ECLI:NL:CBB:2001:AD8156
public
2015-11-11T19:51:38
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AD8156
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2001-12-19
AWB 00/964
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
NL
Bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AD8156
public
2013-04-04T17:31:21
2002-01-16
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2001:AD8156 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 19-12-2001 / AWB 00/964

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/964 19 december 2001

14860

Uitspraak in de zaak van:

1. de Werkgroep Verkeer van het Wijkplatform HVKR

2. de Vereniging van Huiseigenaren Complex 108 Woningen te Holthuizen,

beide te Arnhem, appellanten,

gemachtigde: A, voorzitter van appellante sub 1,

tegen

het College van Bestuur van het Regionaal Openbaar Lichaam Arnhem-Nijmegen, verweerder,

gemachtigden: P. Bretz en B.J. Harmsen.

1. De procedure

Op 14 december 2000 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen twee gelijkluidende, ten aanzien van hen afzonderlijk genomen besluiten van 14 november 2000. Bij die besluiten zijn de afzonderlijk gemaakte bezwaren van appellanten met betrekking tot een dienstregeling voor openbaar vervoer ongegrond verklaard.

Op 2 mei 2001 is een verweerschrift ingekomen.

Het College heeft bij griffiersbrief van 4 mei 2001 het openbaar vervoersbedrijf Connexxion N.V. in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Bij een op 16 mei 2001 ingekomen brief is geantwoord dat hij van die gelegenheid gebruik wil maken.

Bij een op 21 mei 2001 ingekomen brief hebben appellanten van repliek gediend.

Op 21 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellanten en verweerder hebben hierbij hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader toegelicht. Van de zijde van appellanten was tevens aanwezig B, secretaris van appellante sub 2. Connexxion N.V. was ter zitting niet aanwezig.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voorzover thans relevant, de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 11 mei 2000 heeft verweerder de dienstregeling voor het verrichten van lokaal en interlokaal openbaar vervoer binnen het rechtsgebied van het Regionaal Openbaar Lichaam Arnhem-Nijmegen voor de periode van 28 mei 2000 tot en met 9 juni 2001 vastgesteld.

- Bij brief van 7 juni 2000 heeft appellante sub 2 hiertegen bezwaar gemaakt, aangezien de in het verleden bestaande, maar in de vorige dienstregeling geschrapte halte van lijn 2 voor de wijk Holthuizen niet hersteld was. Bij brief van 13 juni 2000 heeft appellante sub 1 eveneens bezwaar gemaakt.

- Op 23 augustus 2000 is een hoorzitting gehouden.

- Vervolgens heeft de raad van verweerders openbaar lichaam, zoals in rubriek 1 is vermeld, op 14 november 2000 de bestreden besluiten genomen, waartegen appellanten beroep hebben ingesteld.

- Bij besluit van 14 december 2000 heeft verweerder de einddatum van de dienstregeling voor het verrichten van lokaal en interlokaal openbaar vervoer binnen het rechtsgebied van het Regionaal Openbaar Lichaam Arnhem-Nijmegen, zoals die gold voor de periode van 28 mei 2000 tot en met 9 juni 2001, nader vastgesteld op 31 december 2001.

3. De bestreden besluiten

De bestreden besluiten houden in dat, gelet op het algemeen belang, niet gesproken kan worden van een onacceptabele achteruitgang van de voorzieningen die door lijn 2 in Arnhem-Zuid worden geboden. Gezien de verbeterde reismogelijkheden vanuit een aantal wijken in Arnhem-Zuid en de ingezette beleidslijn met de Contourennota Trolley 2000, zijn er voldoende redenen de huidige situatie te handhaven.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben gemotiveerd aangegeven dat en waarom zij het onacceptabel vinden dat de wijk Holthuizen niet direct door openbaar vervoer wordt ontsloten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of appellanten wel als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn aan te merken bij het primaire besluit van 11 mei 2000. Ingevolge het eerste lid van dit artikel is hiertoe vereist dat hun belangen rechtstreeks bij dit besluit zijn betrokken. Gelet op het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

5.2 Wat betreft appellante sub 1 overweegt het College het volgende.

De werkgroep verkeer is te beschouwen als onderdeel van het wijkplatform. Appellante sub 1 heeft verklaard dat het platform door de gemeente is opgericht, met als doel op te komen voor de belangen van de desbetreffende wijken. Van gemeentewege wordt subsidie verstrekt. Het dagelijks bestuur van het platform wordt gevormd door ambtenaren van de gemeente, voor het overige zijn er vrijwilligers werkzaam. Iedereen kan aan het platform deelnemen. Verschillende bedrijven en instanties zijn vertegenwoordigd. Het platform is geen rechtspersoon en heeft geen statuten. Desgevraagd is ter zitting tevens verklaard dat de werkgroep heeft besloten tot het instellen van beroep, maar dat dit wel is gegaan in overleg met en met toestemming van het dagelijks bestuur van het platform. Het platform is op die wijze vanuit de werkgroep in beroep gekomen.

