht en zijn de betrokken fraudeurs geïdentificeerd. Dit fraudepatroon is hiervoor in 2.4 weergegeven.

Hoewel de Commissie van de Europese Gemeenschappen in een reactie op een schriftelijke vraag van Joan Colom i Naval meedeelde "uitermate tevreden te zijn over de samenwerking van de autoriteiten" (schriftelijk vraag P-117/96 van 25 januari 1996 aan de Commissie 96/C 122/67; opgenomen als bijlage 14), kent dit onderzoek toch een belangrijke tekortkoming die van dien aard is dat deze tekortkoming niet aan belanghebbende mag worden tegengeworpen.

5.1.2 Tekortkoming in het gecoördineerde onderzoek

Gelet op het feit dat het fraude met T-documenten betrof, was het bij het opstarten van het onderzoek reeds duidelijk dat de fraude er op was gericht om hetzij de verschuldigde communautaire rechten bij invoer, hetzij de belastingen terzake van invoer niet te voldoen.

Het voorgaande brengt met zich mee dat uit de aard van het onderzoek reeds volgt dat wordt vastgesteld door wiens toedoen en ten belope van welke bedragen deze rechten en belastingen zijn ontdoken.

De tekortkoming van het onderzoek betreft het feit dat, hoewel het niet voldoen van de verschuldigde communautaire rechten en belastingen centraal staat, het onderzoek naar de fraude op geen enkele wijze was gericht op het alsnog innen van de ontdoken rechten en belastingen ten laste van diegenen die daarvoor uit hoofde van hun frauduleuze gedragingen mede-aansprakelijk voor zijn.

Deze tekortkoming wordt met name geaccentueerd door het feit dat géén van de bij het gecoördineerde onderzoek betrokken partijen de Inspecteur lijkt te hebben ingelicht (Nederland werd immers niet door de Douane, maar door de FIOD/Douanerecherche bij de onderzoekingen vertegenwoordigd).

5.1.3 Onderzoek gericht op repressie van fraude

Voorzover belanghebbende achteraf kon worden vastgesteld is het grootste deel van het feitelijke onderzoek verricht door de Spaanse autoriteiten. Dit kan enerzijds worden afgeleid uit het feit dat de Nederlandse Inspecteur niet of nauwelijks de beschikking lijkt te hebben gehad over enige bescheiden betreffende het onderzoek naar de fraude (zie hiervoor in 3.6). Anderzijds heeft belanghebbende de hand weten te leggen op een complete Onderzoeksdossier van de Spaanse autoriteiten (zie hiervoor 2.4.1).

Uit het Onderzoeksdossier kan worden afgeleid dat het ingestelde onderzoek qua opzet uitsluitend gericht was op het achterhalen en bestraffen van de betrokken fraudeurs, om zodoende door middel van repressief toezicht toekomstige fraude met rechten bij invoer en belastingen terzake van invoer tegen te gaan.

5.1.4 Onderzoek niet gericht op invordering

In het Spaanse onderzoek, is noch op enige andere wijze getracht de ten gevolge van de fraude verschuldigd geworden rechten bij invoer en belastingen alsnog te innen ten laste van degenen die uit hoofde van hun feitelijke en frauduleuze gedragingen voor betaling van die rechten en belastingen aansprakelijk kunnen worden gesteld.

Blijkens de brief die door de Spaanse autoriteiten aan de Inspecteur is verstuurd (zie hiervoor in 3.6.8), kan worden afgeleid dat althans de Spaanse autoriteiten zich welbewust moeten zijn geweest van deze tekortkoming.

Uiteindelijk heeft dit nalaten geresulteerd in het aanspreken van belanghebbende als te goeder trouw zijnde titularis door de Nederlandse fiscus.

5.1.5 Onderzoek niet gericht op invordering, schending algemene beginselen

De eerste grief is gericht op het feit dat de inrichting en uitvoering van het onderzoek niet omgeven is geweest met de door de betrokken autoriteiten in het algemeen en de Spaanse in het bijzonder in acht te nemen zorgvuldigheid.

