ECLI:NL:CBB:2002:AD9977
public
2015-11-16T15:16:23
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AD9977
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2002-02-15
AWB 01/482
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Drank- en Horecawet 1
Wet op de kansspelen 30
Wet op de kansspelen 30c
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2002:AD9977
public
2013-04-04T17:38:12
2002-03-08
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2002:AD9977 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 15-02-2002 / AWB 01/482

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/482 15 februari 2002

29010

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr F.J.M. Kobossen en mr H.H. van Steijn, advocaten te Deventer,

tegen

de burgemeester van Meppel, verweerder,

gemachtigden: D. van der Sloot en A.I. Postma, werkzaam bij verweerders gemeente.

1. De procedure

Op 3 mei 2001 heeft de rechtbank te Assen van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 maart 2001.

Op 5 juni 2001 heeft de rechtbank een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ontvangen.

Bij brief van 22 juni 2001 is het beroepschrift door de rechtbank aan het College doorgezonden, waar het op 25 juni 2001 is ontvangen.

Op 28 augustus 2001 heeft appellant nadere gronden van het beroep bij het College ingediend.

Op 17 oktober 2001 is een nader verweerschrift door het College ontvangen.

Op 8 februari 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht; appellant bij monde van mr H.H. van Steijn, verweerder bij monde van zijn beide gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) luidt sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

(…)

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…).

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

c. in een inrichting, anders dan onder a of b, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de

burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan.

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

3. (…)

4. Indien zich binnen een laagdrempelige inrichting een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, waarin rechtmatig alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, dan wordt deze lokaliteit als hoogdrempelige inrichting aangemerkt voor de toepassing van deze titel, indien:

a. voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 30, onder d, en

b. de overige ruimten in die inrichting door het publiek uitsluitend te bereiken zijn zonder eerst deze lokaliteit te betreden.

5. (…)."

Artikel 1 van de Drank- en Horecawet luidt, sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

(…)

- horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;

- horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant exploiteert "Zalencentrum Café-Restaurant A", gevestigd aan de X-straat, te B. Zijn onderneming bevat een café en een zaal (annex toneel), die van elkaar worden gescheiden door een harmonicawand.

- Het zaalgedeelte wordt onder meer gebruikt voor grote feesten. De harmonicawand is dan geheel geopend en het café is dan gesloten voor anderen dan feestgasten.

- Het zaalgedeelte wordt ook afzonderlijk gebruikt voor activiteiten. Dan is het café tegelijkertijd geopend voor cafébezoekers. In deze situatie is de harmonicawand deels geopend teneinde de gebruikers van het zaalgedeelte vanuit het café van consumpties te voorzien.

- Het zaalgedeelte wordt onder meer gebruikt voor bruiloften, bruidsbeurzen en verzamelbeurzen.

- Op 1 juni 1995 is appellant een vergunning voor onbepaalde tijd verleend voor het aanwezig hebben van een kansspelautomaat. Deze automaat bevond zich in het cafégedeelte.

- Bij brief van 4 augustus 2000 heeft verweerder appellant erop gewezen dat tengevolge van de wijziging van de Wet per 1 juni 2000 zijn vergunning is komen te vervallen en dat hij, indien gewenst, een nieuwe vergunning diende aan te vragen.

- Appellant heeft op 10 augustus 2000 ten behoeve van vermelde onderneming een vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet gevraagd tot het aanwezig hebben van één kansspelautomaat.

- Bij brief van 22 november 2000 heeft verweerder appellant meegedeeld dat de gevraagde vergunning wordt geweigerd. Hem is tevens aangezegd de geplaatste kansspelautomaat vóór 1 januari 2001 te verwijderen.

- Bij brief van 29 november 2000 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de weigering van de gevraagde vergunning.

- Op 21 december 2000 heeft appellant zijn bezwaar toegelicht op een hoorzitting.

- Op 11 januari 2001 heeft de Commissie bezwaar- en beroepschriften verweerder geadviseerd de bezwaren gegrond te verklaren voor wat betreft de motivering van het primaire besluit. Inhoudelijk dient naar haar oordeel het bezwaar ongegrond te worden verklaard. Hiertoe overweegt de commissie, voorzover hier van belang, het volgende:

" Het is de Commissie gebleken dat het in het onderhavige geval een café-zalencentrum betreft, waarbij het zalencentrum een laagdrempelige inrichting is en het café een hoogdrempelige inrichting is.

Ingevolge de Wet op de kansspelen mogen een hoog- en laagdrempelige inrichting niet direct met elkaar in verbinding staan. Is dit wel het geval dan kan de hoogdrempelige inrichting alleen als zodanig worden aangemerkt indien er een voldoende feitelijke afscheiding is aangebracht. Dit begrip wordt niet nader uitgelegd maar hangt af van de feitelijke situatie.