Het College constateert, dat het wijkplatform niet zonder meer tot doelstelling heeft de belangen van de wijkbewoners te behartigen. De oprichting door de gemeente en de samenstelling van het dagelijks bestuur uit gemeenteambtenaren wijzen erop, dat de doelstelling veeleer daarin gelegen is, dat in een discussie tussen alle betrokken partijen de wijkbelangen zichtbaar gemaakt, helder geformuleerd en afgewogen worden. Bij het functioneren van het platform of een werkgroep daaruit zullen de belangen van (groepen van) bewoners en/of gebruikers van de betrokken wijken door verschillende deelnemers naar voren gebracht worden teneinde te bevorderen, dat deze een plaats krijgen in met name de gemeentelijke besluitvorming. Daartoe is een pluriforme samenstelling gewenst. Met die pluriforme samenstelling is niet te verenigen dat een dergelijk platform geacht zou worden zelf de drager te zijn van de aldus door verschillende partijen bepleite belangen.

Daaraan verbindt het College de conclusie, dat geen sprake is van een rechtstreeks bij het besluit tot vaststelling van de dienstregeling betrokken belang van het wijkplatform, zodat het wijkplatform niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb beschouwd kan worden.

Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar van appellante sub 1 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Verweerder heeft dit niet onderkend. Het beroep van appellante sub 1 is derhalve gegrond en de ten aanzien van haar genomen beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd. Nu verweerder geen andere beslissing zou resten dan het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, zal het College op die wijze, met toepassing van het vierde lid van artikel 8:72 van de Awb, zelf in de zaak voorzien.

5.3 Wat betreft appellante sub 2 overweegt het College dat de Vereniging van Huiseigenaren rechtspersoonlijkheid bezit. Blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten heeft zij ten doel "de belangen van haar leden in het complex van 166 woningen te Holthuizen te behartigen, voorzover die verband houden met het onderhoud van hun woningen, het beheer van de gemeenschappelijke antenne inrichting (GAI) en van de andere huiseigenaren in dat complex voorzover het beheer van de GAI betreft". Het belang waarvoor appellante sub 2 in deze procedure opkomt en dat ziet op het aanwezig zijn van een voldoende mate van openbaar vervoer van een naar de wijk Holthuizen, kan niet onder dit statutaire doel worden begrepen. Dat de vereniging zich in de praktijk ook inzet voor de leefomgeving en dat een wijziging van de statuten terzake in voorbereiding is of dat zij deelneemt aan het wijkplatform, zoals appellante sub 2 heeft aangegeven, doet hieraan niet af. De conclusie is dan ook dat appellante sub 2 geen belanghebbende is bij het primaire besluit van 11 mei 2000.

Hieruit volgt dat ook het bezwaar van appellante sub 2 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Verweerder heeft dit niet onderkend. Het beroep van appellante sub 2 is eveneens gegrond en de ten aanzien van haar genomen beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd. Ook hier zal het College zelf in de zaak voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Gelet op het vorenstaande heeft het College geen aanleiding gevonden te onderzoeken op grond waarvan de raad van verweerders openbaar lichaam zich bevoegd geacht heeft op het tegen verweerders besluit ingediende bezwaarschrift een beslissing te nemen.

5.4 Nu namens appellanten ter zitting verklaard is, dat niet gevraagd werd om een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb zal het College zodanige veroordeling niet uitspreken.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- verklaart de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- gelast dat het Regionaal Openbaar Lichaam Arnhem-Nijmegen aan appellanten het door hen gezamenlijk voor de

behandeling van het beroep betaalde griffierecht van fl. 450,-- (zegge: vierhonderdenvijftig gulden) vergoedt.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2001.

w.g. D. Roemers w.g. R.H.L. Dallinga