ECLI:NL:CBB:2001:AD6766
public
2015-11-11T12:22:27
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AD6766
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-12-05
AWB 00/64, 00/65 en 00/728
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Regeling dierlijke EG-premies 1.1 en 1.3
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AD6766
public
2013-04-04T17:26:52
2001-12-07
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AD6766 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 05-12-2001 / AWB 00/64, 00/65 en 00/728

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/64, 00/65, 00/728 5 december 2001

5125

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J. Teigeler, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 25 januari 2000 heeft het College van appellante twee beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een tweetal besluiten van verweerder van 18 december 1999.

Bij het besluit met kenmerk 98.5.0158 heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om premie voor stieren ingevolge de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) voor het verkoopseizoen 1997.

Bij het besluit met kenmerk 99.5.0045 heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de weigering van premie voor het verkoopseizoen 1998.

Op 5 september 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 mei 2000. Bij dat besluit is beslist op het bezwaar tegen de weigering van premie voor het verkoopseizoen 1999.

De beroepen zijn bij brieven van 28 en 29 december 2000 nader gemotiveerd.

Verweerder heeft op 24 april 2001 verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2001. Appellante werd bij die gelegenheid vertegenwoordigd door haar directeur, C; verweerder door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 1.1. van de Regeling wordt, voorzover hier van belang, onder "bedrijf" verstaan:

" geheel van de door de producent beheerde of te zijner beschikking gestelde produktie-eenheden die in Nederland zijn gelegen waarvan hij de eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter is, dan wel pachter op basis van een door de grondkamer goedgekeurd of geregistreerd pachtcontract".

Onder producent wordt ingevolge ditzelfde artikel ten tijde hier van belang verstaan:

" individueel bedrijfshoofd, natuurlijke of rechtspersoon of, voorzover het stieren-, ossen- of zoogkoeienhouderij betreft, samenwerkingsverband van natuurlijke of rechtspersonen, niet zijnde een producentengroepering ongeacht de rechtspositie van die groepering en van haar leden, van wie, respectievelijk

waarvan het bedrijf zich op het grondgebied van de gemeenschap bevindt en die ofwel runderen houdt, ofwel tenminste tien ooien houdt".

Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Regeling kan, voorzover hier van belang, aan producenten die op hun bedrijf stieren houden op hun verzoek jaarlijks na afloop van het betrokken verkoopseizoen een premie worden verleend tot een maximum van 90 stieren per leeftijdscategorie. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is voor toekenning van premie - onder meer - van belang dat de dieren gedurende de toepasselijke periode worden aangehouden en dat ook overigens aan de voorwaarden van de Regeling en de daaraan ten grondslag liggende communautaire regelingen wordt voldaan. De voor stieren geldende aanhoudperiode betreft ingevolge artikel 1.1. van de Regeling een aaneengesloten periode van twee maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 4g van Verordening (EEG) nr. 805/68 wordt het maximale aantal dieren dat voor premie in aanmerking kan komen beperkt door toepassing van het veebezettingsgetal, dat de verhouding weergeeft tussen het aantal grootvee-eenheden (GVE) en het voederareaal van het bedrijf.

Ingevolge voormelde bepaling en artikel 4.2, tweede lid, van de Regeling geldt voor een producent, die wordt vrijgesteld van toepassing van het veebezettingsgetal omdat het aantal dieren dat daarvoor in aanmerking moet worden genomen niet groter is dan 15 GVE, niet de verplichting een aanvraag oppervlakte (voederareaal) in te dienen.

Ingevolge het derde lid van artikel 4g van Verordening (EEG) 805/68 en bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2328/91 levert een stier in de leeftijdscategorie van zes maanden tot twee jaar bij omrekening 0,6 GVE op.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te vermijden dat wijziging van bestaande bedrijven of het oprichten van nieuwe bedrijven na 30 juni 1992 zou leiden tot een duidelijk foutief omzeilen van de bepalingen inzake de maxima voor het verkrijgen van premies of inzake voorwaarden op het gebied van het uit productie nemen van grond die zijn vastgesteld in het kader van de regelingen als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3508/92. Hieraan is uitwerking gegeven in artikel 1.3. van de Regeling, dat luidt als volgt:

" Indien de fysieke of financiële structuur van een bedrijf na 30 juni 1992 is of wordt gewijzigd hoofdzakelijk met het doel de verplichtingen van de in artikel 1, eerste lid, genoemde verordeningen of deze regeling te ontgaan, wordt deze wijziging buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van deze regeling."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is een in maart 1994 opgericht bedrijf, dat op 10 oktober 1996 is omgezet in een besloten vennootschap, gevestigd op het adres X te B. Blijkens de inschrijving in het handelsregister is C directeur en enig aandeelhouder van appellante. C exploiteert daarnaast op eigen naam een landbouwbedrijf op het adres Y te D.

