ECLI:NL:CBB:2006:AY7538
public
2015-11-12T13:21:59
2013-04-05
Raad voor de Rechtspraak
AY7538
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2006-08-30
AWB 04/779
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2006:AY7538
public
2013-04-05T00:29:12
2006-09-06
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2006:AY7538 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-08-2006 / AWB 04/779

Regeling dierlijke EG-premies

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/779 30 augustus 2006

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: ing. H.J.C. Smolders, werkzaam bij Smolders AGRO Advies, te Reusel,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. M.W. Oomen en R. Scholten, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 11 augustus 2004, die op 14 september 2004 bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 augustus 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 5 november 2004 een verweerschrift ingediend en op 8 november 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 6 juli 2005 heeft verweerder, desgevraagd, een nader stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2006, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht. Namens appellante was tevens aanwezig C, directeur van appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van de het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

- stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden.

(…)

4. Het register wordt handmatig of door middel van een computer bijgehouden in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van ten minste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt.”

Artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2629/97 van de Commissie van 29 december 1997, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad inzake oormerken, bedrijfsregisters en paspoorten overeenkomstig de identificatie- en registratieregeling voor runderen luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“Het register bevat ten minste het volgende:

a) de meest recente gegevens als bedoeld in artikel 14, lid 3, punt C.1, eerste tot en met vierde streepje, van Richtlijn 64/432/EEG;

b) de datum waarop het dier op het bedrijf is doodgegaan;

c) in het geval van dieren die het bedrijf verlaten, de naam en het adres van de houder, met uitzondering van de vervoerder, of de identificatiecode van het bedrijf naar wie of waarnaar het dier is gebracht, en de datum van vertrek;

d) in het geval van dieren die op het bedrijf aankomen, de naam en het adres van de houder, met uitzondering van de vervoerder, of de identificatiecode van het bedrijf van wie of waarvan het dier is gekomen, en de datum van aankomst;

e) de naam en handtekening van de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit die het register heeft gecontroleerd en de datum waarop de controle is verricht.”

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“Artikel 2 - Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

s) "geconstateerd dier": een dier waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken regeling is voldaan;

(…)

Artikel 17 - Algemene beginselen

1. De controles ter plaatse worden onverwachts uitgevoerd. Zij mogen worden aangekondigd, doch slechts zolang van tevoren als strikt noodzakelijk is en voorzover het doel van de controle daardoor niet in gevaar komt. Behalve in behoorlijk gemotiveerde gevallen mag de aankondiging nooit meer dan 48 uur tevoren plaatsvinden.

(…)

3. De aanvraag (aanvragen) wordt (worden) afgewezen indien het bedrijfshoofd of zijn vertegenwoordiger een controle ter plaatse verhindert.

Artikel 25 - Onderdelen van de controles ter plaatse

1. De controles ter plaatse moeten betrekking hebben op alle dieren waarvoor op grond van de te controleren steunregelingen steunaanvragen zijn ingediend en, wat de steunregelingen voor rundvee betreft, ook op runderen waarvoor geen steunaanvraag is ingediend.

2. De controles ter plaatse omvatten in het bijzonder:

a) (…)

b) met betrekking tot de steunregelingen voor rundvee:

- (….)

- steekproefcontroles bij dieren waarvoor in de laatste twaalf maanden vóór de controle ter plaatse steunaanvragen zijn ingediend, om na te gaan of de gegevens van het gecomputeriseerde gegevensbestand overeenstemmen met die van het register;

(…)

Artikel 36 - Berekeningsgrondslag

(…)

3. Wanneer het in een steunvraag aangegeven aantal dieren groter is dan het bij administratieve controles of controles ter plaatse geconstateerde aantal, wordt de steun, onverminderd de artikelen 38 en 39, berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren.

Wanneer een bedrijfshoofd door overmacht of buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 48 zijn verplichting om de dieren aan te houden niet heeft kunnen nakomen, behoudt hij het recht op steun voor het aantal dieren dat hiervoor in aanmerking kwam op het tijdstip waarop de overmacht of de buitengewone omstandigheid is ingetreden.