Uit de aarde van de fraude volgt dat het onderzoek allereerst gericht had moeten zijn op het invorderen van de verschuldigde rechten bij invoer en belastingen terzake van invoer ten laste van diegenen die daarvoor uit hoofde van hun gedragingen. Pas in tweede instantie dient het onderzoek zich te richten op het bestrafffen van de betrokken fraudeurs. Pas op de laatste plaats dient het onderzoek gericht te zijn op het verhaal van de rechten bij invoer en belastingen terzake van invoer op de titularis te goeder trouw van het T-1 document.

Het niet-inachtnemen van vorenstaande prioriteitenvolgorde ten behoeve van het strafrechtelijke onderzoek heeft geresulteerd in een onjuiste belangenafweging ten nadele van belanghebbende. Immers door deze handelwijze is nagelaten om op adequate wijze te onderzoeken of mogelijkheden bestaan om de verschuldigde rechten en belastingen te verhalen op de werkelijke fraudeurs, waardoor belanghebbende rechtstreeks in haar belangen is geschaad.

Vorenbedoelde handelwijze brengt met zich mee dat de afweging en de daaruit voortvloeiende beslissing om belanghebbende en niet een mede-aansprakelijke terzake van de verschuldigde rechten aan te spreken, niet met de vereiste zorgvuldigheid is omgeven.

Op grond van de uitspraak van uw College van 12 november 1986 (zaak nr. 66/01/94, opgenomen in UTC 1988/30) brengt het voorgaande met zich mee dat, ondanks de formele verschuldigheid, de nationale rechtsbeginselen in de weg staan aan het uitoefenen van de gebonden bevoegdheid die de Inspecteur heeft terzake van het opleggen van de uitnodiging tot betaling aan belanghebbende.

5.1.6 Conclusie ten aanzien van de primaire grief

Nu is nagelaten te onderzoeken of er mogelijkheden bestaan om de verschuldigde bedragen te innen bij degenen die zijn te beschouwen als de fraudeurs en/of degenen die onrechtmatig voordeel hebben behaald bij de frauduleuze gedragingen, is het fraude-onderzoek niet met de door autoriteiten betamelijke zorgvuldigheid omgeven geweest.

Nu het in de bestreden UTB vervatte besluit om belanghebbende terzake van de verschuldigde rechten aan te spreken, een direct gevolg is van deze onzorgvuldigheid is de UTB tot stand gekomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en het zorgvuldigheidsbeginsel in het bijzonder.

Nu de UTB is opgelegd in strijd met de vorenbedoelde beginselen, is deze nietig, althans dient het in deze UTB vervatte bedrag aan landbouwheffingen tot nihil te worden teruggebracht.

5.2 Subsidiaire grief

De subsidiaire grief strekt tot onbevoegdverklaring van de Nederlandse autoriteiten. Dit als gevolg van het feit dat de onregelmatigheden, welke hebben geleid tot de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht in Spanje hebben plaatsgevonden.

5.2.1 Hoofdregel; plaats waar onregelmatigheden hebben plaatsgevonden

Op grond van de hoofdregel opgenomen in de bepaling van artikel 215 van het CDW dient de invordering te geschieden door de autoriteiten van de lidstaat waar de onregelmatigheden die aanleiding hebben gegeven tot het onttrekken van de goederen aan het douanetoezicht, hebben plaatsgevonden.

Deze bepaling blijft evenwel buiten toepassing wanneer niet bekend is waar de onregelmatigheden zich hebben voorgedaan. In dat geval dient de invorderingsbevoegdheid te worden vastgesteld aan de hand van de bepaling van artikel 378, lid 1 van de TCDW. Op grond van deze bepaling is in een dergelijk geval de autoriteit van de lidstaat van vertrek tot invordering bevoegd.

In afwijking van de hiervoor aangehaalde bepaling van artikel 378, lid 1, wordt op grond van lid 3 van dit artikel, overeenkomstig het dictum van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1984, Zaak nr. 99/83, Jur. 1984, pp. 3939-3958 en in overeenstemming met de hoofdregel van de bepaling van artikel 215 van het CDW, alsnog de invorderingsbevoegdheid overgedragen aan de lidstaat waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden.

