ECLI:NL:CBB:2002:AE5151
public
2018-08-25T09:03:17
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AE5151
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2002-05-30
AWB 01/835
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 22
Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 27
Rechtspraak.nl
JOM 2006/716
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2002:AE5151
public
2013-04-04T17:55:05
2002-07-10
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2002:AE5151 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-05-2002 / AWB 01/835

-

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/835 30 mei 2002

32010 Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating

Uitspraak in de zaak van:

1. Vereniging van Waterbedrijven in Nederland, te Rijswijk,

2. Brabant Water N.V., te 's-Hertogenbosch,

3. N.V. Waterbedrijf Gelderland, te Arnhem,

gemachtigde: mr J.H.A.M. Scheiffers, advocaat te Rotterdam,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, hierna ook: het CTB, te Wageningen, verweerder,

gemachtigde: mr F. Heus, advocaat te Den Haag,

waarbij voorts als partij deelneemt BASF Nederland B.V., hierna ook: BASF, te Arnhem,

gemachtigde: mr A.S. Gratama, advocaat te Breda.

1. De procedure

Op 26 oktober 2001 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op een bezwaar dat appellanten op 18 oktober 2000 bij verweerder hadden ingediend tegen een besluit van verweerder van 6 september 2000. Dit besluit had betrekking op een verzoek van appellanten om informatie over bentazon-houdende bestrijdingsmiddelen waarvan verweerder de toelatingen op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: de Bmw) had verlengd.

Bij besluit van 11 januari 2002 heeft verweerder alsnog beslist op het bezwaar.

Op 20 februari 2002 hebben appellanten een aanvullend beroepschrift ingediend.

Bij faxberichten van 5 maart 2002 en 6 maart 2002 heeft BASF enkele stukken in het geding gebracht.

Op 6 maart 2002 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 7 maart 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij appellanten, het CTB en BASF hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieuinformatie (Pb. 1990, L 158, blz. 56) bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "milieu-informatie": alle beschikbare informatie in geschreven, visuele, auditieve of geautomatiseerde vorm betreffende de toestand van water, lucht, bodem, fauna, flora, akkers en natuurgebieden, betreffende activiteiten (met inbegrip van activiteiten die hinder veroorzaken, zoals lawaai) en maatregelen die hierop een ongunstig effect hebben of waarschijnlijk zullen hebben, en betreffende beschermende activiteiten en maatregelen ter zake, met inbegrip van bestuursrechtelijke maatregelen en milieubeheersprogramma's;

b) "overheidsinstanties": alle overheidsorganen die op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau op het gebied van het milieu verantwoordelijkheid dragen en over informatie beschikken, met uitzondering van lichamen die in een rechterlijke of wetgevende hoedanigheid optreden.

Artikel 3

1. Behoudens het bepaalde in dit artikel waarborgen de Lid-Staten dat overheidsinstanties gehouden zijn op verzoek milieu-informatie beschikbaar te stellen aan iedere natuurlijke of rechtspersoon, zonder dat deze een belang behoeft aan te tonen.

De Lid-Staten werken de praktische regelingen uit op grond waarvan dergelijke informatie daadwerkelijk beschikbaar wordt gesteld.

2. De Lid-Staten kunnen bepalen dat een verzoek om dergelijke informatie kan worden geweigerd indien het afbreuk doet aan een van de volgende punten:

(...)

- vertrouwelijke commerciële en industriële gegevens, met inbegrip van intellectuele eigendom;

- het vertrouwelijke karakter van persoonlijke gegevens en/of dossiers;

- gegevens die zijn verstrekt door derden zonder dat deze daartoe wettelijk verplicht waren;

(...)

Informatie waarover overheidsinstanties beschikken, wordt gedeeltelijk verstrekt wanneer het mogelijk is deze te scheiden van informatie over zaken waarmee de bovengenoemde belangen zijn gemoeid.

3. (...)"

Artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (Pb. 1991, L 230, blz. 1) bepaalt het volgende:

" De Lid-Staten en de Commissie dragen er, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990 betreffende de vrije toegang tot milieu-informatie, zorg voor dat door de aanvragers verstrekte informatie die industriële of commerciële geheimen bevat, vertrouwelijk wordt behandeld indien de aanvrager die een werkzame stof in bijlage I wenst te doen opnemen, dan wel de aanvrager van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel hierom verzoekt, en indien de Lid-Staat of de Commissie de door de aanvrager verstrekte motivering aanvaardt.

De volgende informatie wordt niet als vertrouwelijk beschouwd:

- de namen en de inhoud van de werkzame stof of stoffen en de naam van het gewasbeschermingsmiddel;

- de naam van andere stoffen die uit hoofde van de Richtlijnen 67/548/EEG en 78/631/EEG als gevaarlijk worden beschouwd;

- de fysisch-chemische eigenschappen van de werkzame stof en van het gewasbeschermingsmiddel;

- de wijzen waarop de werkzame stof of het gewasbeschermingsmiddel onschadelijk kunnen worden gemaakt;

- een beknopt overzicht van de uitkomsten van proeven die ertoe strekken de werkzaamheid en de onschadelijkheid voor mens, dier, plant en milieu vast te stellen;

- de methoden en voorzorgsmaatregelen die worden aanbevolen om de risico's van hantering, opslag, vervoer, brand en andere risico's te beperken;

- de analysemethoden bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c) en d), en in artikel 5, lid 1;

- de methoden voor het verwijderen van het middel en voor het verpakken ervan;

- de te nemen decontaminatiemaatregelen bij per ongeluk morsen of lekken;

- de eerste hulp en de medische behandeling bij persoonlijke ongevallen.

Indien de aanvrager op een later tijdstip voordien vertrouwelijke informatie vrijgeeft, dient hij de bevoegde instantie daarvan op de hoogte te brengen."

Artikel 22 van de Bmw bepaalt het volgende:

" 1. De verplichting tot geheimhouding op grond van artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht geldt niet ten aanzien van die bestanddelen van een bestrijdingsmiddel, welke schadelijk zijn voor de mens, of voor dieren of planten, welker instandhouding gewenst is.

2. Indien in een stuk dat ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde aan Onze betrokken Minister, onderscheidenlijk het college, dan wel aan een andere persoon of instelling wordt overgelegd, gegevens voorkomen of uit zodanig stuk gegevens kunnen worden afgeleid, waarvan de geheimhouding met het oog op bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is, besluit Onze betrokken Minister, onderscheidenlijk het college, op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van degene die het stuk overlegt, dat die gegevens geheim worden gehouden. Een zodanig verzoek is met redenen omkleed.

3. Onze betrokken Minister stelt regelen met betrekking tot de gegevens waarvoor de verplichting tot geheimhouding niet geldt."

Artikel 27 van de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995, verder ook: Rtb 1995, bepaalt het volgende:

" 1. Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 7, 15 en 16 wordt schriftelijk en met redenen omkleed aangegeven van welke bij de aanvraag geleverde gegevens geheimhouding wordt verzocht. Het college besluit op het verzoek.

2. De volgende gegevens met betrekking tot toegelaten bestrijdingsmiddelen worden niet geheim gehouden:

- de namen en de inhoud van de werkzame stof of stoffen en de naam van het bestrijdingsmiddel;

- de naam van andere stoffen die uit hoofde van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, verpakking, en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196) en richtlijn nr. 78/631/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 206) zijn aangewezen als gevaarlijke stoffen;

- de fysisch-chemische eigenschappen van de werkzame stof en van het bestrijdingsmiddel;

- de wijzen waarop de werkzame stof of het bestrijdingsmiddel onschadelijk kunnen worden gemaakt;

- een beknopt overzicht van de uitkomsten van de proeven die er toe strekken de werkzaamheid en de onschadelijkheid voor mens, dier, plant en milieu vast te stellen;

- de methoden en voorzorgsmaatregelen die worden aanbevolen om de risico's van hantering, opslag, vervoer, brand en andere risico's te beperken;

- de analysemethoden, bedoeld in artikelen 4, eerste lid, onderdelen c en d, en 5, eerste lid, van de richtlijn en de overeenkomstige analysemethoden die betrekking hebben op niet-landbouwbestrijdingsmiddelen alsmede de bestrijdingsmiddelen, bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Bmw;

- de methoden voor het verwijderen en voor het verpakken van het middel;

- de te nemen decontaminatiemaatregelen bij morsen of lekken;

- de eerste hulp en de medische behandeling bij persoonlijke ongevallen.