- Op het adres X te B is tevens gevestigd het landbouwbedrijf van de vader van C, E.

- E heeft ten behoeve van zijn landbouwbedrijf, waar blijkens de landbouwtellingen 1996 en 1997 circa 300 stieren werden gehouden, in 1996 de voor die onderneming geldende maximale stierenpremie (voor 25 stieren) aangevraagd.

- Blijkens opgave landbouwtelling 1997 werkt C minder dan 10 uren per week in het bedrijf van appellante.

- Appellante heeft in 1996 bij verweerder een aanvraag ingevolge de Regeling voor 25 stieren, verkoopseizoen 1996, ingediend.

- Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Algemene Inspectiedienst van verweerders ministerie (AID) een bedrijfscontrole verricht bij appellante. Blijkens de daarvan opgemaakte rapportage was C bij de controle aanwezig. Daarin wordt onder andere het volgende vermeld:

" De stieren zijn aangevoerd van het Betuws Kalvercentrum BKC.

Ze zijn door E, X te B op 08 oktober 1996 aangevoerd en op 23 oktober afgevoerd, waarna ze vervolgens eveneens op 23 oktober 1996 zijn bijgeschreven op de stallijst van de B.V.

De stallen zijn eigendom van de B.V., werd door C meegedeeld.

Later zijn de stieren weer overgeschreven op naam van E, zijnde de vader van de eigenaar van de B.V., hetgeen is nagetrokken bij de VVB.

Er zijn geen dierenartskosten gemaakt volgens informatie van C.

Er is wel maiszaad door de B.V. aangekocht, hetgeen werd aangetoond met het laten zien van de aankoopfactuur, maar er kon niet worden vastgesteld worden, of de mais, die hier later van is geoogst, ook allemaal voor eigen gebruik bestemd was.

Er is 1.940 kg krachtvoer van de vader gebruikt, welke later weer is teruggeleverd. Dit werd mondeling meegedeeld. (…)

Mijn indruk is, dat met de stieren van links naar rechts wordt geschoven zonder veel in de boekhouding te verantwoorden."

- Bij besluit van 21 november 1997 is de aanvraag van appellante afgewezen.

- Appellante heeft tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. Ter gelegenheid van de op 7 januari 1998 gehouden hoorzitting heeft C onder meer verklaard dat de stallen op het adres X eigendom zijn van zijn vader en dat hij, als directeur van appellante, een gedeelte hiervan huurt voor appellante.

- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 21 april 1998 het bezwaar ongegrond verklaard.

- Appellante heeft daartegen beroep ingesteld bij het College.

- Bij uitspraak van 8 november 2000 heeft het College het beroep ongegrond verklaard, onder overweging dat het bedrijf van appellante zodanig met het bedrijf van E verbonden is dat niet goed is in te zien om welke reden de oprichting ervan anders heeft plaatsgevonden dan om de geldende maxima van de onderhavige regelgeving te ontlopen.

- Inmiddels heeft verweerder appellantes aanvragen van 12 november 1997, van

13 november 1998 en van 28 oktober 1999, bij besluiten van 18 juni 1998, 9 maart 1999 en 1 februari 2000 afgewezen.

- Appellante heeft bij brieven van 12 juli 1998, 12 maart 1999 en 9 februari 2000 daartegen bezwaar gemaakt.

- Appellante is op 18 november 1999 over de eerste twee bezwaarschriften gehoord. Op een ter behandeling van het derde bezwaarschrift op 18 april 2000 gehouden hoorzitting is zij niet verschenen.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

In de bestreden besluiten met betrekking tot de verkoopseizoenen 1997 en 1998 wordt de redenering, die ten grondslag lag aan het besluit met betrekking tot het verkoopseizoen 1996, in grote lijnen herhaald.

Samengevat wordt betoogd, dat E op zijn bedrijf teveel stieren houdt om voor alle stieren premie te verkrijgen. Daarom is het voordelig de dieren administratief te verplaatsen naar een bedrijf, dat nog ruimte heeft om premie te verkrijgen. De stieren worden daartoe verkocht, doch blijven op dezelfde locatie staan. Na de aanhoudperiode worden de stieren weer aan E verkocht.

In 1998 heeft appellante van E voor fl. 1,-- per jaar een gedeelte van de stalling gehuurd. Verweerder ziet niet in waarom appellante haar stieren afgezonderd houdt van de stieren, die C in persoon in zijn bedrijf te D houdt en neemt daarom aan dat de bedoeling is om de beperkingen van de Regeling te ontlopen.

