ECLI:NL:CBB:2010:BM3318
public
2015-11-11T00:14:56
2013-04-05
Raad voor de Rechtspraak
BM3318
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2010-04-14
AWB 09/453
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
NL
Bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:17
Wet vervoer binnenvaart
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2010:BM3318
public
2013-04-05T06:21:12
2010-05-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2010:BM3318 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2010 / AWB 09/453

Wet vervoer binnenvaart, aanvraag voor een Rijnvaartverklaring, artikel 6:17 Awb, toezenden stukken aan gemachtigde

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/453 14 april 2010

14300 Wet vervoer binnenvaart

Uitspraak in de zaak van:

1. Merlux Maritime S.A., te Luxemburg (hierna: Merlux),

2. A, te B,

appellanten,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigden: mr. M.J.G. van den Bosch en R. Cupedo, werkzaam bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 30 maart 2009, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 februari 2009. Zij hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 3 juni 2009, bij het College binnengekomen op dezelfde datum.

Bij voormeld besluit heeft verweerder onder meer de door appellanten tegen het besluit van 20 december 2006 ingediende bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 5 augustus 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 3 maart 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellanten en verweerder, vertegenwoordigd door voormelde gemachtigden, zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet vervoer binnenvaart (hierna: de Wet), zoals deze gold ten tijde van belang en voor zover hier van belang, is het volgende bepaald:

"Artikel 5

1. Onze Minister geeft met betrekking tot een binnenschip dat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, te boek staat op aanvraag van de desbetreffende eigenaar, de mede-eigenaar of de exploitant van het schip een Rijnvaartverklaring af, mits wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen omtrent de nationaliteit alsmede de woon- en verblijfplaats in geval van een natuurlijke persoon onderscheidenlijk de oprichting, de zetel, het centrum van de handelsactiviteit, de plaats, van waaruit de exploitatie wordt geleid alsmede het bestuur en het beheer in geval van een rechtspersoon.

Artikel 56

1. Aan degene die een aanvraag doet tot afgifte of wijziging van de in het tweede lid genoemde documenten kan daarvoor een vergoeding van de kosten in rekening worden gebracht, verschuldigd volgens door Onze Minister vast te stellen tarieven.

2. De in het eerste lid bedoelde documenten zijn:

a. de Rijnvaartverklaring, bedoeld in artikel 5;

(…)."

In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 6:17

Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 20 december 2006 heeft verweerder de aanvraag van Merlux (de exploitant) voor een Rijnvaartverklaring voor het binnenvaartschip Valiente niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aanvrager buiten Nederland is gevestigd en hieruit volgens verweerder zijn onbevoegdheid volgt.

- Bij brief van 2 januari 2007 hebben Merlux en A (de eigenaar) tijdig bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit.

- Bij brief van 4 mei 2007 heeft verweerder aan appellanten medegedeeld dat in verband met het ingediende bezwaarschrift alsnog zal worden overgegaan tot behandeling van de aanvraag.

- Bij brief van 17 oktober 2008 hebben appellanten desgevraagd aangegeven dat zij hun bezwaren handhaven.

- Op 2 december 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. In het verslag van de hoorzitting staat onder meer het volgende:

"Gemachtigde vraagt naar de stand van zaken met betrekking tot de “Valiente” (Merlux Maritime S.A.). Volgens de voorzitter betrof het hier een oude aanvraag voor een Rijnvaartverklaring uit 2006, waarop de minister zich niet bevoegd heeft verklaard om te beslissen. Volgens de heer Vos is het geld van de aanvraag teruggestort en de afspraak gemaakt dat een nieuwe aanvraag zou worden ingediend. Tot op heden is er geen nieuwe aanvraag ingediend. Gemachtigde geeft aan dat het geld voor de aanvraag zal worden teruggestort daar hij een beslissing op de oude aanvraag wil hebben. Tussen de heren Vos, Cupedo en gemachtigde zal overleg plaatsvinden over de afhandeling van de “Valiente” en “Einstein”. (…)"

- Op 22 december 2008 heeft verweerder aan Merlux een factuur gestuurd. Hierop is vermeld dat verweerder op 2 december 2008 een aanvraag heeft ontvangen voor een of meerdere documenten en dat het een aanvraag betreft om een Rijnvaartverklaring 2006. Voorts zijn op de factuur een intern kenmerk van verweerder en het verzoek het totaal te betalen bedrag binnen zes weken over te maken opgenomen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat inmiddels is vastgesteld dat de Minister wél bevoegd is om de aangevraagde Rijnvaartverklaringen af te geven. Voor daadwerkelijke afgifte van de Rijnvaartverklaring dient de aanvrager eerst te voldoen aan de daarvoor geldende wettelijke voorschriften, waaronder het betalen van de vergoeding voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Tijdens de hoorzitting van 2 december 2008 bleek dat de vergoeding voor het in behandeling nemen van de aanvraag was teruggestort naar Merlux. Vervolgens is door de gemachtigde van Merlux aangegeven dat zij een beslissing op de oude aanvraag wilde hebben en dat daarom het geld voor de aanvraag voor een Rijnvaartverklaring weer zou worden overgemaakt. In verband hiermee is door verweerder op 22 december 2008 een factuur gestuurd naar Merlux. Het bedrag voor de aanvraag is niet binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken gestort op de desbetreffende rekening van de Inspectie.

Genoemde exploitant heeft ook op geen enkele andere wijze gereageerd op deze factuur. Dit betekent volgens verweerder dat de aanvraag voor een Rijnvaartverklaring terecht buiten behandeling is gelaten, aangezien de wettelijke voorgeschreven vergoeding voor het wederom in behandeling nemen van de aanvraag niet is betaald. Gelet hierop is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten voeren, samengevat weergegeven, aan dat verweerder ten onrechte hun bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij stellen dat verweerder de factuur van 22 december 2008 ten onrechte alleen aan Merlux heeft gezonden en niet aan de gemachtigde van appellanten. Voorts voeren zij aan dat uit deze factuur op geen enkele wijze valt af te leiden dat deze betrekking had op de vergoeding voor het in behandeling nemen van de aanvraag om een Rijnvaartverklaring voor het binnenvaartschip Valiente. Ook is geen sprake geweest van een rappel of een vraag aan de gemachtigde van Merlux waarom het bedrag niet werd betaald, terwijl tussen partijen veelvuldig contact was geweest.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Beoordeeld moet worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag om een Rijnvaartverklaring voor het binnenvaartschip Valiente buiten behandeling mocht blijven omdat de factuur van 22 december 2008 niet binnen de gestelde betalingstermijn van zes weken was voldaan en geen enkele reactie van Merlux op deze factuur is ontvangen. Het College overweegt hierover het volgende.Verweerder heeft ter zitting erkend dat de factuur alleen aan Merlux en niet aan de gemachtigde van appellanten is verstuurd. Nu appellanten zich in deze procedure hebben laten vertegenwoordigen, verweerder hiervan op de hoogte was, en hij de op de zaak betrekking hebbende stukken, waartoe ook voormelde factuur dient te worden gerekend, in ieder geval aan de gemachtigde van appellanten had moeten zenden en hij dit heeft nagelaten, is door verweerder gehandeld in strijd met artikel 6:17 Awb. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat Merlux uit de factuur had kunnen opmaken dat deze betrekking had op de aanvraag om een Rijnvaartverklaring voor het binnenvaartschip Valiente. Voor zover verweerder hiermee beoogd heeft te stellen dat om die reden geen toepassing hoefde te worden gegeven aan artikel 6:17 Awb volgt het College dit standpunt niet. Daarnaast is het College overigens van oordeel dat uit de factuur geenszins valt op te maken dat deze betrekking heeft op voormelde aanvraag, nu op de factuur de naam van het schip niet is vermeld, geen voor appellanten herkenbaar kenmerk, dat refereert aan de aanvraag, is geplaatst en bovendien niet de datum van de aanvraag, maar van de hoorzitting is vermeld. Dat appellanten de factuur van 22 december 2008 niet binnen de gestelde betalingstermijn van zes weken hebben voldaan, kan hun derhalve niet worden tegengeworpen.

5.2 Gelet op het voorgaande is verweerder ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de aanvraag wegens het niet voldoen van een vergoeding voor het in behandeling nemen van de aanvraag buiten behandeling kon blijven. Het bezwaar van appellanten is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het bezwaarschrift ten aanzien van het binnenvaartschip Valiente niet-ontvankelijk is verklaard. Alvorens verweerder opnieuw op het bezwaar zal beslissen, dient hij appellanten en hun gemachtigde in de gelegenheid te stellen de vergoeding, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet te voldoen.

5.3 Het College acht tenslotte termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellanten gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,--, te weten 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 (gemiddeld) en een waarde per punt van € 322,--.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellanten beslist, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro);

- bepaalt dat verweerder het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,-- (zegge: tweehonderdzevenennegentig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. H.O. Kerkmeester en mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

w.g. C.M. Wolters w.g. R. Kegge