3. Het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op anders dan in het kader van een aanvraag aan het college over te leggen gegevens.

4. Degene die gegevens die op zijn verzoek geheim worden gehouden vrijgeeft, brengt hiervan het college binnen twee weken op de hoogte."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 1 augustus 2000 heeft appellante sub 1 het CTB verzocht om stukken inzake de bentazon-houdende bestrijdingsmiddelen, waarvan het CTB de toelating had verlengd. Appellante sub 1 verzocht in het bijzonder om toezending van het zogenaamde Alterra-rapport inzake de monitoring van 2 mei 2000 en van de stukken in het kader van de EU-beoordeling.

- Bij besluit van 6 september 2000 heeft verweerder het verzoek afgewezen voor zover het betrekking heeft op het Alterra-rapport, en appellante sub 1 wat betreft de stukken die voortkomen uit de EU-beoordeling doorverwezen naar de Europese Commissie.

- Tegen dit besluit hebben appellanten bezwaar gemaakt.

- De Adviescommissie Bezwaarschriften CTB heeft, nadat zij op 21 februari 2001 appellanten en het CTB had gehoord, op 11 april 2001 geadviseerd een nieuw besluit te nemen.

- BASF heeft bij brief van 22 februari 2001 om geheimhouding van het Alterra-rapport verzocht.

- Vervolgens heeft verweerder op 11 januari 2002 het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, overwogen en beslist dat het bezwaar van appellanten ongegrond moet worden verklaard, aangezien het Alterra-rapport concurrentiegevoelige gegevens bevat waarvoor bij en krachtens de Bmw een regeling is getroffen. Het CTB acht het gerechtvaardigd deze gegevens geheim te houden. Het CTB heeft hierbij overwogen dat in de verlengingsbesluiten de niet geheime gegevens van het Alterra-rapport staan vermeld.

Voorts is overwogen en beslist dat het verzoek van BASF om geheimhouding van het Alterra-rapport moet worden ingewilligd.

4. Het standpunt van appellanten

Het Alterra-rapport is van doorslaggevend belang geweest voor de verlengingsbesluiten betreffende de toelating van bentazon-houdende bestrijdingsmiddelen. Appellanten bestrijden deze verlengingsbesluiten in rechte. Hun belang bij kennisneming van de inhoud van het rapport is derhalve evident.

Het doel van rapport is om reeds openbare monitoringsgegevens te onderzoeken. Dit sluit uit dat het rapport geheel of gedeeltelijk geheim zou moeten blijven.

Het rapport dient in ieder geval te worden vrijgegeven met weglating van de gegevens waarvan de geheimhouding met het oog op bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is.

Het verzoek om geheimhouding van BASF is niet bij de aanvraag gedaan, zoals is voorgeschreven in artikel 27, eerste lid, van de Rtb 1995. Het verzoek kon derhalve niet meer tot het door BASF gewenste gevolg leiden, zodat verweerder ten onrechte heeft beslist het verzoek van BASF alsnog te honoreren.

Verweerder heeft miskend dat op grond van artikel 27, tweede lid, van de Rtb 1995 in elk geval niet geheim worden gehouden:

- de fysisch-chemische eigenschappen van de werkzame stof en van het bestrijdingsmiddel, en

- de analysemethoden, bedoeld in Richtlijn 91/414/EEG.

Door het Alterra-rapport niet te verstrekken onthoudt het CTB aan appellanten informatie die het op grond van artikel 27, tweede lid, van de Rtb 1995 niet geheim mag houden. In dit artikellid is geen uitzondering gemaakt voor gegevens die op enigerlei wijze zouden kunnen worden aangemerkt als bedrijfsgeheime gegevens of die slechts na veel investeringen door de toelatinghouder zijn verkregen.