Aan een en ander doet niet af, dat appellante een eigen boekhouding voert en als een zelfstandig bedrijf geregistreerd staat en een eigen UBN-nummer heeft.

Daaraan wordt de conclusie verbonden, dat er ten opzichte van het verkoopseizoen 1996 geen sprake is van zodanige wijzigingen in de bedrijfsvoering, dat nu tot een andere conclusie gekomen zou moeten worden.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Verweerder stelt in het bestreden besluit ten onrechte dat appellante zou hebben erkend dat het voornaamste doel in haar bedrijfsvoering is landbouwsubsidies, waaronder dierpremies, te vergaren. Appellante verwijst in dit verband naar de bedrijfsomschrijving zoals deze is vermeld in het handelsregister en haar oprichtingsakte. Dat zij in haar bedrijfsvoering gebruik maakt van de daartoe aan haar - evenals aan andere ondernemingen - ten dienste staande wettelijke mogelijkheden kan haar bezwaarlijk worden tegengeworpen.

Appellante ontleent aan de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1992, C-162/91 en van 6 november 1997, C-164/96, dat - nu zij als rechtspersoon producent is - een nadere beoordeling van haar bedrijf niet is toegestaan.

Appellante wijst er voorts op dat haar bedrijf niet kan worden aangemerkt als een afsplitsing van het bedrijf van E. Deze twee bedrijven kennen elk hun eigen bedrijfsvoerder en administratie. De omstandigheid dat appellante stalruimte huurt van E maakt dit niet anders, nu immers de met de onderhavige aanvraag verzochte stierenpremie niet aan E, maar aan appellante zou toekomen. De werkzaamheden in het bedrijf van appellante worden uitsluitend door haar directeur verricht. Indien E aan enig ander dan appellante stalruimte zou verhuren zou de situatie dezelfde zijn.

Verweerders (veronder)stelling dat E over te weinig voederareaal beschikt om voor meer dan 25 stieren (15 GVE) dierpremie in aanmerking te komen is onjuist. Het bedrijf van E beschikt over 12.76 ha snijmaïs, hetgeen voldoende is voor meer dan 40 stieren. Bovendien stelt verweerder in het bestreden besluit ten onrechte dat appellante niet over voederareaal beschikt. Appellante beschikt over 2.88 ha snijmaïs en heeft dus wel degelijk voederareaal.

Bovendien is de motivering van het bestreden besluit ondeugdelijk, nu verweerder zich aanvankelijk op het standpunt stelt dat sprake is van verwevenheid tussen het bedrijf van E en dat van appellante en appellante vervolgens tegenwerpt dat er sprake is van verwevenheid tussen het bedrijf van de directeur van appellante persoonlijk en dat van appellante. Tenslotte wordt zijdens appellante opgemerkt dat verweerder haar aanvagen heeft afgewezen op grond van dezelfde argumenten als waarop de aanvraag van 1996 is afgewezen. Verweerder had voor elk jaar een separate toetsing moeten voltrekken.

Appellante is van oordeel, dat verweerders benadering ertoe leidt, dat nieuwe bedrijven niet voor subsidie ingevolge de Regeling in aanmerking kunnen komen. Dat kan niet de bedoeling zijn van artikel 2, tweede lid, van Verordening EEG nr 3887/92. Naar appellantes oordeel bestaat de noodzaak om over deze kwestie een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie.

Appellante wijst er vervolgens op dat als zij uitsluitend zou bestaan om premie te verwerven, zij - nu zij sedert 1996 geen premie verkregen heeft - geen activiteiten meer zou moeten verrichten. Dat is echter niet het geval. Zij functioneert als zelfstandig bedrijf en doet onder andere veel op het gebied van mestverwerking.

Met betrekking tot de vraag of het beroepschrift tegen de beslissing van 3 mei 2000 wel tijdig is ingediend, heeft appellante aangevoerd, dat zij het besluit van 3 mei 2000 nooit heeft ontvangen. Zij heeft op 21 augustus 2000 bij verweerder geïnformeerd hoe het nu met de behandeling van haar bezwaarschrift stond. Op 29 augustus 200 heeft verweerder geantwoord, dat reeds op 3 mei 2000 een beslissing verzonden was. Appellante heeft vervolgens op 31 augustus verweerder verzocht een afschrift daarvan aan haar toe te zenden, waarna zij op 1 september 2000 bij het College beroep heeft ingesteld. Zij meent dan ook het beroep te hebben ingesteld zo spoedig als redelijkerwijs voor haar mogelijk was.

