ECLI:NL:CBB:2010:BM3392
public
2015-11-12T11:43:47
2013-04-05
Raad voor de Rechtspraak
BM3392
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2010-04-28
AWB 09/117
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2010:BM3392
public
2013-04-05T06:21:24
2010-05-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2010:BM3392 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 28-04-2010 / AWB 09/117

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; bedrijfstoeslag 2007; te laat ingesteld beroep

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/117 28 april 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. R. Lamain en drs. M. Star, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 16 januari 2009, bij het College ontvangen op 20 januari 2009, een op 16 december 2008 gedateerd beroepschrift overgelegd waarin hij aangeeft beroep in te stellen tegen een besluit van verweerder van 13 november 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 27 maart 2008, waarbij verweerder heeft bepaald dat aan appellant voor het jaar 2007 geen bedrijfstoeslag op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) zal worden uitbetaald.

Het College heeft appellant bij brief van 23 januari 2009 in de gelegenheid gesteld uiteen te zetten welke omstandigheden er toe hebben geleid dat het beroepschrift van 16 december 2008 niet binnen de beroepstermijn van zes weken bij het College is ingediend.

Bij brief van 3 februari 2009 heeft appellant hierop het volgende meegedeeld.

“(…) Tijdens het telefonisch contact van 15 januari 2009 bleek dat de aanvraag van A niet bij jullie bekend was. Hierop volgend is bij brief van 16 januari 2009 alsnog een kopie van het destijds ingediende beroepschrift ingediend met de bijbehorende informatie.

Zoals aangegeven in de brief van 16 januari 2009 zijn beide beroepschriften gelijktijdig ter post bezorgd en verstuurd in twee afzonderlijke enveloppen. De enveloppen zijn helaas niet aangetekend verstuurd, zodat nu niets meer valt aan te tonen. Hierdoor is ook niet na te gaan waar het mis is gegaan in het traject van postbezorging tot en met verwerking van het beroepsschrift. (…)”

Bij brief van 2 april 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Appellant heeft bij brief van 22 juli 2009 zijn standpunt nader toegelicht.

Op 31 maart 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, vergezeld van C, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Het College stelt vast dat verweerder bij afzonderlijke besluiten van 13 november 2008 heeft beslist op de bezwaarschriften inzake de vaststelling van bedrijfstoeslag voor het jaar 2007 van A B.V. en A in persoon.

Appellant heeft namens A B.V. bij brief van 16 december 2008 beroep ingesteld. Dit beroepschrift is tijdig ingediend. Bij uitspraak van heden, geregistreerd onder zaaknummer AWB 08/1030, heeft het College het beroep van A B.V. ongegrond verklaard.

2.2 Appellant stelt dat hij, eveneens bij brief van 16 december 2008, beroep heeft ingesteld tegen verweerders besluit van 13 november 2008 dat op hem betrekking heeft. Dit beroepschrift is volgens appellant in een afzonderlijke enveloppe ter post bezorgd. Het beroepschrift is echter pas op 20 januari 2009 ter griffie van het College ontvangen, zulks naar aanleiding van telefonisch contact met appellant inzake het beroep van A B.V. Dit betekent, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:7, 6:8, eerste lid, en 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat het beroepschrift van appellant niet is ingediend binnen de wettelijke termijn van zes weken. Hierbij is in aanmerking genomen dat het beroepschrift niet aangetekend is verzonden, en dat appellant er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat het beroepschrift wel tijdig is ingediend. Evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit zou moeten worden afgeleid dat appellant, ondanks het te laat indienen van zijn beroepschrift, niet in verzuim is geweest.

2.3 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

2.4 Ten overvloede merkt het College nog het volgende op.

Appellant heeft in het beroepschrift van 16 december 2008 ook nog aangegeven dat hij beroep wenst in te stellen tegen de vaststelling van zijn toeslagrechten.

De aanvraag vaststelling toeslagrechten van appellant heeft verweerder reeds bij besluit van 15 december 2006 afgewezen. Een tegen dit besluit gericht bezwaar heeft verweerder bij besluit van 23 februari 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van gronden. Tegen dit laatste besluit heeft appellant geen beroep ingesteld bij het College, waarmee het onherroepelijk is geworden. Met de onderhavige beroepsprocedure kan appellant dus hoe dan ook niet bereiken dat hem alsnog toeslagrechten worden toegekend.

3. De beslissing

Het College verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. S.C. Stuldreher en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.

w.g. C.M. Wolters w.g. F.W. du Marchie Sarvaas