ECLI:NL:CBB:2002:AD9058
public
2015-11-10T10:22:56
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AD9058
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2002-01-16
AWB 00/694
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2002:AD9058
public
2013-04-04T17:34:39
2002-02-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2002:AD9058 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 16-01-2002 / AWB 00/694

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/694 16 januari 2002

5135

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: J.T.G. de Wolff, werkzaam bij accountantskantoor Dijksterhuis en Uil B.V., te Groningen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J. Teigeler, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 21 augustus 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 juli 2000. Bij dit besluit is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 december 1999, waarbij haar aanvraag om een bijdrage op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is afgewezen, gegrond verklaard en is dat besluit herroepen onder toekenning van een bijdrage van

fl. 23.936,50.

Op 11 september 2000, verzonden 13 september 2000, heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 25 juli 2000, een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 december 1999 wederom gegrond is verklaard. Hierbij is een extra bedrag toegekend maar is het, na verrekening van het reeds aan appellante betaalde voorschot, nog te betalen bedrag vastgesteld op fl. 23.648,97.

Bij faxbericht van 24 oktober 2000 heeft appellante ook tegen het besluit van 11 september 2000 beroep ingesteld.

Op 12 januari 2001 is een verweerschrift ingekomen.

Op 5 december 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader toegelicht. Voor appellante is voorts het woord gevoerd door A.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

e) raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad (…)

(…)

l. akkerland:

a. geheel van tot het bedrijf behorende grond (…)

b. grond die overeenkomstig de Beschikking ter zake van het uit produktie nemen van bouwland uit productie is geweest;

(…)

Artikel 3

Overeenkomstig de raadsverordening, (…) verordening 3887/92 (…) en deze regeling (…) worden jaarlijks op aanvraag de beschikkingen tot subsidievaststelling gegeven aan producenten van akkerbouwgewassen (…)"

Bij Verordening (EEG) nr. 1765/92 is - voorzover hier van belang - het volgende bepaald:

" Artikel 10

1. De compensatiebedragen voor granen en eiwithoudende gewassen en de compensatie voor de verplichting om grond uit produktie te nemen worden uitbetaald in de periode van 16 oktober tot en met 31 december die volgt op de oogst.

2. Om voor het compensatiebedrag in aanmerking te komen moet de producent uiterlijk op 15 mei voorafgaand aan de betrokken oogst:

- hebben ingezaaid

- een aanvraag hebben ingediend."

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 229/95, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 4

1. Onverminderd de eisen die in de sectoriële verordeningen worden gesteld, moet een steunaanvraag "oppervlakten" alle benodigde gegevens bevatten, en met name:

- de identificatie van het bedrijfshoofd,

- de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, hun ligging, het gebruik ervan (…) en de betrokken steunregeling,

(…)

2.a De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijziging uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

Wat de percelen landbouwgrond betreft, mag de steunaanvraag "oppervlakten" slechts worden gewijzigd in bijzondere gevallen die naar behoren zijn gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of sluiting van een pachtovereenkomst. (…) Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die voor een braaklegging of als voederareaal zijn aangegeven, tenzij het een geval betreft dat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen naar behoren is gemotiveerd en op voorwaarde dat dit perceel reeds voor braaklegging of als voederareaal was opgenomen in een steunaanvraag van een ander bedrijfshoofd, welke laatste steunaanvraag dienovereenkomstig wordt gecorrigeerd.

(…)

Artikel 5 bis

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op een hiertoe strekkend formulier, door verweerder (agentschap LASER) ontvangen op 15 april 1999, een "aanvraag oppervlakten 1999; algemene regeling en voederareaal" ingediend. Hierbij heeft zij voor diverse percelen met diverse gewassen om een bijdrage gevraagd ingevolge de Regeling. Voorzover hier van belang is op het formulier het volgende ingevuld:

Volgnummer bijdragecode gewascode beteelde oppervlakte

perceel (ha)

9 860 245 (koolzaad) 7.80

14 999 668 (braak met 2.74

groenbemester)

16 999 668 0.40

17 999 668 0.40

18 840 233 (wintertarwe) 55.00

19 840 233 4.27

20 999 244 (conservenerwten) 3.92

De code 999 duidt op niet voor bijdrage bestemde teelten.

- Bij besluit van 1 december 1999, verzonden 16 december 1999, is de aanvraag voor verweerder door de teammanager van LASER afgewezen omdat niet aan de voorwaarden is voldaan. Voor 67.07 ha (de percelen 9, 18 en 19) is een bijdrage gevraagd. Bij een dergelijke oppervlakte is minimaal 7,45 ha braak vereist, terwijl voor 0 ha een bijdrage wegens braak is gevraagd.

- Bij brief van 17 december 1999, ingekomen bij LASER op 21 december 1999, heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij gesteld dat is gebleken dat de bijdragecode voor de percelen 14, 16, 17 en 20 en de gewascode voor perceel 20 verkeerd is ingevuld. Voor de percelen 14, 16 en 17 moet worden gelezen: bijdragecode 830, gewascode 668 (braak met toegestane groenbemester) en voor perceel 20: gewascode 667 (zwarte braak) en bijdragecode 830. Tezamen gaat het om 7.46 ha.