Van gegevens zoals bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Bmw kan slechts sprake zijn indien en voor zover het tevens vertrouwelijke en commerciële gegevens zijn als bedoeld in Richtlijn 90/313/EEG.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Uit artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het beroep van appellanten, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van appellanten, geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 januari 2002, nu bij dat besluit aan het bezwaar niet tegemoet is gekomen. Niet gebleken is dat appellanten nog een afzonderlijk belang hebben bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit. Dat beroep moet derhalve wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.2 Het College overweegt allereerst dat artikel 22 van de Bmw een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter bevat, waarvoor de Wet openbaarheid van bestuur als algemene regeling wijkt. In deze zin heeft ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist in haar uitspraak van 19 december 2000, AB 2002, 41.

Het College is bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het bestreden besluit, nu dat zijn grondslag vindt in artikel 22 van de Bmw.

5.3 Het College stelt voorop dat bij de toetsing van het besluit van 11 januari 2002 de vraag aan de orde is of het Alterra-rapport al dan niet voor een ieder toegankelijk moet zijn. Dit brengt naar het oordeel van het College mee, dat de bijzondere belangen van appellanten om in het kader van bezwaar en beroep tegen de verlengingsbesluiten van bentazon-houdende bestrijdingsmiddelen, kennis te nemen van het rapport, bij deze beoordeling geen rol spelen. Voor bezwaar en beroep tegen de verlengingsbesluiten bevatten de artikelen 7:4 en 8:29 Awb regels voor de kennisneming van de op die zaak betrekking hebbende stukken en de daarvoor geldende beperkingen. Het College heeft overigens in de beroepsprocedures met betrekking tot de verlengingsbesluiten (AWB 01/832 en 01/834) op 21 maart 2002 beslist dat beperking van de kennisneming van onder meer het Alterra-rapport gerechtvaardigd is, in die zin dat alleen het College hiervan kennis zal mogen nemen.

Bij de beoordeling van de onderhavige openbaarmakingszaak is, gelet op het vorenstaande, evenmin van belang dat appellanten eigenaar zijn van enkele van de putten waarop het Alterra-rapport zich heeft gericht.

Het karakter van de openbaarmakingszaak brengt eveneens mee dat appellanten hoe dan ook als belanghebbenden bij het besluit tot het niet openbaar maken van het rapport zijn te beschouwen. Ook al kunnen zij, naar het CTB in zijn verweerschrift heeft gesteld en ter zitting ook is gebleken, het rapport onder bepaalde voorwaarden van BASF verkrijgen, dan nog staat het hen vrij om - gelijk zij hebben gedaan - de voorwaarden niet te accepteren. Hun materiële belang bij de onderhavige procedure is daarmee niet verloren gegaan.

5.4 Het College onderschrijft niet de opvatting van appellanten dat het verweerder op 6 september 2000 niet vrijstond om afwijzend op het openbaarmakingsverzoek te beslissen op de grond dat BASF op dat moment nog geen verzoek tot geheimhouding had gedaan. Uit het systeem van de Bmw en de Rtb 1995 volgt dat het CTB in beginsel, wanneer het positief heeft beslist op een verzoek tot geheimhouding, daarna niet meer de desbetreffende informatie openbaar maakt. Daaruit kan echter niet het omgekeerde worden afgeleid, namelijk dat het CTB in alle gevallen verplicht zou zijn om informatie openbaar te maken als degene die de informatie heeft verstrekt geen uitdrukkelijk verzoek tot geheimhouding heeft gedaan. De tekst van de Bmw noch van de Rtb 1995 dwingt tot een dergelijke vergaande conclusie. Wel behoort in een dergelijke situatie het CTB, wanneer het een verzoek tot openbaarmaking ontvangt, degene die de informatie heeft verstrekt, uit hoofde van de jegens deze te betrachten zorgvuldigheid, welke de voorbereiding van het te nemen besluit regardeert, alsnog in de gelegenheid te stellen een verzoek tot geheimhouding in te dienen. Bij de beslissing op bezwaar van 11 januari 2002 is het verzuim BASF de gelegenheid daartoe te bieden, dat kleefde aan het besluit van 6 september 2000, hersteld.

