ECLI:NL:CBB:2001:AD6724
public
2018-03-12T07:54:38
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AD6724
AN6844
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-11-20
AWB 98/1330
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Diergeneesmiddelenwet
Rechtspraak.nl
AB 2002, 22 met annotatie van J.H. van der Veen
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AD6724
public
2013-04-04T17:26:44
2001-12-05
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AD6724 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 20-11-2001 / AWB 98/1330

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 98/1330 20 november 2001

11310

Uitspraak in de zaak van:

Bayer B.V., te Mijdrecht, appellante,

gemachtigde: mr G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zetelend te 's-Gravenhage verweerder,

gemachtigden: mr R.A.M.M. Gijselaers en drs I. Sandberg, beiden werkzaam bij verweerders ministerie.

1. Ontstaan en loop van het geding

Door middel van een op 31 maart 1987 ondertekend formulier heeft appellante bij het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen van verweerders ministerie (hierna: BRD) een aanvraag ingediend tot registratie van het diergeneesmiddel 'Baytril 0,5% oplossing oraal' (NL3438). Het diergeneesmiddel bevat de werkzame stof enrofloxacine en is blijkens de aanvraag (mede) bestemd voor toepassing bij dieren waarvan de producten gewoonlijk worden geconsumeerd.

Bij brief van 14 augustus 1991 heeft het BRD appellante medegedeeld dat het door haar aangeleverde dossier onvoldoende gegevens bevat en verzocht aanvullende gegevens in te zenden.

Appellante heeft het BRD vervolgens aanvullende gegevens verstrekt.

Bij besluit van 13 oktober 1992 heeft verweerder, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de aanvraag tot registratie toegewezen, in dier voege dat appellante de verplichting is opgelegd dat de bijwerking dat bij jonge dieren tijdens de groei kraakbeenlaesies in de gewrichten kunnen optreden, op het etiket dan wel de verpakking en bijsluiter wordt vermeld.

Bij brief van 23 oktober 1992, aangevuld bij brief van 12 februari 1993, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit, welk bezwaar met name is gericht tegen de in het besluit opgenomen verplichting inzake de vermelding van genoemde bijwerking.

Appellante is op 4 mei 1995 en 3 juni 1997 naar aanleiding van haar bezwaren door de Commissie voor de bezwaarschriften van verweerder gehoord.

Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit van 18 november 1998 genomen. Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, in dier voege dat de verplichting inzake de vermelding van eerdergenoemde bijwerking wordt vervangen door de verplichting tot vermelding van een waarschuwing met dezelfde strekking op het etiket dan wel de verpakking en bijsluiter.

Tegen dit besluit heeft appellante op 23 december 1998 beroep bij het College ingesteld. Bij brief van 5 februari 1999 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Bij besluit van 14 december 1999 heeft verweerder zijn besluit van 18 november 1998 herzien, de bezwaren van appellante alsnog gegrond verklaard en te kennen gegeven dat de waarschuwing inzake kraakbeenlaesies kan vervallen, alsmede dat de registratie-beschikking dienovereenkomstig zal worden aangepast.

Op 29 december 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 februari 2000 heeft appellante het College medegedeeld geen aanleiding te zien het onderhavige beroep in te trekken.

Bij brief van 7 februari 2000 heeft appellante aan verweerder te kennen gegeven dat zij bereid is het onderhavige beroep in te trekken, echter op voorwaarde dat verweerder haar de toezegging doet met inachtneming van het gestelde in het herziene bestreden besluit van 14 december 1999 een nieuwe registratiebeschikking te nemen die niet is geantedateerd.

Bij brief van 5 april 2000 heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat niet aan de door haar gestelde voorwaarde kan worden voldaan, aangezien de datum waarop het herziene bestreden besluit is gegeven, bepalend is voor de werking van dit besluit en de bijbehorende registratiebeschikking slechts een uitvoering van dit besluit betreft.

Desverzocht door het College heeft verweerder bij brief van 1 mei 2000 nader verweer gevoerd.

Op 15 juni 2000 heeft verweerder appellante een nieuwe registratiebeschikking doen toekomen, waarin 14 december 1999 is vermeld als ingangsdatum van de registratie.

Op 26 januari 2001 heeft appellante de gronden van het beroep nader aangevuld.

Bij brief van 11 september 2001 heeft verweerder zijn standpunt toegelicht.

Op 2 oktober 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Aan de zijde van appellante was tevens aanwezig drs H.C. Heesen, werkzaam bij appellante.

2. Toepasselijke regelgeving

Bij de Diergeneesmiddelenwet (hierna: de DGW) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 58

1. Diergeneesmiddelen worden geacht te zijn geregistreerd in de zin van deze wet gedurende de eerste twaalf maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.

2. Voor een diergeneesmiddel waarvoor binnen de in het eerste lid gestelde termijn een aanvraag tot registratie op de krachtens artikel 3, tweede lid,voorgeschreven wijze is ingediend, blijft de registratie ingevolge het eerste lid ook na het verstrijken van de aldaar gestelde termijn van kracht totdat debeslissing op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

(…)."

3. De ontvankelijkheid van het beroep

Weergave van de standpunten van partijen kan achterwege blijven, nu het College aan de beoordeling daarvan niet toekomt. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Het College stelt voorop dat het herziene bestreden besluit van 14 december 1999 volledig in de plaats is getreden van het aanvankelijke bestreden besluit van 18 november 1998.

Geoordeeld moet worden dat met het herziene bestreden besluit geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit van 13 oktober 1992. De door appellante gestelde omstandigheid dat de registratie van het onderhavige diergeneesmiddel zou behoren in te gaan op de datum waarop die registratiebeschikking aan haar is toegezonden - namelijk op 15 juni 2000 - en niet op de in die beschikking genoemde datum van 14 december 1999, maakt dit niet anders. Immers, indien verweerder zou hebben gedaan wat hij in de ogen van appellante, gelet op artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), had behoren te doen, namelijk aanstonds bij het herziene bestreden besluit een nieuwe registratiebeschikking afgeven, dan zou de registratie per 14 december 1999 zijn gaan gelden. De omstandigheid dat appellante eerst op 15 juni 2000 in het bezit is gesteld van een (op 14 december 1999 gedagtekende) registratiebeschikking heeft haar geen nadeel berokkend. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de aanvraag tot registratie van het onderhavige diergeneesmiddel bij een op 31 maart 1987 ondertekend formulier heeft plaatsgevonden. Derhalve is, gelet op het bepaalde bij artikel 58, eerste en tweede lid, van de DGW, de registratie van dit diergeneesmiddel steeds van kracht gebleven.

Aangezien voorts gesteld noch gebleken is dat appellante enig belang heeft bij vernietiging van het aanvankelijke bestreden besluit van 18 november 1998, moet - gelet op het bepaalde bij artikel 6:19 van de Awb - worden geconcludeerd dat aan het beroep het belang is komen te ontvallen, zodat het wegens het ontbreken van enig procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op f 1.420,- (zegge:

eenduizend-vierhonderd-en-twintig gulden) en te vergoeden aan appellante door de Staat;

- bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht wordt vergoed door de Staat.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 november 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. M.S. Hoppener