- Vervolgens heeft verweerder (voor deze: de regiomanager van LASER) op 25 juli 2000 en 11 september 2000 de besluiten genomen als vermeld in rubriek 1 van deze uitspraak.

3. Het bestreden besluit

Bij het besluit van 11 september 2000, dat nagenoeg gelijkluidend is aan het ingetrokken besluit van 25 juli 2000, heeft verweerder - voorzover hier van belang - het volgende overwogen:

" Als producent bent u verantwoordelijk voor het juist invullen van uw eigen aanvraag. De gevolgen van een onjuiste opgave dienen in beginsel voor uw rekening te blijven, behalve in het geval er sprake is van een duidelijke fout. Er is sprake van een duidelijke fout, indien redelijkerwijs is uitgesloten dat ten tijde van de aanvraag die opgave conform uw bedoeling was. Objectief moet derhalve vast staan dat de destijds gedane opgave kennelijk fout was.

Er is sprake van een duidelijke vergissing in de zin van het werkdocument van de Europese Commissie van 18 januari 1999, indien er een tegenstrijdigheid in de aanvraag zit die wijst op een vergissing.

Met betrekking tot het wijzigen van de gewascode van perceel 20 merk ik het volgende op. Fouten met betrekking tot gewascodes kunnen alleen als klaarblijkelijke fouten worden aangemerkt in het geval dat een landbouwer zich bij de aangifte heeft vergist door de producten waarvoor twee percelen worden gebruikt, te verwisselen, Tevens gelden daarbij onder andere de voorwaarden dat het niet gaat om een perceel dat wordt gebruikt als een met voedergewassen beteelde oppervlakte en dat de feitelijke teelt ter plaatse is gecontroleerd voor de oogst. Naar mijn mening is van een dergelijke situatie hier geen sprake aangezien het hier gaat om één perceel en niet om een verwisselingen van twee percelen.

Met betrekking tot het wijzigen van de bijdragecodes van de percelen 14, 16 en 17 merk ik het volgende op. Naar mijn mening is er geen sprake van een klaarblijkelijke fout als bedoeld in het werkdocument van de commissie. Uw aanvraag is als zodanig niet onlogisch, niet onvolledig en consequent ingevuld. Het staat voor de producent vrij om voor een perceel - waar mogelijk - al dan niet een subsidie aan te vragen. LASER behoefde derhalve geen gerede twijfel te hebben ten aanzien van hetgeen u met uw aanvraag beoogde.

Uit vorenstaande volgt dat er geen sprake is van een duidelijke fout, zodat uw aanvraag niet gewijzigd kan worden. U komt niet in aanmerking voor een subsidie voor de percelen 14, 16 en 17 en de gewascode van perceel 20 kan niet gewijzigd worden.

Over het besluit d.d. 1 december 1999 (verzonden 16 december 1999), waarbij uw hele aanvraag is afgewezen, merk ik het volgende op.

Om voor subsidie in het kader van de algemene regeling in aanmerking te komen bepaalt artikel 16, eerste lid, van de Regeling juncto artikel 7, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1635/98 dat de producent 10% van de akkerbouwpercelen waarvoor hij subsidie aanvraagt en van de oppervlakte die hij braaklegt, uit productie moet nemen. Hieruit volgt dat de producent slechts een bepaalde oppervlakte uit productie moet nemen. Niet is vereist dat de producent, om voor subsidie voor akkerbouwgewassen in aanmerking te komen, ook subsidie aanvraagt voor de braakpercelen.

Om voor subsidie voor akkerbouwgewassen in aanmerking te komen is vereist dat de braakpercelen aan de braakvoorwaarden voldoen. Gebleken is dat de percelen 14, 16 en 17 aan deze voorwaarden voldoen. Echter het totaal van deze percelen is 3,54 ha. U voldoet hiermee niet aan uw braakverplichting van 10%. Noodzakelijk is namelijk dat u 7,45 ha. (67,07 ha. x 10/90) braak legt. Nu u niet voldoet aan uw braakverplichting komt u slechts gedeeltelijk in aanmerking voor een subsidie.

Gelet op het bovenstaande geeft heroverweging van het besluit van de teammanager mij aanleiding om dit besluit gedeeltelijk te herroepen."

Verweerder verklaart vervolgens het bezwaar gegrond in die zin dat appellante voor 47,50 % in aanmerking komt voor subsidie voor overige granen. Voor het overige wordt het bezwaar ongegrond verklaard. Appellante komt niet in aanmerking voor subsidie voor de percelen 14, 16, 17 en 20.

Het vorenstaande betekent in de visie van verweerder tevens dat appellante ook slechts voor 47,50 % in aanmerking komt voor subsidie voor oliehoudende zaden. Verweerder berekent dit bedrag op fl. 5.463,02. Omdat al een voorschot van 50 % - zijnde fl. 5.750,55 - daarop is uitbetaald, wordt de 2,5 % die teveel is betaald teruggevorderd.