5.5 Appellanten kunnen evenmin worden gevolgd in hun stelling dat van gegevens zoals bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Bmw slechts sprake kan zijn indien en voor zover het tevens vertrouwelijke commerciële en industriële gegevens, met inbegrip van intellectuele eigendom, zijn als bedoeld in Richtlijn 90/313/EEG.

Artikel 22, tweede lid, van de Bmw bevat de implementatie van artikel 14, eerste volzin, van Richtlijn 91/414/EEG. In bedoelde volzin wordt bepaald dat het voorschrift geldt "onverminderd de bepalingen van Richtlijn 90/313/EEG". Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat met "informatie die industriële of commerciële geheimen bevat" die - indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan - vertrouwelijk moet worden behandeld (Richtlijn 91/414/EEG) iets anders is bedoeld dan met "vertrouwelijke commerciële en industriële gegevens, met inbegrip van intellectuele eigendom" (Richtlijn 90/313/EEG). De gebruikte bewoordingen in de richtlijnen wijzen niet op een verschil in betekenis. Uit de Duitse, Engelse en Franse tekst van de richtlijnen is een dergelijk verschil evenmin af te leiden. Tenslotte vloeit een dergelijk verschil ook niet voort uit de doelstellingen van beide richtlijnen.

Artikel 3, tweede lid, van Richtlijn 90/313/EEG voorziet in de mogelijkheid dat de Lid-Staten in bepaalde, daar omschreven gevallen, verzoeken om milieuinformatie kunnen weigeren. Laatstgenoemde richtlijn is, voor zover ten deze van belang, geïmplementeerd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.

Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur bepaalt dat het verstrekken van informatie op grond van die wet achterwege blijft voor zover dit bedrijfs- en fabricagegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Nederland heeft daarmee gebruik gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van Richtlijn 90/313/EEG.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat verweerder bij een verzoek om informatie betreffende bestrijdingsmiddelen niet gehouden is om dit (mede) te toetsen aan de criteria van Richtlijnen 90/313/EEG, geïmplementeerd in (onder meer) artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, maar kan volstaan met een toetsing aan de criteria van Richtlijn 91/414/EEG, geïmplementeerd in de Bmw en de Rtb 1995. Bovendien heeft te gelden dat onder de in artikel 22, tweede lid, Bmw bedoelde "gegevens waarvan de geheimhouding met het oog op bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is" is begrepen de "informatie die industriële of commerciële geheimen bevat" die - indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan - vertrouwelijk moet worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG.

Bij zijn toetsing in het onderhavige geval heeft het CTB in het bestreden besluit overwogen dat het hier gaat om een kostbaar onderzoek en dat concurrentievervalsing kan ontstaan wanneer concurrenten van BASF kosteloos de beschikking krijgen over het rapport. In dat verband dient naar het oordeel van het College vastgesteld te worden of een dergelijk gevaar van concurrentievervalsing niet alleen potentieel, maar ook reëel aanwezig is ten tijde van het nemen van een besluit op een verzoek om informatie. Dienaangaande overweegt het College dat blijkens het op 4 april 2002 ter zitting behandelde beroep van Agrichem B.V. (zaaknr. 00/755) ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ten minste één concurrent in zoverre in dezelfde positie als BASF verkeerde, dat hij had verzocht om een verlenging van de toelating van een bentazonhoudend bestrijdingsmiddel. Verweerder diende er derhalve rekening mee te houden dat, zolang de beslissing op dit toelatingsverzoek niet in rechte onaantastbaar was geworden, deze concurrent bij een openbaarmaking van het rapport, zonder zelf kosten te hoeven maken, dit rapport zou kunnen gebruiken om een verlenging van de toelating van zijn bentazon-houdend middel te verkrijgen, terwijl BASF om die verlenging te verkrijgen wel die kosten heeft moeten maken. Het College is daarom van oordeel dat het CTB, bij het bestreden besluit op basis van de informatie waarover hij toen beschikte, op goede gronden heeft geoordeeld dat het rapport gegevens bevat waarvan de geheimhouding met het oog op bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is.