5.2.2 Plaats van onregelmatigheden in Spanje

Uit de hiervoor in 2.4 weergegeven feiten kan worden afgeleid dat moet worden vastgesteld dat de onregelmatigheden die aanleiding hebben gegeven tot het onttrekken van de goederen aan het douanetoezicht overeenkomstig het gestelde in 4.4.6, geacht moeten worden in Spanje te hebben plaatsgevonden.

Het voorgaande is een gevolg van het feit dat de goederen rechtstreeks (zie hiervoor in 2.4.2.2), blijkens het Onderzoeksdossier binnen de daarbij gebruikelijke tijdspanne (zie hiervoor in 2.4.2.3) naar Spanje zijn vervoerd door onafhankelijke derde vervoerders (zie hiervoor in 2.4.1.3), aldaar zijn gelost (waardoor de aangebrachte verzegeling van de vrachtauto's is verbroken) (zie hiervoor in 2.4.2), in de magazijnen van Transquela zijn ingeslagen (zie hiervoor in 2.4.3.3) en uiteindelijk in Spanje in het verkeer gebracht (zie hiervoor in 2.4.5).

Op grond van het voorgaande moet, overeenkomstig de uitspraken van de Tariefcommissie van 1 februari 1993, nr. 12714, opgenomen in UTC 1993/34 en die van uw College van 7 september 1992, nr. 90/0203/060/013, worden afgeleid dat de feitelijke onregelmatigheden, welke hebben geleid tot het onttrekken van de goederen aan het douanetoezicht, hebben plaatsgevonden in Spanje.

5.2.3 Moment wetenschap kan worden toegerekend

Uit het hiervoor in hoofdstuk 3 gestelde kan worden afgeleid dat reeds in een vroeg stadium bij de bevoegde autoriteiten bekend was waar de feitelijke onregelmatigheden op grond waarvan het bestreden document ongezuiverd is gebleven, hebben plaatsgevonden.

Hiervoor in paragraaf 3.3 is weergegeven dat in de maand september 1994 door de Spaanse autoriteiten een inval is gedaan bij Transquela. In dezelfde maand en de maand daarop zijn ook diverse bijeenkomsten belegd in Brussel waarin het onderzoek naar de onderhavige fraude uitvoerig aan de orde is gesteld (zie hiervoor in 3.4).

Gezien het feit dat enerzijds voldoende materiaal geacht moet worden bij vorenbedoelde inval boven tafel te zijn gehaald, terwijl anderzijds sprake is geweest van verregaande samenwerking tussen de verschillende betrokken bevoegde autoriteiten en bovendien een periode van ruim zes maanden is gelegen tussen onderzoek en overleg enerzijds en het opleggen van de UTB anderzijds (10 april 1995), moet worden vastgesteld dat de bevoegde autoriteiten te tijde van het opleggen van de UTB voldoende wetenschap kan worden toegerekend op grond waarvan tot overdracht van de invorderingsprocedure aan de Spaanse autoriteiten had moeten worden geconcludeerd.

5.2.4 Wetenschap wellicht niet bij de Inspecteur, toch toerekening

Dat de Inspecteur vorenbedoelde wetenschap wellicht niet had (maar wel de ambtenaren van de FIOD/Douanerecherche), doet aan het voorgaande niet af. Indien enige bevoegde autoriteit wetenschap had van de feitelijke omstandigheden van deze zaak, dan dient deze wetenschap aan de Inspecteur te worden toegerekend, althans dient het gebrek aan wetenschap niet door middel van het opleggen van de UTB aan belanghebbende te mogen worden tegengeworpen.

5.2.5 Conclusie ten aanzien van het subsidiaire grief

Op grond van de bepaling van artikel 378, lid 3 van de TCDW en in zoverre in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 215 van het CDW, moet de lidstaat waarvan de bevoegde autoriteiten terzake tot invordering bevoegd zijn, worden vastgesteld aan de hand van de plaats waar de onregelmatigheid die aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de douaneschuld werkelijk heeft plaatsgevonden.