Gelet op al het voorgaande verzoekt appellante het College het Hof van Justitie een prejudiciële vraag voor te leggen of anders te oordelen, dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

5. De beoordeling van het geschil

Allereerst stelt het College vast, dat appellante op niet-ongeloofwaardige wijze ontkend heeft het besluit van 3 mei 2000 direct na verzending daarvan ontvangen te hebben. Nu appellante direct na ontvangst van een afschrift van dit besluit alsnog beroep heeft ingesteld, kan zij redelijkerwijs niet geacht worden in verzuim te zijn geweest, zodat het College, gelet op het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het beroep ontvankelijk acht.

Het geschil spitst zich dan toe op de vraag of verweerder op goede gronden heeft beslist dat de oprichting van het bedrijf van appellante en het houden van vijfentwintig stieren door dit bedrijf gelet op de omstandigheden van het geval moet worden aangemerkt als een wijziging in de bedrijfsvoering, die bij de toepassing van de Regeling buiten beschouwing dient te blijven.

Naar het oordeel van het College stelt verweerder zich ter beantwoording van deze vraag terecht op het standpunt dat niet de formele doelstelling van appellante, maar de feitelijke situatie bepalend is.

Niet in geschil is dat de stieren, waarvoor appellante premie heeft aangevraagd gedurende de aanhoudperiode verbleven in stalruimte, die bij E in eigendom is en door appellante werd gehuurd. Voorts staat vast dat de stieren voorafgaand aan de aanhoudperiode door E zijn gekocht, vervolgens aan appellante zijn geleverd en na het verstrijken van de aanhoudperiode door appellante weer zijn teruggeleverd aan E.

Appellante heeft bovendien erkend dat het krachtvoer door haar van E is afgenomen en na afloop van de aanhoudperiode door haar in natura aan E is betaald.

Verweerder heeft gesteld dat E, die op zijn bedrijf in de van belang zijnde periode circa 300 stieren hield, gelet op de toepasselijke regelgeving voor maximaal 25 stieren (15 GVE) voor premie in aanmerking kon komen. Appellante heeft weliswaar aangevoerd dat het bedrijf van E wel degelijk over voederareaal, te weten 12.76 hectare snijmaïs, beschikt om voor meer stierenpremie in aanmerking te komen, doch deze snijmaïs is in de aanvraag oppervlakten 1997 van E niet daadwerkelijk als voederareaal opgegeven.

Evenmin kan de stelling van appellante dat het bedrijf van C te D over 2.88 ha snijmaïs beschikt, afbreuk doen aan verweerders constatering dat C geen aanvraag oppervlakten met voederareaal heeft gedaan, zodat hij ook niet voor meer dan 25 stieren premie kon aanvragen.

Op grond van het vorenstaande moet het er derhalve voor worden gehouden dat E en C elk voor maximaal 25 stieren premie konden ontvangen.

Gelet op voormelde omstandigheid, bezien in het licht van de wijze waarop de bedrijfsvoering van E is vorm gegeven, heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat het hoofdzakelijk doel van het houden van 25 stieren door appellante onder de geschetste condities in de van E op diens bedrijf gehuurde stalruimte is de in de onderhavige regelgeving geldende maxima te omzeilen. De bedrijfsvoering van appellante ten aanzien van het houden van deze stieren is immers zodanig met het bedrijf van E verbonden dat niet goed valt in te zien om welke andere reden deze wijziging in de bedrijfsvoering heeft plaatsgevonden. Derhalve is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EEG) 3887/92 en artikel 1.3 van de Regeling. Het College voegt daaraan toe, dat het beslissende punt dus niet zozeer in de enkele oprichting van het bedrijf van appellante na 1992, maar in de eigenlijk uitsluitend financieel gewijzigde bedrijfsvoering van E ligt. De genoemde wijziging bestaat er dan uit dat E met appellante in een samenwerkingsverband is gaan opereren.

Het oordeel zou niet anders geluid hebben indien het bedrijf van appellante vóór 1992 was opgericht.

Op het verzoek van appellante om aan het Hof van Justitie vragen te stellen zal het College daarom niet ingaan. Het College deelt namelijk niet de stelling van appellante, dat zich hier een situatie voordoet, waarin een nieuwe producent uitgesloten wordt van de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor premies. Het gaat erom, dat voor een bedrijfsvoering in het bedrijf X, waar 300 stieren gehouden worden, niet meer dan een keer de maximale premie verkregen kan worden.

Het beroep is gelet op al het vorenoverwogene ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2001.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R.P.H. Rozenbrand