ECLI:NL:CBB:2005:AU1638
public
2015-11-16T11:55:51
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
AU1638
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2005-08-17
AWB 04/295
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2005:AU1638
public
2013-04-04T22:36:45
2005-08-29
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2005:AU1638 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 17-08-2005 / AWB 04/295

Regelgeving overig

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/295 17 augustus 2005

7700 Regelgeving overig

Uitspraak in de zaak van:

Schils B.V., te Sittard, appellante,

gemachtigden: A en B, respectievelijk Directeur Food en procuratiehouder van appellante,

tegen

Hoofdproductschap Akkerbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. G.P. Jansen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 5 april 2004, bij het College binnengekomen op 6 april 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 februari 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van verweerder van 15 april 2003, waarbij ingevolge Verordening (EG) nr. 2799/1999 verleende steun is teruggevorderd.

Appellante heeft het College bij brieven van 11 mei 2004, 10 juni 2004 en 27 augustus 2004 verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van haar beroep, in afwachting van een reactie op in Brussel gevraagde informatie.

Bij brief van 15 oktober 2004 heeft appellante de gronden van haar beroep ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 15 november 2004 een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van het College heeft appellante bij brief van 13 april 2004 enige stukken overgelegd.

Op 29 juni 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen de respectieve standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 2799/1999 van de Commissie van 17 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de toekenning van steun voor ondermelk en mageremelkpoeder voor voederdoeleinden en de verkoop van voornoemd mageremelkpoeder (hierna: de Verordening), bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 15

Om ervoor te zorgen dat de bepalingen van dit hoofdstuk in acht worden genomen, nemen de lidstaten met name de in de artikelen 16 tot en met 18 bedoelde controlemaatregelen.

(…).

Artikel 20

1. (…).

2. De afwezigheid van lebwei wordt aangetoond volgens de in bijlage IV beschreven methode.

3. (…).

Artikel 21

Met het oog op het verrichten van de analytische controles waarin dit hoofdstuk voorziet, kunnen de lidstaten, na goedkeuring door de commissie en onder hun toezicht, voor bepaalde erkende inrichtingen een zelfcontrolesysteem invoeren.

Afdeling 3

Betaling van de steun

Artikel 22

1. Het steunbedrag is het bedrag dat van toepassing is, naar gelang van het geval, op de dag waarop de ondermelk of het mageremelkpoeder tot mengvoeder wordt verwerkt, of op de dag waarop het mageremelkpoeder wordt gedenatureerd.

2. (…);

Artikel 23

1. De steun wordt slechts betaald indien de in de leden 2 tot en met 4 genoemde voorwaarden zijn vervuld.

2. Uit de resultaten van de in dit hoofdstuk bedoelde analyses en de in artikel 15 bedoelde controles betreffende de betalingsperiode die is voorafgegaan aan de periode waarvoor de steun wordt aangevraagd, moet blijken dat de bepalingen van dit hoofdstuk in acht zijn genomen.

(…).

Artikel 24

1. Onverminderd artikel 25 geldt dat, indien uit de resultaten van de in dit hoofdstuk bedoelde analyses en van de in artikel 15 bedoelde controles blijkt dat de begunstigde in de voorafgaande betalingsperiode de bepalingen van dit hoofdstuk niet in acht heeft genomen, de betaling van de steun voor de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt geschorst in afwachting van de resultaten van de voor deze laatste periode verrichte controles. Voorts wordt de steun die voor de betrokken voorafgaande periode onverschuldigd is betaald, teruggevorderd.

2. Het bedrag van de onverschuldigd betaalde steun betreft de totale hoeveelheid ondermelk of mageremelkpoeder die is gebruikt gedurende de periode tussen de datum van de laatste van de vorige controles die geen aanleiding tot opmerkingen heeft gegeven, en de datum van de controle waaruit blijkt dat de begunstigde opnieuw aan de bepalingen van deze verordening voldoet.

Evenwel wordt, indien de begunstigde daarom verzoekt, op zijn kosten door de met de controle belaste instantie zo spoedig mogelijk een speciaal onderzoek ingesteld. Indien het bewijs wordt geleverd dat de betrokken hoeveelheid kleiner is dan die welke in de eerste alinea wordt bedoeld, wordt het terug te vorderen bedrag dienovereenkomstig verlaagd."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante houdt zich onder meer bezig met de verwerking en de verkoop van magere melkpoeder (MMP). In dat verband ontvangt zij steun op grond van het bepaalde in de Verordening.