(…)

Artikel 38 - Kortingen en uitsluitingen met betrekking tot runderen waarvoor

steun wordt aangevraagd

(…)

2. Wanneer ten aanzien van meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt het totaalbedrag van de steun waarop het bedrijfshoofd voor de betrokken premieperiode op grond van die regelingen aanspraak kan maken,

gekort:

(…)

Indien het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage groter is dan 20%, wordt het op grond van die regelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 36, lid 3, aanspraak zou kunnen maken, voor de betrokken premieperiode geweigerd.

(…)

3. Ter bepaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages wordt het totaal van de dieren waarvoor in de betrokken premieperiode op grond van alle steunregelingen voor rundvee steun wordt aangevraagd en ten aanzien waarvan onregelmatigheden worden vastgesteld, gedeeld door het totaal van alle in de betrokken premieperiode geconstateerde runderen.

(…)

Artikel 48

Overmacht en buitengewone omstandigheden

1. Gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden moeten binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip waarop zulks voor het bedrijfshoofd mogelijk is met het relevante door de bevoegde instantie afdoende geachte bewijs bij de bevoegde instantie worden gemeld.

(...)

Artikel 49 - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…)”

De Regeling luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“Artikel 4.6

Premie wordt de producent slechts verstrekt ten behoeve van runderen die:

(…)

c. overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 1760/2000 zijn geïdentificeerd en geregistreerd.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voorzover hier van belang, de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft zich door middel van het toezenden van een door hem ingevuld deelnameformulier op 25 januari 2000 opgegeven als deelnemer aan de slachtpremieregeling.

- In 2003 zijn namens appellante op diverse data aanvragen voor slachtpremie ingediend voor in totaal 82 runderen.

- Bij besluit van 12 december 2003 heeft verweerder appellante in het kader van de slachtpremiebetaling voor het jaar 2003 een voorschot van € 3.936,-- toegekend.

- Op 16 en 17 februari 2004 is op het bedrijf van appellante een controle ter plaatse uitgevoerd. In het rapport dat naar aanleiding van deze controles is opgemaakt staat vermeld dat door de producent het bedrijfsregister niet actueel, volledig en juist werd bijgehouden en dat de runderen waarvoor in de voorafgaande periode van twaalf maanden slachtpremie is aangevraagd niet op de voorgeschreven wijze stonden geregistreerd in het bedrijfsregister. Onder de rubriek opmerkingen controleur(s) staat het volgende vermeld:

“ Bedrijfsregister niet volledig en niet conform de voorwaarden. Alleen per rund het werknummer en de aan- of afvoerdatum. Overige gegevens ontbreken. Geen bezoekersregister. Administratie bij mevr. D, E te F. Zij gaf geen gelegenheid meer om de administratie verder te controleren omdat ze moest gaan tennissen. Zij weigerde ook om dit rapport als vertegenwoordigster te ondertekenen.”

- Bij besluit van 23 april 2004 heeft verweerder de aanvraag slachtpremie 2003 geheel afgewezen en het reeds betaalde voorschot teruggevorderd.

- Bij brief van 29 april 2004 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 28 juni 2004 is appellante over haar bezwaar gehoord.

- Op 2 juli 2004 heeft appellante verweerder desgevraagd een kopie van het bedrijfsregister doen toekomen zoals dat zou zijn bijgehouden ten tijde van de fysieke controle op 17 februari 2004.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

3.1 Verweerder heeft appellantes bezwaar ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat en voorzover hier van belang, het volgende overwogen.

Om voor slachtpremie in aanmerking te komen, dient op grond van artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders, een register bij te houden.

Omdat in het door appellante ten tijde van de bedrijfscontrole op 16 en 17 februari 2004 overgelegde ‘register’ geen melding werd gemaakt van de volledige ID-code, de geboortedatum en de herkomst en bestemmingsgegevens van de betrokken dieren, kunnen de door appellante op dat moment getoonde bescheiden niet als een bedrijfsregister worden aangemerkt.

Voor een doelmatige controle is het aanwezig zijn van een bedrijfsregister noodzakelijk. In het arrest van 13 december 2001 inzake C-131/00 (Nilsson) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld dat wanneer een doeltreffende controle door het ontbreken van een bedrijfsregister niet kan worden verricht, moet worden aangenomen dat door toedoen van de betreffende veeproducent de controle niet kan plaatsvinden.

