ECLI:NL:CBB:2006:AZ3294
public
2015-11-11T00:00:42
2013-04-05
Raad voor de Rechtspraak
AZ3294
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2006-11-15
AWB 06/266
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2006:AZ3294
public
2013-04-05T00:47:24
2006-11-29
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2006:AZ3294 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 15-11-2006 / AWB 06/266

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/266 15 november 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te X, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F.S. Feenstra-Cooke, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 23 maart 2006, bij het College binnengekomen op 24 maart 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 februari 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 11 januari 2005, waarbij verweerder heeft beslist op de aanvraag oppervlakten 2004 van appellante in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Bij brief van 21 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij griffiersbrief van 13 juni 2006 heeft het College verweerder verzocht ontbrekende stukken over te leggen. Bij brief van 14 augustus 2006 heeft verweerder de gevraagde stukken toegezonden.

Bij een op 30 oktober 2006 ter griffie ontvangen faxbericht heeft appellante meegedeeld dat namens haar niemand ter zitting aanwezig zal zijn. Tevens heeft zij de gronden van haar beroep nog eens nader toegelicht.

Op 30 oktober 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Van de zijde van appellante is, zoals aangekondigd, niemand verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 1, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999, betreffende de bepalingen voor de toekenning van compensatiebedragen in het kader van de steunregeling voor producten van bepaalde voedergewassen, luidt als volgt:

“Bouwland waarvoor in hetzelfde verkoopseizoen voor andere dan de in Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde akkerbouwgewassen oppervlaktesteun wordt aangevraagd in het kader van een regeling die op grond van artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad wordt gefinancierd, komt niet voor de areaalbetaling in aanmerking.”

Ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 603/95 van de Raad houdende gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen, kan steun worden verleend voor de in artikel 1 van deze verordening genoemde gedroogde voedergewassen. In artikel 9, aanhef en onder c), eerste gedachtenstreepje, van deze verordening is, voorzover hier van belang, bepaald dat de in artikel 3 bedoelde steun alleen wordt uitbetaald aan bedrijven die de in artikel 1 genoemde producten verwerken en die contracten hebben gesloten met producenten van te drogen voedergewassen.

Bij Verordening (EG) nr. 785/95 van 6 april 1995 heeft de Commissie de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 603/95 vastgesteld. De uitvoeringsverordening luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

“Artikel 8

1. Elk in artikel 9, onder c), van Verordening (EG) nr. 603/95 bedoeld contract bevat, naast de in artikel 11 van die verordening genoemde vermeldingen, met name:

(…)

e) de identificatie van het landbouwperceel of de landbouwpercelen waarop de te verwerken voedergewassen worden geteeld, volgens het systeem voor identificatie van landbouwpercelen in het kader van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem; en

(…)

Artikel 14

Om te voorkomen dat steun ten onrechte wordt toegekend, voeren de bevoegde instanties kruiscontroles uit op de landbouwpercelen die in de contracten en/of de aangiften zijn vermeld en op die welke de producenten in hun steunaanvraag oppervlakten hebben opgegeven.”

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Pb 2001, L327; blz. 11), zoals deze luidde ten tijde van belang, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 14

Intrekking van steunaanvragen

1. een steunaanvraag kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.

Wanneer echter de bevoegde instantie het bedrijfshoofd reeds in kennis heeft gesteld van onregelmatigheden in zijn steunaanvraag, of van haar voornemen bij hem een controle ter plaatse uit te voeren, waarbij vervolgens onregelmatigheden worden ontdekt, mogen de bij de onregelmatigheden betrokken gedeelten van de aanvraag niet worden ingetrokken.

2. (…)

Artikel 31

Berekeningsgrondslag

1. (…)

2. Wanneer de in de steunaanvraag “oppervlakten” aangegeven oppervlakte groter is dan de bij een administratieve controle ter plaatse voor dezelfde gewasgroep geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag onverminderd overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 35 toe te passen kortingen of uitsluitingen, berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte voor de betrokken gewasgroep.

3. (…)

Artikel 32

Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3% of dan 2 ha, doch niet groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

bedraagt het verschil meer dan 50%, dan wordt het bedrijfshoofd nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte als bedoeld in artikel 31, lid 2. Dit bedrag wordt verrekend met de steunbetalingen in het kader van welke dan ook van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 genoemde steunregelingen waarop het bedrijfshoofd aanspraak kan maken op grond van aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld. Kan het bedrag met die steunbetalingen niet volledig worden verrekend, dan komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft in haar aanvraag oppervlakten 2004 akkerbouwsteun aangevraagd voor in totaal 4.86 ha graan en 18.29 ha braak. Daarnaast heeft zij percelen opgegeven voor registratie als voederareaal.

- Bij brief van 5 augustus 2004 heeft verweerder appellante meegedeeld dat voor een aantal nader genoemde percelen dubbel steun is aangevraagd.

- Bij brief van 16 augustus 2004 heeft appellante verweerder verzocht de aanvraag voor grasdroogsteun nietig te verklaren.

- Bij besluit van 11 januari 2005 heeft verweerder de aanvraag akkerbouwsteun afgewezen in verband met het gegeven dat niet alle percelen bij de stichting SKAL zouden staan geregistreerd, de geconstateerde oppervlakte voederareaal en extensiveringsareaal lager vastgesteld dan aangevraagd en appellante bovendien een uitsluiting opgelegd voor € 10.325,83. - Bij brief van 19 februari 2005 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 6 oktober 2005 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar, voorzover het de geregistreerde oppervlakte voederareaal betreft, niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is gegrond verklaard voorzover het was gebaseerd op niet certificering van perceel 22 bij de Stichting SKAL.