Appellante heeft volgens verweerder nog recht op een bedrag van fl. 23.936,50 minus het teveel uitbetaalde voorschot; derhalve fl. 23.648,97.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep - samengevat weergegeven - aangevoerd dat zij een administratieve fout heeft gemaakt bij het invullen van het aanvraagformulier door zich een regel te verkijken in het bij het formulier behorende codeboek.

Hierdoor heeft zij voor perceel 20 de verkeerde codes opgegeven. Zij heeft geen conservenerwten geteeld. In totaal had appellante in 1999 7.46 ha braak liggen, waarvan 3.54 ha vallende onder de codes 830-668 en 3.92 ha vallende onder de codes 830-667.

Van een opzettelijk onjuist invullen is geen sprake. Daarmee zou appellante zichzelf immers tekort doen. Appellante vindt het onredelijk dat haar vergissing leidt tot een grote financiële afstraffing als hier aan de orde. Na ontvangst van het formulier had de vergissing LASER bij eerste controle moeten opvallen en was herstel binnen de termijn mogelijk geweest, aldus appellante. Zij meent dat zij recht heeft op een volledige tegemoetkoming voor de met wintertarwe bebouwde percelen 18 en 19, voor de percelen 14, 16 en 17, aangezien de braak daarvan niet wordt betwist, alsook voor het feitelijk braakliggende perceel 20.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellante heeft ook tegen de herziene beslissing op bezwaar van 11 september 2000, beroep ingesteld. Nu niet is gebleken van enig zelfstandig belang van appellante bij een beoordeling van het beroep tegen de bij voornoemd besluit ingetrokken beslissing op bezwaar van 25 juli 2000, zal het College aan dat beroep voorbij gaan.

5.2 Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat slechts aan het bezwaar van appellante tegemoet kan worden gekomen, indien door appellante bij de aanvraag een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in een dergelijk geval is het blijkens artikel 5bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 mogelijk de aanvraag na de uiterste indieningsdatum te wijzigen.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een werkdocument van 18 januari 1999, VI/7103/98/ Rev2-NL, enkele richtsnoeren inzake manifeste fouten in de zin van genoemd artikel 5bis vastgesteld.

Zoals het College eerder heeft overwogen komt aan dit werkdocument naar zijn aard niet de verbindende kracht toe die verweerder hieraan wenst te verbinden en kan de inhoud van het werkdocument ook niet als een limitatief systeem van mogelijke gronden voor het toelaten van wijziging van aanvragen na de sluitingsdatum worden beschouwd.

Wel komt verweerder de bevoegdheid toe binnen de door Verordening (EEG) nr. 3887/92 getrokken grenzen aan de hand van het werkdocument een vaste beleidslijn te ontwikkelen.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich mede gelet op deze door hem terzake gehanteerde beleidslijn op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de aanvraag van appellante geen klaarblijkelijke fout(en) behelsde.

Het College overweegt daartoe het volgende.

Wat betreft perceel 20 is het bepaald niet evident dat het ging om een verkeerde opgave. Hoewel de verklaring van appellante voor de door haar gemaakte vergissing plausibel is en het volgens appellante niet gebruikelijk is ter plaatse conservenerwten te verbouwen, is dit laatste niet onmogelijk. Reeds hierom kon verweerder bij zijn besluitvorming uitgegaan van de juistheid van de opgave op dit punt.

Ook wat betreft de percelen 14, 16 en 17 heeft verweerder op goede gronden geen bijdrage toegekend.

Het staat de betrokken producent immers vrij om voor een bepaald perceel al dan niet een bijdrage aan te vragen. Van verweerder kan niet worden verlangd te treden in de motieven van de aanvrager. Het invullen van de bijdragecode "999" voor de desbetreffende percelen behoeft derhalve evenmin te duiden op een kennelijke vergissing.

Voorzover appellante met haar argument inzake de tijdige indiening van haar aanvraag heeft willen betogen dat verweerder haar voor 15 mei had moeten wijzen op het feit dat door de wijze van invulling daarvan de met subsidiabele gewassen beteelde percelen niet volledig voor een bijdrage in aanmerking konden komen, zodat de fout(en) nog had(den) kunnen worden hersteld, faalt dit betoog.

Van verweerder kan immers gelet op het grote aantal aanvragen dat hij ontvangt niet worden verlangd dat hij deze alle direct controleert.

Uitgaande van de opgave van appellante, heeft verweerder bij het bestreden besluit vervolgens niet onjuist gehandeld door de akkerbouwpercelen gedeeltelijk, naar rato van de opgegeven braak, voor een bijdrage in aanmerking te brengen.

5.2 Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is. Aldus zal worden beslist.

5.3 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham, mr W.E. Doolaard en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2002.

w.g. M.A. van der Ham w.g. R.H.L. Dallinga