ECLI:NL:CBB:2001:AD3776
public
2015-11-12T03:45:07
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AD3776
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-09-19
AWB 98/346 en 98/349
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AD3776
public
2013-04-04T17:15:59
2001-09-24
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AD3776 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 19-09-2001 / AWB 98/346 en 98/349

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

Nrs. AWB 98/346 en 98/349 19 september 2001

11231

Uitspraak in de zaken van:

1. A, appellante in zaak 00/346, en

2. B, appellante in zaak 00/349, beide te X,

gemachtigden: P, directeur van appellante sub 1, Q, werkzaam bij appellante sub 1, en R, directeur van appellante sub 2, allen te X,

tegen

1. de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag, en

2. de inspecteur-districtshoofd van de Veterinaire Dienst, hierna individueel en gezamenlijk aan te duiden als verweerder,

gemachtigden: mr J.C.M. Oudshoorn en mr L.P. de Wit, beiden werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedures

Op 1 mei 1998 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 20 en 23 maart 1998.

Bij brieven van 3 en 6 augustus 1998 heeft verweerder verweerschriften ingediend.

Op 19 juni 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Van de zijde van verweerder was ter zitting tevens aanwezig drs S.N. Wiessenhahn, werkzaam op verweerders ministerie.

2. De grondslag van de geschillen

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 22 maart 1997 heeft verweerder sub 2 de varkens op het bedrijf van zowel appellante sub 1 (locatie K te X) als appellante sub 2 (locatie L te X) verdacht verklaard van klassieke varkenspest en heeft hij maatregelen gelast dan wel aangezegd in verband met deze verdachtverklaring.

- Bij besluit van (eveneens) 22 maart 1997 heeft verweerder sub 2 voormelde verdachtverklaring opgeheven, de gebouwen en terreinen op zowel de locatie K als de locatie L besmet verklaard met klassieke varkenspest en maatregelen gelast dan wel aangezegd in verband met deze besmetverklaring, waaronder het doden van alle varkens op bovengenoemde twee locaties.

- Het besluit tot besmetverklaring is gegrond op een geconstateerde besmetting met klassieke varkenspest op de locatie L. Op de locatie K, die toentertijd beschikte over hetzelfde Uniek Bedrijfsnummer (hierna: UBN) als de locatie L, is geen besmetting vastgesteld.

- De totale waarde van de varkensstapel alsmede bepaalde producten en voorwerpen op genoemde twee locaties is op 23 maart 1997 getaxeerd op fl. 2.583.674,70, waarna alle varkens op deze locaties zijn gedood.

- Bij besluit van 20 april 1997 heeft verweerder appellante sub 1 een tegemoetkoming in de schade ten bedrage van fl. 1.679.388,56 toegekend. Appellante sub 1 is een korting van 35% van de taxatiewaarde opgelegd, omdat zij blijkens een rapport van 24 maart 1997 van de Algemene Inspectiedienst de aanvoer van varkens een keer te laat heeft gemeld bij het Identificatie- en Registratiebureau Varkens te Deventer.

- Appellante sub 1 heeft een evenredig deel van de tegemoetkoming in de schade aan appellante sub 2 overgedragen.

- Bij brieven van 25 mei 1997 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 20 april 1997. Nadat appellanten op 22 september 1997 waren gehoord omtrent hun bezwaren, heeft verweerder de bestreden besluiten genomen. Verweerders besluit van 20 maart 1998 heeft betrekking op appellante sub 1, zijn besluit van 23 maart 1998 ziet op appellante sub 2. Bij deze besluiten is het bezwaar tegen de opgelegde korting gegrond verklaard en is het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

3. Het standpunt van verweerder

In de bestreden besluiten en de verweerschriften heeft verweerder, voor zover nog in geschil, onder meer het volgende naar voren gebracht.

Nu de locaties K en L ten tijde van de besmetverklaring beschikten over hetzelfde UBN, dienen deze locaties in veterinair opzicht als één bedrijf te worden aangemerkt. Dit betekent dat (ook) de locatie waar geen klassieke varkenspest is vastgesteld op juiste gronden besmet is verklaard.

Dat bij besmette ruiming geen aanvullende tegemoetkomingen in de schade zijn verstrekt en bij preventieve ruiming wel, is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In geval van besmetting schrijft het gemeenschapsrecht ruiming dwingend voor, terwijl verweerder beoordelingsvrijheid heeft al dan niet tot preventieve ruiming over te gaan.

Varkenshouders die onder het normale BTW-regime vallen en wier varkens ter bestrijding van de varkenspestepidemie van 1997 zijn gedood, hebben tot 12 september 1997 ten onrechte een tegemoetkoming in de schade inclusief BTW ontvangen. Veehouders die onder de Landbouwregeling vallen, zoals appellanten, hebben terecht een tegemoetkoming in de schade inclusief BTW ontvangen. Aangezien de vergoeding niet in de BTW-heffing wordt betrokken, heeft de eerste groep varkenshouders ten onrechte een voordeel gekregen ten opzichte van de tweede groep. Deze invloed van het BTW-regime op de tegemoetkoming is aanvankelijk niet onderkend. De tot 12 september 1997 gunstigere behandeling van varkenshouders die onder het normale BTW-regime vallen, was in strijd met de ter zake geldende regelgeving. De werking van het gelijkheidsbeginsel gaat niet zo ver dat verweerder gehouden is een eenmaal gemaakte fout ook in andere - niet gelijke - gevallen te blijven maken.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep, voor zover gehandhaafd, onder meer het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Ten tijde van de uitbraak van het varkenspestvirus waren de bedrijfsvoering op de locatie K en de bedrijfsvoering op de locatie L reeds geruime tijd van elkaar gescheiden. Dat beide locaties toentertijd nog beschikten over hetzelfde UBN, doet er niet aan af dat sprake was van twee gescheiden veestapels. Nu op de locatie K nimmer klassieke varkenspest is vastgesteld, dient deze locatie als preventief geruimd te worden aangemerkt en kan appellante sub 1 ingevolge het beleid van verweerder aanspraak maken op een aanvullende tegemoetkoming in de schade.

