ECLI:NL:CBB:2007:AZ9454
public
2015-11-11T02:34:20
2013-04-05
Raad voor de Rechtspraak
AZ9454
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2007-02-08
AWB 06/223
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2007:AZ9454
public
2013-04-05T01:07:13
2007-02-28
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2007:AZ9454 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 08-02-2007 / AWB 06/223

Wet herstructurering varkenshouderij

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 06/223 8 februari 2007

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. G.J. de Jager, advocaat te Tilburg,

tegen

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Nijnuis, werkzaam bij Dienst Regelingen te Assen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 3 maart 2006, bij het College op die datum binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 januari 2006.

Bij dit besluit is beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders afwijzing hem in aanmerking te brengen voor toepassing van de hardheidsgevallen 3/14a van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv).

Bij brief van 5 april 2006 heeft appellant zijn beroep aangevuld met gronden.

Bij brief van 19 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 25 januari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Tevens is appellant verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 25 van de per 1 januari 2006 vervallen Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) konden bij algemene maatregel van bestuur, voor bepaalde groepen van gevallen waarbij de bepaling van de hoogte van het varkensrecht of fokzeugenrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 leidde tot onbillijkheden van overwegende aard, regels worden gesteld omtrent een daarvan afwijkende bepaling van de hoogte van deze rechten. Deze algemene maatregel van bestuur is het eveneens per 1 januari 2006 vervallen Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv). Artikel 9 Bhv luidde, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van een daartoe aangemeld bedrijf wordt overeenkomstig deze paragraaf vergroot, indien met betrekking tot het desbetreffende bedrijf na 1992 en vóór 10 juli 1997 ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens:

a. door het bevoegd gezag een milieuvergunning is verleend (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft in november 1992 voor zijn bedrijf een nieuwe milieuvergunning aangevraagd, die hem op 1 juni 1993 is verleend voor - onder meer - 37 zeugen (inclusief biggen) en dekrijpe beren en 247 mestvarkens, opfokzeugen en opfokberen.

- In maart 1993 is het bedrijf van appellant getroffen door brand.

- Op 9 oktober 1998 heeft appellant zich aangemeld voor toepassing van artikel 9 Bhv; destijds hardheidscategorie 3.

- Tegen verweerders berekening van een varkensrecht voor appellant, gebaseerd op een aantal van 157 in 1995 gehouden varkens, heeft appellant op 23 februari 1999 bezwaar gemaakt.

- Na de wijziging van artikel 9 Bhv, heeft appellant zich op 19 juli 2000 wederom voor toepassing van dat artikel (toen aangeduid als hardheidscategorie 14a) aangemeld.

Bij brief van 16 december 2003 heeft appellant in verband met deze melding verwezen naar uitspraken van het College in de zaken AWB nrs. 02/1480 en 02/1466 (LJN AL8149 en AL8150).

- Op verzoek van verweerder van 19 augustus 1994 heeft de gemeente B op 31 augustus 2004 haar visie op de vergunningsituatie van appellant gegeven, waarbij mede is ingegaan op de invloed van de brand op het bedrijf. Hierbij heeft de gemeente meegedeeld dat in de oude Hinderwetvergunning uit 1973 het aantal vergunde dieren niet was vermeld en dat de milieuvergunning van 1 juni 1993 kon worden verleend voor het aantal destijds op het bedrijf aanwezige dieren, maar dat een uitbreiding boven dat aantal niet mogelijk was. Tevens is meegedeeld dat de brand op het bedrijf niet van invloed is geweest op de beoordeling van de vergunningaanvraag.

- Bij brief van 19 januari 2005 heeft verweerder appellant er op gewezen dat hij, indien hij niet in aanmerking komt voor toepassing van het Bhv, slechter af zou zijn dan iemand die in de referentiejaren 1995 en 1996 geen opgave van mestproductie heeft gedaan. Om die reden heeft verweerder appellant het voorstel gedaan tot berekening van een varkensrecht op basis van 82% van zijn mestproductierechten in 1996.

- In antwoord hierop heeft appellant verweerder meegedeeld dat hij van mening is voor toepassing van artikel 9 Bhv in aanmerking te komen.

- Op 7 april 2005 heeft verweerder de melding van appellant voor (het gewijzigde) artikel 9 Bhv afgewezen.

- Op 11 april 2005 heeft verweerder appellant een overzicht van zijn bedrijfssituatie gezonden, waarin zijn varkensrecht (inclusief de generieke korting van 10%) is berekend op basis van 82% van zijn mestproductierechten in 1996.

Omdat appellant in het kader van de Regeling beëindiging veehouderijtakken 147 varkensrechten heeft laten opkopen, resteren voor het bedrijf volgens verweerder 110 varkensrechten.

- Bij brief van 19 mei 2005, aangevuld bij brief van 13 juli 2005, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 7 en 11 april 2005, voorzover deze inhouden dat hij niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 9 Bhv.

- Op 23 november 2005 is appellant naar aanleiding van zijn bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en daartoe - zakelijk samengevat - het volgende overwogen.

Ingevolge de jurisprudentie van het College, waaronder de uitspraken waarop appellant zich beroept, dient voor de beantwoording van de vraag of wordt voldaan aan het in artikel 9, eerste lid, Bhv opgenomen vereiste dat een milieuvergunning is verleend voor een vergroting van het aantal varkens, niet alleen te worden gekeken naar het in de vergunning genoemde aantal, maar tevens naar het aantal in het referentiejaar gehouden varkens in verhouding tot het na realisatie van de vergunning gehouden aantal dieren.

In het onderhavige geval is 1995 het referentiejaar met de hoogste mestproductie, namelijk 1.206 kg fosfaat, waarna die productie is afgenomen van 932 kg in 1996 tot uiteindelijke 348 kg in 1998. Vanaf 1999 is op het bedrijf geen mestproductie voor varkens geregistreerd.

Artikel 9 Bhv is bedoeld voor bedrijven die bezig waren hun varkensstapel (en daarmee samenhangende mestproductie) uit te breiden en om die reden in de referentiejaren een mestproductie hadden die niet representatief was voor de beoogde bedrijfsomvang.

In dit geval is de mestproductie in het referentiejaar 1995 aanzienlijk hoger dan in de jaren daarna, zodat er feitelijk geen sprake is van een toename maar van een afname.

Uit de informatie van de gemeente B is bovendien gebleken dat de milieuvergunning in 1993 geen uitbreiding inhield van het aantal te houden varkens. Bovendien heeft die gemeente meegedeeld dat de brand op het bedrijf niet van invloed is geweest op de vergunningverlening, terwijl ook andere informatie daar niet op wijst.

4. Het standpunt van appellant

Appellant stelt dat de in 1993 verleende milieuvergunning zowel juridisch als feitelijk een uitbreiding inhield van het aantal varkens op het bedrijf. De beoordeling van de aan die vergunning ten grondslag liggende aanvraag is door burgemeester en wethouders volledig opgehangen aan de door de provincie in 1987 aan appellant verleende mestvergunning, aangezien in de oude hinderwetvergunning geen aantallen dieren waren genoemd.

Het in de mestvergunning genoemde aantal hoeft niet borg te staan voor het aantal dieren dat appellant destijds daadwerkelijk hield. Bovendien is niet onderzocht of sprake is geweest van het gedeeltelijk vervallen van de hinderwetvergunning omdat gedurende drie opvolgende jaren minder dieren gehouden zijn dan vergund. In maart 1993 is voorts de zeugen-/rundveestal van appellant afgebrand, zodat de op 1 juni 1993 verleende milieuvergunning, die mede betrekking had op de in die stal te huisvesten dieren, reeds om die reden een uitbreiding inhield.

Verweerder maakt ten onrechte een vergelijking tussen de referentiejaren en de situatie daarna. Mede door de problemen in de varkenssector, waaronder de varkenspest in 1997 en de generieke korting van 10% ingevolge de Whv, heeft appellant gebruik gemaakt van de door verweerder in het leven geroepen opkoopregeling. Daardoor is er vanaf 1999 geen mestproductie meer. Die situatie behoort bij de beoordeling van de verzochte toepassing van artikel 9 Bhv geen rol te spelen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet in aanmerking kan komen voor toepassing van artikel 9 Bhv.

Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.2 Het onderhavige hardheidsgeval is, zoals verweerder ook heeft aangevoerd, blijkens de toelichting op het Bhv bedoeld voor die groep van gevallen, waarin in verband met aantoonbare uitbreidingsplannen de berekening van het aantal varkensrechten aan de hand van de mestproductie in een van de referentiejaren onbillijk werd geacht omdat deze (nog) niet representatief was voor de beoogde bedrijfsomvang na uitbreiding. Dit blijkt ook uit het vereiste in artikel 9, eerste lid, Bhv dat de in het relevante tijdvak aangevraagde/verleende milieuvergunning betrekking heeft op "een vergroting van het aantal te houden varkens". Zoals het College in vaste rechtspraak heeft overwogen dient de vraag of aan dat vereiste is voldaan niet uitsluitend te worden beoordeeld aan de hand van een vergelijking tussen de oude en nieuwe milieuvergunning, doch moet daarbij tevens acht worden geslagen op de feitelijke situatie.

Vaststaat dat in de oude hinderwetvergunning van appellant geen aantallen dieren zijn vermeld, zodat een vergelijking tussen die vergunning en de op 1 juni 1993 verleende milieuvergunning in dit geval geen soelaas biedt. Voorts heeft de gemeente B in reactie op een verzoek van verweerder meegedeeld dat het in de milieuvergunning van 1993 vermelde aantal dieren overeenkwam met het aantal varkens dat destijds door appellant op zijn bedrijf werd gehouden. Weliswaar heeft appellant ter zitting van het College gesteld dat dit niet juist zou zijn, maar nu die stelling niet met enig bewijsstuk is onderbouwd, moet het ervoor worden gehouden dat verweerder terecht is afgegaan op de door de gemeente verstrekte informatie.

5.3 Hetgeen appellant heeft aangevoerd strekt er toe te betogen dat, anders dan verweerder stelt, de aan hem op 1 juni 1993 verleende milieuvergunning feitelijk en juridisch tot uitbreiding van het aantal varkens heeft geleid. Naar het oordeel van het College kan dat betoog, voor zover dat ziet op een - juridische - uitbreiding, reeds niet worden aanvaard door het ontbreken van aantallen in de oude hinderwetvergunning. Ook overigens kan het betoog van appellant op grond van de vaststaande feiten en omstandigheden, waaronder de informatie van de gemeente B, niet worden onderschreven.

Hierbij komt dat uit het door appellant gestelde niet kan worden afgeleid dat zijn mestproductie in 1995, het referentiejaar met de hoogste mestproductie, niet representatief zou zijn voor zijn bedrijfsomvang, zodat ook niet blijkt dat aan de doelstelling van artikel 9 Bhv is voldaan.

Verweerder heeft terecht geweigerd toepassing te geven aan hardheidsgeval 3/14a. Het beroep is derhalve ongegrond.

5.4 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. S. van Noordt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. S. van Noordt