Nu er ten tijde van de controle op 16 en 17 februari 2004 geen bedrijfsregister is aangetroffen, heeft geen adequate controle kunnen plaatsvinden.

Het door appellante nadien toegezonden bedrijfsregister kan niet leiden tot een ander oordeel. Er kan immers niet worden vastgesteld of er achteraf bepaalde gegevens zijn toegevoegd.

Aldus diende op grond van artikel 17, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 de aangevraagde slachtpremie voor de runderen die in de periode van 16 februari 2003 tot 31 december 2003 zijn geslacht, te worden afgewezen. Dit betreft 70 van de 82 aangevraagde dieren. Op grond van artikel 38, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is terecht de premie geheel geweigerd en het betaalde voorschot teruggevorderd.

Voorzover appellante heeft aangevoerd dat het bedrijfsregister in verband met een op handen zijnde verhuizing van het bedrijf niet op bedrijf aanwezig was maar in het huis van zijn moeder, vat verweerder dit op als een beroep op overmacht. Dit beroep kan echter reeds niet slagen, omdat appellante deze bijzondere omstandigheden niet binnen de daartoe gestelde termijn op grond van artikel 48 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aan verweerder heeft gemeld.

3.2 Verweerder heeft ter zitting van het College desgevraagd nog aangevoerd dat voor de beantwoording van vraag of het door de producent gevoerde bedrijfsregister voldoet, de administratie bepalend is zoals deze bij aanvang van de controle wordt aangetroffen. Indien deze administratie op dat moment niet voldoet en tijdens of kort na de controle, al dan niet met behulp van de controleur, op orde wordt gebracht, maakt dit niet dat de producent geacht moet worden aan zijn verplichtingen met betrekking tot het bedrijfsregister te hebben voldaan. Deze reparatie ziet dan slechts op de toekomst en neemt de gebreken over het verleden niet weg. Appellantes betoog dat zij het bedrijfsregister op 16 februari 2004 na het vertrek van de controleur op orde heeft gebracht en dat zodoende op 17 februari 2004 een deugdelijk bedrijfsregister op het bedrijf aanwezig was, kan haar dus niet baten. Overigens heeft de controleur dit in het onderhavige geval op 17 februari 2004 niet kunnen vaststellen, daar hem de controle van de op dat moment aanwezige bescheiden is verhinderd door de vertegenwoordigster van appellante, de moeder van C.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep het volgende aangevoerd.

Appellante erkent de op 16 en 17 februari 2004 uitgevoerde controle niet, omdat de betreffende controleur heeft nagelaten om een behoorlijke afspraak te maken voor deze controle. Verder heeft de controleur slechts vooraf de voicemail van C ingesproken en dat bericht is hem ontgaan. Bovendien heeft de controleur zich niet gelegitimeerd, de stallen en dieren gecontroleerd zonder toestemming te vragen en C gedwongen om ten tijde van de controle naar het bedrijf te komen, terwijl hij 35 kilometer verderop aan het werk was. Appellante is van mening dat de controleur zich ten tijde van de controle onbehoorlijk heeft gedragen.

Appellante ontkent niet dat er op 16 februari 2004 geen sluitende dieradministratie op het bedrijf aanwezig was. Diezelfde avond is het bedrijfsregister echter nog volledig bijgewerkt om dit de volgende dag aan de controleur te kunnen tonen. Helaas is door omstandigheden op 17 februari 2004 de controle niet volledig afgerond, doch het vereiste register was op dat moment, en dus nog vóór het einde van de controle, beschikbaar. Het na de controle door appellante toegezonden bedrijfsregister moet worden betrokken bij de beoordeling. Er bestaat geen grond deze bescheiden als onbetrouwbaar aan te merken.

Voorzover een en ander ten tijde van de onderhavige controle niet geheel juist is verlopen, wordt opgemerkt dat C ten tijde van de controle druk was met het verkopen van het oude bedrijf, het bouwen van het nieuwe bedrijf en de verhuizing naar dit nieuwe bedrijf. Bovendien is (pas) achteraf gebleken dat de moeder van C, die de dieradministratie verzorgde en bewaarde, in de periode hier van belang al kampte met (ernstige) psychische problemen, waardoor zij in bepaalde zaken niet goed heeft gefunctioneerd en niet duidelijk heeft gecommuniceerd, zoals bijvoorbeeld ten tijde van de vervolgcontrole op 17 februari 2004. Gelet hierop is sprake van bijzondere omstandigheden.