In het onderhavige geval is sprake geweest van een grootscheeps onderzoek waar autoriteiten uit verschillende lidstaten bij betrokken waren. Uit dit onderzoek moet reeds zeer vroeg duidelijk zijn geworden dat de onregelmatigheden geacht moeten worden in Spanje te hebben plaatsgevonden.

In afwijking van de terzake geldende bepalingen is door geen van de bij vorenbedoeld onderzoek betrokken autoriteiten enige poging ondernomen om de heffing te doen plaatsvinden door de op grond van de wettelijke bepalingen bevoegde Spaanse autoriteit.

Wanneer de Spaanse autoriteiten geacht moeten worden tot invordering bevoegd te zijn, bestaan twee mogelijkheden. Enerzijds bestaat de mogelijkheid dat reeds vóór het opleggen van de UTB aan de Nederlandse autoriteiten de wetenschap moet worden toegerekend dat de bedoelde bevoegdheid in Spanje ligt. In dat geval zijn de Nederlandse autoriteiten niet bevoegd geweest om de bestreden UTB op te leggen. Mitsdien kan de UTB niet in strijd blijven en dient deze te worden vernietigd.

Anderzijds bestaat de mogelijkheid dat pas na het uitreiken van de UTB is komen vast te staan dat de onregelmatigheden in Spanje hebben plaatsgevonden. In dat geval geldt dat de Nederlandse autoriteiten in eerste instantie op de voet van artikel 378, lid 1, eerste gedachtenstreepje van de TCDW invorderingsbevoegd waren, maar dat deze bevoegdheid, na het bekend worden op de voet van de bepaling van lid 3 van laatstgenoemd artikel, aan de ingeleide procedure is komen te ontvallen, waardoor deze procedure niet kan worden doorgezet en waardoor de geldigheid van de UTB in rechte wordt aangetast.

Op grond van het voorgaande geldt dat zowel in het geval reeds voor het opleggen van de UTB bekend was waar de onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, als in het geval dit na het opleggen daarvan bekend is geworden, dat de bevoegdheid terzake van het opleggen ontbreekt, althans te komen te vervallen en dat derhalve de Nederlandse autoriteiten niet -, althans niet langer bevoegd zijn om de ingeleide procedure door te zetten. Mitsdien kan de opgelegde UTB niet in stand blijven en dient deze te worden vernietigd."

Ten slotte heeft appellante in de zaak, geregistreerd onder nr. 96/0076/060/013, nog de volgende grief aangevoerd:

" De (…) grief strekt tot nietigverklaring van de UTB nu de formele vereisten, op grond waarvan de Douane aan belanghebbende een formele kennisgeving inzake niet-zuivering in de zin van artikel 379, lid 1 van de TCDW had moeten doen toekomen, niet in acht zijn genomen.

Overeenkomstig jurisprudentie van de Tariefcommissie moet dit verzuim geacht worden van openbare orde te zijn, en om die reden geacht worden in de weg te staan aan het doorzetten van de ingeleide invorderingsprocedure.

5.2.1 Het belang van kennisgeving

De formele kennisgeving inzake niet-zuivering vormt een essentieel onderdeel in de procedure tot invordering van de uit de niet-zuivering voortvloeiende verschuldigde rechten. Dit is niet slechts een gevolg van het feit dat de belastingplichtige door middel van een dergelijke kennisgeving voortvloeien, maar ook vervult deze kennisgeving een eigen, bijzondere rol bij de vaststelling van de tot invordering bevoegde autoriteit.

5.2.2 Vereisten aan de zuiveringsprocedure

In de uitspraak van de Tariefcommissie van 9 april 1990 nr. 12495, opgenomen in UTC 1990/26 oordeelde het college dat het niet-inachtnemen van de vereisten gesteld aan de zuiveringsprocedure van artikel 54 van de Algemene wet inzake de douane (Wet van 26 januari 1961, Stb. 31) de ongeldigheid van die procedure met zich meebrengt, waaruit de nietigheid van de UTB voortvloeit.