Ten onrechte wordt besmet geruimde bedrijven, anders dan preventief geruimde bedrijven, geen aanvullende tegemoetkoming in de schade verleend. Dit klemt te meer, nu de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees invloed kan uitoefenen op de status van een bedrijf ten tijde van de ruiming.

Door het BTW-regime waaronder appellanten vallen, valt de tegemoetkoming in de schade lager uit dan bij bedrijven die in een ander BTW-regime vallen. De concurrentiepositie van appellanten wordt hierdoor nadelig beïnvloed.

5. De beoordeling van de geschillen

5.1 Appellanten hebben de rechtmatigheid van het besluit tot besmetverklaring van de gebouwen en terreinen op de locatie L niet bestreden. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of verweerder, in aanmerking genomen dat het besluit tot besmetverklaring van de gebouwen en terreinen op de locatie L rechtmatig was, terecht bij datzelfde besluit ook de gebouwen en terreinen op de locatie K, waar geen besmetting met klassieke varkenspest was geconstateerd, besmet heeft verklaard. Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich op het standpunt dat verschillende locaties onder hetzelfde UBN als één bedrijf in de zin van de relevante regelgeving dienen te worden aangemerkt.

In zijn uitspraak van 4 september 2001 (AWB 99/342; te raadplegen op http://www.rechtspraak.nl onder ELRO-nummer AD3471) heeft het College geoordeeld dat geen aanleiding bestaat het standpunt van verweerder, inhoudende dat verschillende locaties onder hetzelfde UBN als één bedrijf dienen te worden aangemerkt, voor onjuist te houden. Hiervan uitgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het besluit tot besmetverklaring zich diende uit te strekken over zowel de gebouwen en terreinen op de locatie L als de gebouwen en terreinen op de locatie K. Artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 80/217/EEG liet verweerder geen andere keuze dan vervolgens over te gaan tot het doden van de varkens op beide locaties. Appellante sub 1 wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat verweerder de keuze had haar bedrijfslocatie, waar geen besmetting met klassieke varkenspest was vastgesteld, al dan niet te ruimen, zodat evenmin kan worden staande gehouden dat de ruiming van de locatie K als preventieve ruiming dient te worden aangemerkt.

Appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangedragen die grond kunnen vormen voor het oordeel dat in hun geval sprake is van een dusdanig bijzondere situatie dat de locaties K en L, in weerwil van het vorenstaande, in redelijkheid niet als één bedrijf konden worden aangemerkt. In dit verband dient voorop te worden gesteld dat appellanten, door het aanvragen van één UBN, er zelf voor hebben gekozen de verschillende locaties van hun bedrijf als veterinaire eenheid te presenteren. Bij het bestrijden van een besmettelijke dierziekte, een bij uitstek veterinaire aangelegenheid, mag, zo niet moet, verweerder het bestaan van zodanige eenheid dan ook tot uitgangspunt nemen. In het onderhavige geval is dit niet anders. Appellanten hebben weliswaar ter zitting van het College gesteld dat de bedrijfsvoering op beide locaties reeds geruime tijd gescheiden was, maar deze stelling is niet, althans onvoldoende, verifieerbaar. Bovendien dient in aanmerking te worden genomen dat, indien appellanten maatregelen hadden getroffen die naar hun oordeel tot gevolg hadden dat de verschillende locaties niet langer als een veterinaire eenheid waren te beschouwen, het op hun weg had gelegen onverwijld over te gaan tot het aanvragen van een eigen UBN voor iedere afzonderlijke locatie. Appellanten hebben evenwel de keuze gemaakt deze locaties vooralsnog te blijven presenteren onder hetzelfde UBN en daarmee als veterinaire eenheid, waarmee zij het risico hebben genomen dat bij een geconstateerde besmetting op de ene locatie ook alle varkens op de andere locatie zouden worden gedood.

5.2 Met betrekking tot het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel in verband met het feit dat verweerder bij het toekennen van aanvullende tegemoetkomingen in de schade onderscheid heeft gemaakt tussen preventief en besmet geruimde bedrijven, verwijst het College naar zijn uitspraken van 29 februari 2000 (AWB 98/140; AB 2000, 206) en 8 februari 2001 (AWB 98/227; te raadplegen op http://www.rechtspraak.nl onder ELRO-nummer AB0037), waarin dit beroep is verworpen.

5.3 Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht aangevoerd dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel dan wel de concurrentiepositie van appellanten er niet toe kan leiden dat appellanten in strijd met de ter zake geldende regelgeving aanspraak kunnen maken op een hogere tegemoetkoming in de schade. Mede in aanmerking genomen dat appellanten niet minder geld hebben ontvangen dan waarop zij recht hebben, wordt de hierop betrekking hebbende grief verworpen.

Gelet op al het vorenoverwogene en in aanmerking genomen dat schade door besmetting met klassieke varkenspest tot het normale bedrijfsrisico van een varkenshouder dient te worden gerekend, nu het houden van vee het risico van ziekte van dat vee insluit, heeft verweerder zich naar het oordeel van het College op het standpunt kunnen stellen dat appellanten niet in aanmerking komen voor verdergaande tegemoetkoming in de schade dan aan hen is toegekend op basis van artikel 86 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

5.4 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2001.

w.g. J.A. Hagen w.g. B. van Velzen