- Appellante kent een systeem van bedrijfszelfcontrole, waarbij van ontvangen grondstoffen monsters worden genomen om een eventuele besmetting te kunnen opsporen. In dit systeem wordt na aankomst van een partij MMP op het bedrijf uit een aantal zakken monsters getrokken, die worden samengevoegd en geanalyseerd.

- Op 30 oktober 2002 is op het bedrijf uit de beschikbare hoeveelheid MMP door de AID een monster genomen. Daarbij is geen besmetting vastgesteld.

- In een op 5 november 2002 door de AID uit silo 11 genomen monster MMP is bij analyse en een daarop volgende contra-analyse een percentage lebwei aangetroffen dat het voor deze stof toegestane percentage overschrijdt.

- Op 11 november 2002 heeft de AID opnieuw een monster genomen. Bij de analyse van dit monster zijn geen sporen van lebwei in de MMP aangetroffen.

- In de genoemde periode is bij de bedrijfszelfcontrole geen besmetting van de MMP geconstateerd.

- Bij besluit van 15 april 2003 heeft verweerder appellante meegedeeld dat een overzicht is samengesteld van de verwerking van de besmette partij 40340 met andere partijen MMP en kunstmelkpoeder (KMP). Uit dit overzicht blijkt dat in totaal 48.354 kg meeverwerkt MMP en KMP niet steunwaardig is. Op grond van deze vaststelling heeft verweerder aan appellante betaalde steun ad € 44.745,94 teruggevorderd.

- Appellante heeft bij brief van 20 mei 2003 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Bij brief van 15 juli 2003 heeft verweerder appellante meegedeeld dat over een hoeveelheid van 3.101 kg ten onrechte is teruggevorderd en dat een bedrag van € 1891,61 aan haar zal worden terugbetaald.

- Op 12 december 2003 heeft de hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is samengevat het volgende overwogen.

Op grond van het door de AID ingestelde speciaal onderzoek kan de verontreiniging worden toegerekend aan partij 40340 van 25.000 kg, maar niet worden teruggebracht tot een geringere hoeveelheid. Het door de AID op 5 november 2002 genomen monster is representatief voor de gehele hoeveelheid MMP in silo 11, op het moment van monstername circa 37.180 kg. De toerekening aan de partij 40430 doet niet af aan de representativiteit van het AID-monster voor de gehele silo-inhoud. Het is niet aan verweerder om te bewijzen dat de hoeveelheid MMP waarvoor de steun is teruggevorderd, niet aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet, maar aan appellante om te bewijzen dat die hoeveelheid of een deel daarvan wel aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet.

Dat bij de analyse, in het kader van het speciaal onderzoek, van het bedrijfszelfcontrolemonster van partij 40340 geen lebwei is aangetroffen, laat de mogelijkheid van besmetting in een later stadium onverlet en bewijst niet dat de partij op het moment van verwerking in mengvoeder (nog) voldeed aan de voorwaarden voor steunverlening. -

De grief van appellante inzake de bewijskracht van het AID-monster ten aanzien van partij 40340 miskent dat de bewijslast op haar rust. Het is niet zo dat de niet-steunwaardige hoeveelheid op basis van de bedrijfszelfcontrolemonsters zonder meer kan worden teruggebracht tot de bemonsterde patchmonsters. Dat is slechts in het uitzonderlijke geval denkbaar dat een besmettingsoorzaak wordt vastgesteld die rechtstreeks herleidbaar is en slechts betrekking kan hebben op de bemonsterde hoeveelheid.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft samengevat het volgende aangevoerd.

Bij ontvangst van partij 40340 zijn in het kader van de bedrijfszelfcontrole monsters genomen, volgens een door de AID goedgekeurde methode. Daarbij is geen besmetting geconstateerd. Voor de door de AID bemonsterde 3.101 kg is geen steun gevraagd; dit heeft geleid tot verlaging van de terugvordering met € 1.891,61. Het betreft hier het eerste incident sinds 1994, het begin van de bedrijfszelfcontrole. Voorts is van belang dat appellante GMP+ en HACCP gecertificeerd is. De zending betreft 0,3% van de totale hoeveelheid MMP waarvoor in 2003 steun is aangevraagd. Dat betekent dat de bedrijfszelfcontrole meer dan betrouwbaar is. De bedrijfszelfcontrole laat zien dat de lebweibesmetting onder de 0,01% lag. Door de wijze van bedrijfszelfcontrole, waarbij uit diverse zakken monsters worden gemengd tot één monster, wordt een representatief monster van de gehele partij verkregen. De AID neemt op één bepaald moment drie monsters. Hierdoor kan net een met lebwei besmette zak worden aangetroffen. De terugvordering moet dus tot die zak worden beperkt.