Ten slotte staat de opgelegde sanctie niet in verhouding tot de gestelde onregelmatigheid.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Voorzover appellante van opvatting is dat verweerder de bevindingen van de bedrijfscontrole op 16 en 17 februari 2004 niet ten grondslag had mogen leggen aan de afwijzing van de aanvraag om slachtpremie voor het jaar 2003, deelt het College deze opvatting niet.

Anders dan appellante kennelijk meent, is, zoals blijkt uit artikel 17, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, voor de rechtmatigheid van een controle niet vereist dat deze vooraf wordt aangekondigd. Overigens staat vast dat de controleur de bedrijfscontrole heeft aangekondigd door de voicemail van de directeur van appellante, C, in te spreken. Dat de directeur dit bericht is ontgaan, kan niet aan de controleur worden tegengeworpen.

Voorzover de controleur zich niet zou hebben gelegitimeerd en hij zonder toestemming te hebben gevraagd de dieren en de stallen heeft gecontroleerd – deze stelling is eerst in beroep betrokken en de juistheid hiervan is niet komen vast te staan –, had appellante hiertegen tijdens de controle bezwaar kunnen maken. Wat hier echter verder van zij, deze omstandigheden kunnen er niet toe leiden dat verweerder de bevindingen van de bedrijfscontrole, en in het bijzonder de bevindingen met betrekking tot het bedrijfsregister, niet aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag had mogen leggen. Hetzelfde geldt voor de stelling dat C genoodzaakt was om vanwege de bedrijfscontrole naar zijn bedrijf te komen, terwijl hij 35 km verderop aan het werk was.

5.2 Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de bij aanvang van de controle aangetroffen bescheiden niet kunnen worden aangemerkt als een bedrijfsregister, omdat daarop de volledige ID-codes ontbraken, alsmede de geboortedatum en herkomst- en bestemmingsgegevens van de betrokken dieren. Appellante heeft dan ook niet voldaan aan de eisen van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 juncto artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2629/97.

Appellante heeft ter zitting van het College erkend dat het bedrijfsregister pas na het vertrek van de controleur op 16 februari 2004 op orde is gebracht. Het betoog van appellante dat er nog vóór het einde van de controle op 17 februari 2004 een deugdelijk bedrijfsregister op het bedrijf aanwezig was, kan haar niet baten. Nog afgezien van het feit dat de controleur de juistheid van deze stelling niet heeft kunnen beoordelen, omdat de vertegenwoordigster van appellante, de moeder van C, de controle vroegtijdig heeft beëindigd, heeft verweerder terecht gesteld dat voor de beantwoording van de vraag of het door de producent gevoerde bedrijfsregister voldoet, de bij aanvang van de controle aangetroffen administratie bepalend is. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 moet het bedrijfsregister immers te allen tijde en gedurende ten minste drie jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit worden gehouden. Indien het bedrijfsregister nog tijdens de controle zou mogen worden ingevuld, zou dit het nuttig effect van laatstgenoemde bepaling goeddeels ontnemen. Om diezelfde reden kan het feit dat appellante enige tijd na de controle alsnog een bedrijfsregister aan verweerder heeft toegezonden haar evenmin baten.

5.3 Appellantes beroep op bijzondere omstandigheden faalt, reeds omdat appellante niet binnen de in artikel 48 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 gestelde termijn melding heeft gemaakt van de gestelde bijzondere omstandigheden.

5.4 In het bestreden besluit is terecht en op juiste gronden overwogen dat de aanvraag om slachtpremie voor het jaar 2003 vanwege het ontbreken van het bedrijfsregister in zijn geheel diende te worden afgewezen en het betaalde voorschot diende te worden terugbetaald. De toegepaste sanctie vloeit rechtstreeks voort uit artikel 38, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Het stond verweerder niet vrij hiervan af te wijken.

5.5 Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2006.

w.g. E.J.M. Heijs De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.