5.6 Het College vindt geen steun in het recht voor de stelling van appellanten dat het feit dat het Alterra-rapport gegevens bevat betreffende onderzoek naar reeds openbare monitoringsgegevens, uitsluit dat het rapport geheel of gedeeltelijk geheim zou moeten blijven. Ook een dergelijk rapport kan immers vertrouwelijke commerciële gegevens bevatten.

5.7 Het College kan appellanten evenmin volgen in hun betoog dat het rapport in ieder geval dient te worden vrijgegeven met weglating van de gegevens waarvan de geheimhouding met het oog op bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is. Artikel 27, tweede lid, van de Rtb 1995 bevat een lijst van gegevens die niet geheim worden gehouden. Aan verweerder komt een zekere vrijheid toe om te bepalen op welke wijze de niet geheime gegevens openbaar worden gemaakt. Het weglakken uit een rapport van de geheime gegevens is slechts een van de mogelijkheden. Andere methoden zijn echter eveneens aanvaarbaar te achten. Voor dit oordeel vindt het College steun in de tekst van artikel 27, tweede lid, van de Rtb 1995, waarin is bepaald dat onder meer niet geheim wordt gehouden: een beknopt overzicht van de uitkomsten van de proeven die er toe strekken de werkzaamheid en de onschadelijkheid voor mens, dier, plant en milieu vast te stellen. Een dergelijk beknopt overzicht behoeft niet steeds door de aanvrager te worden opgesteld, maar kan ook door het CTB worden vervaardigd.

Het College heeft geconstateerd dat van de besluiten tot verlenging van de toelatingen van de bentazon-houdende middelen een Bijlage I deel uitmaakt, waarin is beschreven wat de aanleiding was om het onderzoek door Alterra te laten plaatsvinden, wat het object van het onderzoek was, hoe dit globaal genomen heeft plaatsgevonden en wat de resultaten waren. In een tabel is een lijst van monsterputten opgenomen met daarbij aangegeven of ze als 'uncertain' dan wel als 'extra uncertain' dienden te worden geclassificeerd, met in het laatste geval een reden daarvoor. Tevens is bij iedere put de concentratie bentazon in ug/l aangegeven. Voorts zijn de conclusies vermeld, alsmede de noodzaak om nog nader onderzoek te doen verrichten.

Het College is van oordeel dat met de publicatie van dit beknopte overzicht van de uitkomsten van de proeven die er toe strekken de werkzaamheid en de onschadelijkheid voor mens, dier, plant en milieu vast te stellen, is voldaan aan de voorschriften van artikel 27 Rtb 1995.

5.8 Het College overweegt voorts dat, anders dan appellanten hebben gesteld, het Alterra-rapport geen gegevens bevat betreffende de fysisch-chemische eigenschappen van de werkzame stof bentazon en van de bestrijdingsmiddelen, noch gegevens betreffende de analysemethoden, bedoeld in Richtlijn 91/414/EEG. Het rapport heeft betrekking op de zogenoemde uitspoeling naar het grondwater als bedoeld in artikel 6 van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb). Dit ziet derhalve op het gedrag van bentazon en de bentazon-houdende bestrijdingsmiddelen en niet op de fysisch-chemische eigenschappen daarvan.

5.9 Het College overweegt tenslotte dat appellanten terecht hebben gesteld dat artikel 27, tweede lid, van de Rtb 1995 geen uitzondering maakt voor gegevens die op enigerlei wijze zouden kunnen worden aangemerkt als bedrijfsgeheime gegevens of die slechts na veel investeringen door de toelatinghouder zijn verkregen. Dit kan echter niet tot een gegrondverklaring van het beroep leiden, aangezien het rapport, buiten hetgeen verweerder gelet op dit artikellid reeds openbaar heeft gemaakt, geen gegevens, die het CTB ingevolge artikel 27, tweede lid, Rtb 1995 niet geheim mag houden, bevat.

5.10 Op grond van al het vorenstaande moet het beroep tegen het besluit van 11 januari 2002 ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld tegen het niet nemen van een besluit door verweerder;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 januari 2002 ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. W.F. Claessens