(…)

De Commissie heeft geconstateerd dat er in het onderhavige geval een schuifwand is tussen de beide lokaliteiten. Bezwaarde heeft aangegeven dat het de bedoeling is dat bij grote partijen de schuifwand wordt weggehaald. De Commissie is dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat door de schuifwand een voldoende afscheiding is aangebracht. De schuifwand is juist bedoeld om van de lokaliteiten één geheel te maken waarbij er geen onderscheid meer kan worden gemaakt. Bezwaarde heeft (…) aangegeven dat hij bij grote partijen de kansspelautomaat zou kunnen uitzetten of verplaatsen. De Commissie is echter van oordeel dat dit niet valt te controleren. Hierbij kan geen onderscheid worden gemaakt in de betrouwbaarheid van de ondernemer."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard. De weigering van de gevraagde vergunning wordt gehandhaafd, onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften. Voorts vermeldt het besluit, voorzover hier van belang:

" Uw zalencentrum (laag) bevindt zich in direct verbinding met het café (hoog). De schuifwand is een onvoldoende afscheiding. Hiermee handelt u in strijd met artikel 30c lid 4 van de Wet op de kansspelen."

Het bestreden besluit vermeldt de mogelijkheid hiertegen in beroep te gaan, maar geeft ten onrechte aan dat de rechtbank te Assen de terzake bevoegde rechter is.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samenvattend weergegeven - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De zaal wordt slechts zeer incidenteel gebruikt en dan door grote partijen van personen die allen ouder dan 18 jaar zijn. Het cafébezoek staat op zichzelf. Het gebruik van het zalencentrum heeft niets met een laagdrempelige inrichting van doen en is niet als laagdrempelig aan te merken. Er is sprake van één hoogdrempelige inrichting.

Subsidiair: er is sprake van een samengestelde inrichting waarin - gegeven de wet - sprake kan zijn van plaatsing van een kansspelautomaat.

Meer subsidiair: appellant is bereid de inrichting zodanig aan te passen, dat sprake is van een voor verweerder aanvaardbare situatie.

Tenslotte: omdat het café slechts enkele keren per jaar "bij de zaal wordt getrokken", treedt deze situatie zodanig incidenteel op, dat het mogelijk is dan gebruik van de kansspelautomaat tegen te gaan met aan de vergunning verbonden voorwaarden, neerkomend op het afsluiten of tijdelijk verwijderen van de automaat.

5. De beoordeling van het geschil

Het primair door appellant betrokken standpunt komt erop neer, dat sprake is van één café met een hoogdrempelig karakter, waartoe het door een harmonicawand af te scheiden zaalgedeelte behoort, zonder dat dit gedeelte bedoeld karakter beïnvloedt. Het College deelt dit standpunt niet. Terecht heeft verweerder aangenomen dat het gebruik van het zaalgedeelte dat geschiedt ten behoeve van specifieke activiteiten niet bestaande uit café- of restaurantbezoek zelf, een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. De ter zitting gegeven voorbeelden van het zaalgebruik en de benaming waaronder appellant handelt - waarin het begrip "zalencentrum" als afzonderlijke activiteit wordt vermeld - duiden hier ook op. Aldus wordt niet voldaan aan de omschrijving van een hoogdrempelige inrichting uit artikel 30, onder d, van de Wet en is (dus) sprake van een laagdrempelige inrichting als bedoeld in onderdeel e van dit artikel. Artikel 30c, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet staat in een dergelijke inrichting aan verlening van de verlangde vergunning in de weg.

Het subsidiair gedane beroep op de uitzondering, voorzien in artikel 30c, vierde lid, van de Wet, faalt. Vereist hiertoe is immers dat binnen de laagdrempelige inrichting een horecalokaliteit valt te onderscheiden die - kort gezegd - hoogdrempelig is. Van een dergelijke lokaliteit is geen sprake, aangezien het cafégedeelte, dat in deze opvatting als zodanige lokaliteit zou moeten zijn aan te merken, ten opzichte van het zaalgedeelte niet als "besloten ruimte" valt aan te merken. Het College overweegt hiertoe dat, naar verweerder terecht heeft overwogen, de afscheiding van beide ruimten door een te openen

- en bij gebruik van het zaalgedeelte steeds geheel of gedeeltelijk geopende - harmonicawand een onvoldoende afscheiding vormt om te spreken van twee afzonderlijke lokaliteiten als gedefinieerd in artikel 1 van de Drank- en Horecawet.

Het meer subsidiaire standpunt van appellant betreft een aanbod om de inrichting aan te passen aan de wensen van verweerder. Dit aanbod betreft een mogelijk in de toekomst te realiseren situatie en is voor beantwoording van de vraag of de situatie ten tijde van het bestreden besluit voor vergunningverlening in aanmerking kwam niet van belang.

Naar het oordeel van het College maakt de weigering van verweerder om via het stellen van voorschriften of beperkingen als voorgesteld door appellant vergunningverlening toch mogelijk te maken het bestreden besluit evenmin onrechtmatig. Het beleid van verweerder, inhoudend dat hij dergelijke voorschriften of beperkingen niet stelt omdat deze uit een oogpunt van controle onevenredige lasten voor hem mee zou brengen, acht het College aanvaardbaar. Het College overweegt in dit verband dat de voorschriften of beperkingen niet enkel - zoals appellant suggereert - betrekking zouden moeten hebben op de - volgens hem - incidentele gevallen van grote bijeenkomsten waarin het café als zodanig gesloten is, doch ook op de situaties waarin het zaalgedeelte - met een gedeeltelijk geopende harmonicawand - tegelijk met het café in gebruik is.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2002.

w.g. C.J. Borman w.g. R.H.L. Dallinga