In de uitspraak van de Tariefcommissie van 17 november 1993, nr. 12890, UTC 1994/6 dat de enkele stelling van belanghebbende - die niet door de Inspecteur kon worden weerlegd - dat niet aan de vereisten van artikel 54 van de AWD is voldaan, reeds een zodanig verzuim met zich meebrengt dat het de geldigheid van de procedure met zich meebrengt, waaruit de nietigheid van de UTB voortvloeit.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de vereisten die aan de zuiveringsprocedures worden gesteld, van dien aard zijn dat, wanneer deze niet in acht worden genomen, dit de ongeldigheid van de procedure met zich meebrengt. Gelet op de overeenkomst in doel en strekking van voornoemd artikel 54 en de bepaling van artikel 379 van de TCDW, moeten deze uitspraken van overeenkomstige toepassing worden geacht op de procedure van laatstgenoemd artikel.

(…)

5.2.3 Conclusie

Hoewel aan de voorwaarden voor het toepassen van de procedure van artikel 379, lid 1 van de TCDW is voldaan (zending niet bij het kantoor van bestemming aangebracht, destijds niet bekend waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden), is in het onderhavige geval geen formele kennisgeving inzake niet-zuivering als bedoeld in deze bepaling verstuurd.

Gelet op het voorgaande, en in het bijzonder op de aangehaalde uitspraken van de Tariefcommissie, brengt schending van deze procedurele vereisten het aantasten van de geldigheid van de zuiveringsprocedure met zich mee, hetgeen tot gevolg heeft dat de opgelegde UTB niet in stand kan blijven."

5. De beoordeling van het geschil

Het bepaalde bij de artikelen 378 en 379 TCDW biedt - zulks overigens in overeenstemming met de verantwoordelijkheid die de titularis van een document-T1 op zich neemt voor het regelmatige verloop van het communautaire douanevervoer - geen ruimte voor de opvatting van appellante, dat bij een onjuiste aanpak van een onderzoek als waarvan in dit geval naar het oordeel van appellante sprake zou zijn, de inspecteur niet bevoegd zou zijn tot invordering van de douaneschuld bij de titularis van het document-T1 over te gaan.

Slechts indien de titularis van een niet-gezuiverd document er in slaagt om aan te tonen dat het vervoer regelmatig heeft plaatsgevonden dan wel het bewijs levert van de plaats (in een andere lidstaat) waar de onregelmatigheid of overtreding daadwerkelijk werd begaan, is de inspecteur niet bevoegd. De grief van appellante gaat aldus de grenzen van de artikelen 378 en 379 TCDW te buiten en faalt derhalve.

Met betrekking tot de subsidiaire grief overweegt het College als volgt.

De inspecteur behoort in het kader van de niet-zuiveringsprocedure na te gaan of de plaats waar de onregelmatigheid c.q. overtreding heeft plaatsgevonden, kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van het College heeft de inspecteur aan zijn onderzoeksplicht voldaan door - naar onweersproken ter zitting is gesteld - navraag te doen bij het kantoor van bestemming in Nederland. Deze beperkte onderzoeksplicht grondt het College op de artikelen 378 e.v. TCDW. Hieruit blijkt dat het aan appellante is om het bewijs te leveren dat het communautair vervoer regelmatig heeft plaatsgevonden. Dit is ook in overeenstemming met het hiervoor reeds benadrukte feit dat de titularis van het douanedocument de verantwoordelijkheid op zich neemt dat een en ander conform de communautaire regels wordt afgehandeld. In het vorenstaande ligt besloten dat naar het oordeel van het College de opvatting van appellante dat alle bij welke bevoegde autoriteit dan ook aanwezige kennis omtrent het verloop van het vervoer aan de inspecteur moet worden toegerekend en dat derhalve, indien enige autoriteit anders dan de inspecteur wel op de hoogte zou zijn van de plaats van de onttrekking, laatstgenoemde niet bevoegd zou zijn de niet-zuiverings-procedure aan te vangen, moet worden verworpen.

