ECLI:NL:CBB:2006:AX9697
public
2015-11-10T21:24:20
2013-04-05
Raad voor de Rechtspraak
AX9697
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2006-06-13
AWB 05/283
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2006:AX9697
public
2013-04-05T00:12:52
2006-07-03
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2006:AX9697 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 13-06-2006 / AWB 05/283

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 05/283 13 juni 2006

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

Immobilex License B.V., te Rotterdam, appellante,

gemachtigde: A, directeur van appellante,

tegen

Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Volkers, mr. C. Hulzebos en ing. G.W. Woelders, allen werkzaam bij verweerders agentschap Senter/Novem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 25 april 2005, bij het College binnengekomen op 27 april 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 maart 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van appellante tegen de afwijzing van de aanvraag om een verklaring als bedoeld in artikel 24 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna ook: WVA).

Bij brief van 10 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 1 december 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van appellante en de gemachtigden van verweerder hun standpunten hebben toegelicht. Zijdens appellante is voorts verschenen B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen luidt, voor zover van de beoordeling van het beroep van belang, als volgt:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek, op de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe: 1°. fysieke producten;

2°. onderdelen van fysieke producten;

3°. fysieke productieprocessen;

4°. onderdelen van fysieke productieprocessen;

5°. programmatuur of

6°. onderdelen van programmatuur, of op het uitvoeren van een systematisch opgezette analyse van de technische haalbaarheid van het zelf verrichten van onderzoek of ontwikkeling zoals hiervoor in dit onderdeel bedoeld;

(…)

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel n, wordt niet tot speur- en ontwikkelingswerk gerekend:

(…)

c. door Onze Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling aangewezen andere werkzaamheden.

(…)

Artikel 24

1. Aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. In de verklaring wordt vermeld dat het aangemelde werk is aangemerkt als speur- en ontwikkelings-werk. Voorts wordt in de verklaring vermeld het bedrag van het vermoedelijke beloop van het in dat kalenderjaar te genieten loon voor zover dat betrekking zal hebben op speur- en ontwikkelingswerk en welk gedeelte daarvan, gelet op het in artikel 22, eerste lid, bedoelde maximum ten hoogste in aanmerking kan worden genomen bij de toepassing van dat artikel. Indien de S&O-inhoudings-plichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid, wordt in de verklaring tevens vermeld welk deel van het op de fiscale eenheid betrekking hebbende bedrag van € 7 941 154, genoemd in artikel 21, eerste lid, wordt toegerekend aan de S&O-inhoudingsplichtige.

(…)"

Artikel 1 van de ter uitvoering van artikel 1, derde lid, aanhef en onder c, WVA vastgestelde Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk 1997 (hierna: Afbakeningsregeling) luidde ten tijde hier van belang als volgt:

"Tot speur- en ontwikkelingswerk worden niet gerekend:

(…)

c. het bouwen of inrichten van apparatuur of programmatuur bestemd voor toepassing in de praktijk; (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 28 mei 2004 heeft Senter, een agentschap van verweerder, van appellante een aanvraag ontvangen om haar een S&O-verklaring te verlenen voor het project "Speur- en ontwikkelingswerk inzake werkingprincipes jurimetrisch regelmodel" voor het de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004.

- Bij besluit van 22 november 2004 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

- Bij brief van 29 december 2004 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Op 23 februari 2005 heeft een hoorzitting plaatsgehad.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de werkzaamheden die in het kader van het project "Speur- en ontwikkelingswerk inzake werkingprincipes jurimetrisch regelmodel" worden verricht en waarvoor de aanvraag is ingediend, niet kunnen worden aangemerkt als S&O in de zin van de wet. Verweerder is niet gebleken welke concrete werkzaamheden appellante zou gaan verrichten en welke technische knelpunten appellante met welke oplossingsrichtingen zou gaan oplossen. Op grond van de beschikbare gegevens kan verweerder evenmin beoordelen in hoeverre de werkzaamheden verder gaan dan het bouwen en inrichten van apparatuur of programmatuur bestemd voor toepassing in de praktijk, als bedoeld in artikel 1, onder c, Afbakeningsregeling.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft kort gezegd betoogd dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de WVA. De voorgenomen werkzaamheden zijn wel degelijk te kwalificeren als S&O in de zin van de wet. Ook heeft zij de concrete technische knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen van het project genoemd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geding is of verweerder terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld dat de werkzaamheden die worden verricht binnen het door appellante aangevraagde project, niet kunnen worden aangemerkt als voorgenomen speur- en ontwikkelingswerk.

Het College beantwoord deze vraag bevestigend en overweegt dienaangaande als volgt.

5.2 Appellante beoogt blijkens haar aanvraag te onderzoeken of het al dan niet mogelijk is met bestaande principes en/of toevoeging van eigen (zelf te te ontwikkelen) principes en eventuele randvoorwaarden de menselijke beoordelings- en interpretatiefactor door juridische bijstand en/of adviesverlenende personen of instanties binnen het Nederlands recht in het juridische productieproces geheel of gedeeltelijk uit te schakelen. Appellante is voornemens samen met een derde te gaan onderzoeken welke technieken gebruikt kunnen gaan worden om een brug te slaan tussen taal en techniek, zulks specifiek op het juridische vlak.

5.3 Het College overweegt dat verweerder op juiste gronden heeft geoordeeld dat de door appellante verrichte werkzaamheden (nog) niet zijn gericht op de ontwikkeling van technisch nieuw fysieke producten of productieprocessen als bedoeld in de WVA. Appellante heeft immers nog niet de technische knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen kunnen aangeven, omdat zij daarvoor eerst nog nader onderzoek moet verrichten. Na dit onderzoek zou appellante, naar eigen zeggen, pas haar werkzaamheden kunnen concretiseren.

Het College is van oordeel dat appellante reeds bij haar aanvraag op basis van duidelijke gegevens en toereikende specificaties aannemelijk had moeten maken dat zij voornemens is S&O-werkzaamheden te gaan verrichten. Terecht achtte verweerder zich in het voorliggende geval niet in staat te beoordelen of en in hoeverre zich bij het aangevraagde project de in artikel 1, onder c, Afbakeningsregeling bedoelde situatie voordeed.

5.4 De conclusie is dat verweerder terecht de aanvraag om een verklaring voor het in geding zijnde project heeft afgewezen. Het beroep is derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

w.g. H.C. Cusell w.g. L. van Duuren