Desniettemin heeft verweerder de aanvraag akkerbouwsteun afgewezen op de grond dat appellante de groene braakpercelen 6, 8, 9, 10 en 12 (gezamenlijke oppervlakte 18,29 ha) en het graanperceel 11 (oppervlakte 4.86 ha), blijkens een met drogerij Fribecoh te Loenga op 27 april 2004 afgesloten contract, tevens in aanmerking heeft gebracht voor droogsteun. Ingevolge artikel 1, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2316/99 is voor deze percelen geen steun toegekend.

Aangezien daardoor het verschil tussen de voor steun aangevraagde oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, meer dan 50 % bedraagt, heeft verweerder appellante op grond van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 tevens een uitsluiting opgelegd voor een bedrag van € 9870,87.

Dat appellante stelt niet te hebben geweten, dat het opgeven van percelen voor droogsteun gevolgen kan hebben voor de op grond van de Regeling toe te kennen steun, kan haar niet baten. Met de ondertekening van het (standaard) droogcontract heeft appellante er immers voor getekend dat zij de in dit contract genoemde percelen niet tevens zal aanmelden voor andere steunregelingen. De stelling dat het gewas van de betreffende percelen niet daadwerkelijk is gedroogd kan appellante evenmin baten. Het feit dat aan het contract geen uitvoering is gegeven maakt niet dat het droogcontract niet rechtsgeldig is.

Ondanks dat verweerder erkent dat appellante niet opzettelijk dubbele steun heeft aangevraagd laat de rechtstreeks werkende Europese regelgeving verweerder geen ruimte voor een andere dan de genomen beslissing. Ook de opgelegde sancties zijn Europees- rechtelijk voorgeschreven; zij laten verweerder niet de mogelijkheid open om daarvan af te wijken.

In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat hij ingevolge artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 gehouden is om het door appellante gedane verzoek tot terugtrekking van de aanvraag te weigeren, omdat er door verweerder reeds een onregelmatigheid was geconstateerd, en er én een aanvraag akkerbouwsteun én een droogcontract voor dezelfde percelen voorlag.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft appellante, die volledig te goeder trouw heeft gehandeld en slechts door gebrek aan inzicht in de zich steeds wijzigende en zeer ingewikkelde regelgeving percelen dubbel voor subsidie in aanmerking heeft gebracht, in augustus 2004 telefonisch meegedeeld dat het mogelijk was de aanvraag grasdroogsteun in te trekken. Appellante heeft die aanvraag vervolgens ook geannuleerd.

Zo nodig, als dit de enige manier is om aan de opgelegde sancties te ontkomen, verzoekt appellante de aanvraag akkerbouwsteun te mogen intrekken.

Dit klemt te meer nu de verkeerde opgave in een moment van onoplettendheid is gedaan en de inkomstenderving in geen verhouding staat tot de gemaakte administratieve fout.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat in artikel 1, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2316/1999 is bepaald dat bouwland, waarvoor in hetzelfde verkoopseizoen communautair gefinancierde oppervlaktesteun voor andere dan de in Verordening (EG) 1251/1999 bedoelde akkerbouwgewassen steun wordt aangevraagd, niet voor akkerbouwsubsidie in aanmerking komt. Uit de tekst van dit artikel blijkt, volgens vaste jurisprudentie, dat bepalend is of de steun is aangevraagd en dat niet van belang is of die steun ook daadwerkelijk is verleend.

Het standpunt van appellante, dat er geen gewassen van de betreffende percelen zijn gedroogd en voor droogsteun in aanmerking zijn gebracht en het droogcontract is geannuleerd, faalt derhalve.

5.2 Nu blijkens artikel 9, aanhef en onder c), van Verordening (EG) nr. 603/95 slechts droogsteun kan worden betaald indien het verwerkende bedrijf contracten heeft gesloten met producenten van te drogen voedergewassen en een dergelijk contract ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening (EG) nr. 785/95 de identificatie van het landbouwperceel of de -percelen moet bevatten, is de perceelslijst naar het oordeel van het College onlosmakelijk verbonden met de aanvraag voor droogsteun.

Vaststaat dat de percelen groene braak met volgnummer 6, 8, 9, 10 en 12 en het graanperceel 11 op de perceelslijst behorende bij het droogcontract staan en dat deze eveneens voorkomen in de aanvraag oppervlakten. Gelet op de toepasselijke regelgeving heeft verweerder terecht deze percelen bij de beoordeling van de aanvraag akkerbouwsteun als niet geconstateerd aangemerkt. Verweerder was vervolgens gehouden op grond van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 geen steun op de aanvraag toe te kennen en ook nog eens een uitsluiting op te leggen. De dwingend voorgeschreven bepalingen van dit artikel 32 bieden verweerder geen ruimte om een besluit te nemen dat niet conform het daar bepaalde is.

5.3 In het arrest in de zaak C-354/95, Jur. 1997, blz I- 4559 ,van 17 juli 1997 heeft het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen voor recht verklaard, dat het sanctiesysteem dat verweerder heeft moeten hanteren, niet als onevenredig kan worden aangemerkt. Dat appellante aanvoert dat haar een onevenredig zware sanctie is opgelegd voor een in haar ogen kleine fout kan haar derhalve niet baten.

5.4 Het feit dat appellante te kennen heeft gegeven de aanvraag akkerbouwsteun te willen intrekken, laat onverlet dat dit gebeurde nadat verweerder appellante ervan in kennis had gesteld dat er sprake was van een onregelmatigheid bestaande uit het opgeven van percelen voor zowel akkerbouwsteun als droogsteun.

Ingevolge artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is verweerder, nadat een onregelmatigheid is geconstateerd, gehouden om een verzoek tot gedeeltelijke terugtrekking van de aanvraag te weigeren.

5.5 Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006.

w.g. F. Stuurop w.g. F.W. du Marchie Sarvaas