Appellante heeft binnen de termijn van drie maanden noch aangetoond dat het vervoer regelmatig heeft plaats gevonden, noch het bewijs geleverd van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid heeft plaatsgevonden. Wel is een vertegenwoordiging van appellante in september 1994 afgereisd naar Spanje en heeft daar tegenover de Spaanse autoriteiten blijkens een proces-verbaal aangetoond, dat het onderhavige melkpoeder is afgeleverd in Spanje. Daargelaten welke betekenis precies aan dit proces-verbaal moet worden gehecht, de inspecteur was hiervan niet op de hoogte en behoefde hiervan ook niet op de hoogte te zijn. De omstandigheid, dat naar appellante stelt, zij zich op basis van een - in voormeld proces-verbaal vermeld - verzoek van de Spaanse autoriteiten om in het belang van het onderzoek zich te onthouden van contacten met personen en instanties die vermoedelijk bij dit vervoer zijn betrokken, niet met de inspecteur heeft verstaan, kan, zo in dit verzoek al een verzoek om zich van contact met de inspecteur te onthouden gelezen

kan worden, niet aan de inspecteur worden tegengeworpen. Nu appellante geen contact heeft opgenomen met de inspecteur en de inspecteur zich niet op eigen initiatief van de kennis ter zake van de FIOD behoefde te vergewissen, behoeft de vraag of de FIOD ten tijde van belang van de plaats van de ontrekking op de hoogte was en, zo ja, welke consequenties hieraan moeten worden verbonden, geen bespreking.

Op grond van het vorenoverwogene was verweerder gehouden de heffingen op te leggen, zoals hij bij de onderhavige UTB's heeft gedaan en zoals hij deze bij de bestreden besluiten heeft gehandhaafd.

De stelling van appellante dat verweerder gelet op het bepaalde bij artikel 378, derde lid, van de TCDW niet meer bevoegd zou zijn de niet-zuiveringsprocedure verder af te wikkelen, is naar het oordeel van het College onjuist. Ingevolge voormeld artikellid gaat, indien binnen drie jaar na geldigmaking van de aangifte T1 duidelijk is geworden in welke Lid-Staat de onregelmatigheid is begaan, deze Lid-Staat over tot heffing van de rechten en heffingen op de betrokken goederen, met uitzondering van die welke als eigen middelen van de Gemeenschap werden geïnd. Zulks betekent evenwel niet dat de Lid-Staat die een UTB wegens niet-zuivering heeft doen uitgaan, deze zou moeten intrekken dan wel dat deze UTB zonder verder gevolg zou moeten blijven. Artikel 378 TCDW biedt voor zodanige opvatting geen aanknopingspunt.

Met betrekking tot de grief ten slotte die uitsluitend is aangevoerd in de zaak geregistreerd onder nr. 96/0076/060/013, overweegt het College als volgt.

In zijn arrest van 21 oktober 1999 in zaak C-233/98 (Lensing & Brockhausen GmbH) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht verklaard dat het met de artikelen 378 en 379 TCDW vergelijkbare artikel 36, derde lid, van Verordening nr. 222/77 juncto artikel 11 bis, tweede lid, van Verordening nr. 1062/87 aldus moet worden uitgelegd dat de Lid-Staat waartoe het kantoor van vertrek behoort, slechts bevoegd is de invoer-rechten te innen, wanneer hij de aangever erop heeft gewezen dat hij over een termijn van drie maanden beschikt om het bewijs te leveren van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, en dat bewijs niet binnen die termijn is geleverd. Hoewel in deze zaak niet de gebruikelijke kennisgeving is verzonden, is appellante wel van de niet-zuivering op de hoogte gesteld en is zij met name op de termijn van drie maanden gewezen, wat het Hof blijkens voormeld arrest essentieel acht. Nu appellante desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat zij in dit geval niet meer of andere actie zou hebben ondernomen, indien zij de gebruikelijke kennisgeving zou hebben ontvangen, is het College van oordeel dat ook deze grief van appellante faalt.

Gelet op het vorenstaande moeten de beroepen ongegrond worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, H.G. Lubberdink en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 september 2001.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas