ECLI:NL:CBB:2001:AD3648
public
2015-11-12T15:29:00
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AD3648
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-09-11
AWB 99/915
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AD3648
public
2013-04-04T17:15:36
2001-09-20
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AD3648 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 11-09-2001 / AWB 99/915

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No.AWB 99/915 11 september 2001

11230

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr E.U.H. van de Schepop, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Amsterdam,

tegen

de Inspecteur-Districtshoofd van de Veterinaire Dienst, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J.C.M. Oudshoorn, werkzaam bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

1. De procedure

Op 9 november 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 september 1999.

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen besluiten van 14 oktober 1997, onderscheidenlijk inhoudende de verklaring dat de op het bedrijf van appellante aanwezige varkens worden verdacht van besmetting met klassieke varkenspest en strekkende tot maatregelen in verband daarmede.

Bij brief van 2 december 1999 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 19 januari 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 31 juli 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Namens appellante zijn aldaar verschenen haar gemachtigde en C, te B. Verweerder heeft bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor een overzicht van het toepasselijke wettelijk kader en de door verweerder gehanteerde beleidsregels, verwijst het College naar hetgeen daaromtrent is opgenomen in rubriek 2.1 van de uitspraak van het College van 16 november 1999 (Nrs.AWB 98/162, 98/163 en 98/164). Deze uitspraak is via internet te raadplegen op website http://www.rechtspraak.nl.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert een varkensbedrijf.

- Bij besluit van 14 oktober 1997 zijn alle varkens op het bedrijf van appellante op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren (Stb. 1994, 731) verdacht verklaard van besmetting met klassieke varkenspest.

- Bij besluit van 14 oktober 1997 is appellante op grond van artikel 22, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Gwd) een aantal bestrijdingsmaatregelen aangekondigd, waaronder het doden van de verdachte dieren en het vernietigen van producten en voorwerpen die ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor het verspreiden van smetstof.

- Vervolgens zijn de varkens op het bedrijf van appellante getaxeerd en preventief geruimd.

- Bij besluit van 1 december 1997 is, op grond van gegevens van de Gezondheidsdienst voor Dieren (hierna: de GD) het bedrijf van appellante aangemerkt als vermeerderingsbedrijf en is appellante op basis daarvan een tegemoetkoming in de schade in verband met de ruiming van haar bedrijf toegekend ten bedrage van fl. 1.489.526,74.

- Bij brief van 20 november 1997 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten van 14 oktober 1997.

- Op 29 juni 1998 is appellante door verweerder in de gelegenheid gesteld omtrent haar bezwaren te worden gehoord. Appellante heeft echter van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 14 oktober 1997 gehandhaafd.

3. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen de onderscheidenlijke onderdelen van het bestreden besluit aangevoerd.

Betwist wordt dat verweerder aan de hand van de uitgevoerde risico-analyse gegronde redenen heeft gehad om aan te nemen dat de varkens van appellante in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet met het klassieke varkenspestvirus en dat preventieve ruiming van haar bedrijf was geïndiceerd. Het bedrijf van appellante is immers op een ruime afstand van 900 meter van de vermeende besmettingshaard (het bedrijf van D te B) gelegen. Bovendien is op de vermeende haard besmetting met het varkenspestvirus niet aangetoond, althans zou de besmetting zeer 'jong' zijn geweest. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante naar de zaak E waarin uit bedoelde risico-analyse een voor besmetting veel kwetsbaardere situatie dan die van appellante naar voren is gekomen (afstand vanaf de besmettingshaard van 250 meter). In dat geval is een preventieve ruiming van het bedrijf echter achterwege gebleven, ondanks het uitdrukkelijk verzoek van E daartoe.

Voorts is het bedrijf van F op 11 juni 1997 besmet verklaard en geruimd. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van slechts 250 meter van het eerdergenoemde bedrijf van diens broer E. Preventieve ruiming van het bedrijf van E is op dat moment echter achterwege gebleven. De bedrijven E en F zijn beide gelegen binnen een straal van één kilometer van het bedrijf van D, de (latere) besmettingshaard in verband met de aanwezigheid waarvan de varkens op het bedrijf van appellante verdacht zijn verklaard en preventief zijn geruimd. Indien verweerder naar aanleiding van de op het bedrijf van E en F geconstateerde besmetting met klassieke varkenspest tijdig was overgegaan tot preventieve ruiming van het bedrijf van D, had laatstgenoemd bedrijf nimmer besmet kunnen raken en zou geen grond aanwezig zijn geweest de varkens op het bedrijf van appellante verdacht te verklaren en tot preventieve ruiming van haar bedrijf over te gaan.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft zijn standpunt in het bestreden besluit en het verweerschrift - samengevat weergegeven - als volgt verwoord.

Appellante heeft tegen het besluit tot besmetverklaring van het bedrijf op grond waarvan de varkens van haar bedrijf verdacht zijn verklaard geen rechtsmiddel ingesteld, zodat deze besmetverklaring inmiddels rechtens onaantastbaar is geworden. Ten overvloede meldt verweerder dat uit laboratoriumonderzoek met behulp van de immunofluoriscentie test (IFT) is gebleken dat één bloedmonster van het besmet verklaarde bedrijf positief heeft gereageerd op het klassieke varkenspestvirus en dat in twee bloedmonsters het virus is geïsoleerd. Blijkens het feit dat de besmetting op de haard kon worden aangetoond, is geen sprake geweest van een 'jonge' besmetting.

Het bedrijf van appellante is gelegen op ongeveer 900 meter van de besmettingshaard. De verdachtverklaring van de varkens van appellante en de op grond daarvan getroffen maatregelen zijn genomen op basis van een risico-analyse aan de hand van door onderzoek en ervaring geselecteerde bedrijven die in relatie tot de deels bekende, deels onbekende oorzaken van overdracht van het klassieke varkenspestvirus als risicovol zijn aangemerkt. Het dragerschap van het virus is niet altijd direct aantoonbaar en ook het in acht nemen van alle hygiënemaatregelen biedt geen volledige garantie tegen de besmetting met de varkenspest.

Uit onderzoek van het verloop van de ziekte en van de effectiviteit van de getroffen maatregelen is gebleken dat teneinde verdere verspreiding van het virus zoveel mogelijk te voorkomen aan preventief ruimen van bedrijven, gelegen binnen een straal van ongeveer één kilometer van de besmettingshaarden, niet valt te ontkomen. De gehanteerde grens van één kilometer rond een besmettingshaard is niet willekeurig gekozen, maar is gebaseerd op voormeld onderzoek. Het risico van verdere verspreiding van het virus kan, gelet op de zwaarwichtige belangen bij het bestrijden van de varkenspest, niet worden gelopen. De ten aanzien van appellante getroffen maatregelen zijn noodzakelijk en onontkoombaar geweest ter bestrijding van de klassieke varkenspest. In beginsel dient bij afweging van de betrokken belangen, het individuele belang bij het ongemoeid laten van de bedrijfsvoering te wijken voor de algemene belangen die worden gediend bij het voorkomen van verdere verspreiding van de ziekte.

Er bestaat geen recht op preventieve ruiming. Preventieve ruiming is geen maatregel ter bescherming van individuele varkenshouders, maar een maatregel ter bestrijding van een besmettelijke dierziekte. Afgezien daarvan hanteert verweerder een prioriteitenstelling bij de bestrijding van een besmettelijke dierziekte, nu niet alle bedrijven op hetzelfde moment kunnen worden geruimd. De conclusie van appellante dat in vergelijking met het geval van E in haar geval ten onrechte preventief is geruimd, is onjuist. De verwijzing naar het geval van E kan verweerder niet volgen, aangezien de varkens op het bedrijf van E op 18 juli 1997 verdacht zijn verklaard. Eer het bedrijf van E echter preventief geruimd kon worden, is het op 23 juli 1997 besmet verklaard. De ruiming van het bedrijf van voormelde E heeft vervolgens plaatsgevonden vanwege de geconstateerde besmetting met varkenspest en niet op grond van de verdachtverklaring van de varkens. Dat de varkens op het bedrijf van E niet aanstonds na de verdachtverklaring preventief zijn geruimd, vindt zijn oorzaak in de omstandigheid dat het bedrijf van E is gelegen in het zogenaamde kerngebied rond Boekel en Venhorst. In verband met de explosieve stijging van het aantal besmettingshaarden in het kerngebied heeft verweerder prioriteit gegeven aan het ruimen van aan de buitenkant van dit gebied gelegen bedrijven teneinde verspreiding van de epidemie zo veel mogelijk te voorkomen. Preventieve ruiming van bedrijven binnen dit gebied heeft slechts plaatsgevonden voorzover dit mogelijk was naast de verplichte ruiming van besmette bedrijven en de preventieve ruiming van verdachte bedrijven aan de rand van het kerngebied.

5. De beoordeling van het geschil

Het College zal thans beoordelen of verweerder terecht is overgegaan tot het nemen van de besluiten tot verdachtverklaring van de varkens van appellante en de daarmee verband houdende maatregelen.

Ten aanzien van de door appellante betwiste rechtmatigheid van de besmetverklaring van de haard in verband met de aanwezigheid van klassieke varkenspest, op grond waarvan de varkens op het bedrijf van appellante verdacht zijn verklaard, overweegt het College dat, gelet op de omstandigheid dat één bloedmonster van het besmet verklaarde bedrijf positief heeft gereageerd op het klassieke varkenspestvirus en dat in twee bloedmonsters het virus is geïsoleerd, genoegzaam aannemelijk is geworden dat bedoeld bedrijf besmet was geraakt met klassieke varkenspest.

Het College ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het vaststellen van de criteria op grond waarvan een bedrijf als verdacht wordt aangemerkt. In het bestreden besluit, het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder een toereikende motivering gegeven met betrekking tot de wetenschappelijke onderbouwing van die criteria.

Appellante is er niet in geslaagd aan te tonen dat de ligging van haar bedrijf zodanig was dat verweerder bij de toepassing van de door hem gehanteerde criteria niet in redelijkheid tot verdachtverklaring van de varkens en preventieve ruiming van het bedrijf van appellante heeft kunnen overgaan.

Nu de in het bestreden besluit gehandhaafde verdachtverklaring van de varkens op het bedrijf van appellante de rechterlijke toetsing kan doorstaan, ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft besloten tot het treffen van de maatregen verband houdende met de verdachtverklaring van de varkens op het bedrijf van appellante. De verwijzing door appellante naar de situatie van het in het kerngebied gelegen bedrijf van E, in welk geval preventieve ruiming naar aanleiding van een verdachtverklaring achterwege is gebleven, kan haar niet baten, gelet op hetgeen verweerder, zoals hiervoor weergegeven, in dat verband naar voren heeft gebracht.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 september 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.S. Hoppener