Verweerder vindt kennelijk dat de bedrijfszelfcontrole tot betrouwbare resultaten leidt, maar dat een latere besmetting niet is uitgesloten. Van de vier partijen uit silo 11 uit de periode tussen de twee conforme controles is in geen enkele batch via de bedrijfszelfcontrole een lebweibesmetting aangetroffen.

5. De beoordeling van het geschil

Partijen houdt niet verdeeld dat in een op 5 november 2002 uit appellante’s silo 11 genomen monster MMP een percentage lebwei is aangetroffen dat het toegestane percentage overstijgt. Appellante betwist evenmin de aannames van verweerder op grond waarvan is geconcludeerd dat de steekproef is genomen uit partij 40340. Het College zal dit dan ook als uitgangspunt van zijn beoordeling nemen.

Uit de systematiek van de Verordening volgt dat de uitkomst van de steekproef op 5 november 2002 voldoende grondslag is voor uitsluiting van steunverlening van de gehele hoeveelheid MMP in de periode van 30 oktober tot 11 november 2002. Door de – conform de terzake gestelde communautaire regels uitgevoerde – steekproef is immers het wettelijke vermoeden ontstaan dat deze MMP niet aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet.

Verweerder heeft, toepassing gevend aan het bepaalde in artikel 24, tweede lid, van de Verordening, de terugvordering beperkt tot de steun, verleend voor partij 40340 en de met hoeveelheden uit deze partij meeverwerkte hoeveelheden ander MMP, die op zichzelf niet meer voldeden aan het minimum-inmengingsvereiste. Appellante stelt zich evenwel, met een beroep op de uitkomsten van haar bedrijfszelfcontrole, op het standpunt dat verweerder de terugvordering had dienen te beperken tot de bemonsterde batches. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

Verweerder heeft zijn keuze om de steun, verleend voor partij 40340, terug te vorderen – en niet bijvoorbeeld de steun voor de hoeveelheid MMP aanwezig in de silo op het moment van de steekproef of slechts de steun voor de batch waaruit de steekproef is genomen – spaarzaam gemotiveerd. Gezien tegen de achtergrond van de verweerder op dit punt toekomende discretionaire bevoegdheid acht het College deze keuze evenwel niet onbegrijpelijk of anderszins onrechtmatig.

Het is vervolgens aan appellante om te bewijzen dat partij 40340, met uitzondering van de bemonsterde batches, wel aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet. Appellante is daar niet in geslaagd. Verweerder was niet gehouden om de vóór 5 november 2002 in het kader van de bedrijfszelfcontrole uitgevoerde steekproeven waarbij in deze partij geen besmetting is aangetroffen, als voldoende overtuigend tegenbewijs te accepteren. De uitkomst van de steekproef van 5 november 2002 doet immers twijfel ontstaan over de waarde die aan de eerdere steekproeven kan worden toegekend en maakt voldoende aannemelijk dat sprake is van besmetting. Daarenboven kan niet geheel worden uitgesloten dat na de bedrijfszelfcontrole op enigerlei wijze gedurende het productieproces besmetting met lebwei heeft plaatsgevonden.

Dat voor de batchnummers waaruit op 5 november 2002 het monster is genomen, geen steun is aangevraagd doet aan het voorgaande niet af. De analyse van het monster heeft immers tot gevolg het – onvoldoende door appellante weerlegde - wettelijke vermoeden van het niet steunwaardig zijn van de gehele partij 40340, dus ook van het gedeelte waarvoor wel steun is aangevraagd en uitbetaald. Het is deze steun die verweerder heeft teruggevorderd.

Verweerder heeft in zijn besluitvorming tenslotte geen betekenis behoeven toe te kennen aan de door appellante gestelde – en door verweerder onweersproken – omstandigheid dat sprake is van het eerste incident sedert 1994. Ingevolge de Verordening vormt immers iedere negatieve uitslag een voldoende grondslag voor terugvordering van de steun.

Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. W.E. Doolaard en mr. J.A. Hagen in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2005.

w.g. C.M. Wolters w.g. R. Meijer