ECLI:NL:CBB:2010:BN9205
public
2015-11-16T09:31:09
2013-04-05
Raad voor de Rechtspraak
BN9205
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2010-09-30
AWB 10/90
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2010:BN9205
public
2013-04-05T07:00:45
2010-10-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2010:BN9205 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-09-2010 / AWB 10/90

Heffing; Vakheffing boomkwekerijproducten; Bezwaarschrift tegen Pbo-heffing (boomkwekerijheffing) ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De periode waarin appellante in de gelegenheid was gesteld om het bezwaarschrift aan te vullen liep niet tot de door het productschap genoemde datum (11 december 2009), maar tot en met die datum. Uit de brief van het productschap waarbij appellante in de gelegenheid was gesteld om het bezwaarschrift aan te vullen volgt immers dat het bezwaarschrift pas niet-ontvankelijk zou worden verklaard wanneer verweerder de gevraagde aanvulling niet op 11 december 2009 zou hebben ontvangen.

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(tweede enkelvoudige kamer)

AWB 10/90 30 september 2010

4241 Heffing

Vakheffing boomkwekerijproducten

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst, werkzaam bij M&P/Bakkerberaad te Utrecht,

tegen

Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. Th Keizer, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Bij brief van 10 november 2009 heeft appellante pro forma bezwaar gemaakt tegen “alle nota’s die, direct of indirect, door uw productschap in welke vorm dan ook (PT-aanslag, veilingnota, of andere nota) aan hem zijn opgelegd”.

Bij brief van 20 november 2009 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Daarbij heeft verweerder onder meer het volgende meegedeeld:

“U dient uw bezwaarschrift aan te vullen met een machtiging getekend door uw cliënte, een omschrijving bestreden besluit en de gronden van bezwaar. Tevens verzoek ik u om aan te geven of u gebruik wilt maken van de mogelijkheid om gehoord te worden. U kunt op bijgevoegd formulier uw voorkeur aangeven.

U krijgt tot uiterlijk 11 december 2009 a.s. om het bezwaarschrift aan te vullen en het bijgevoegde keuze formulier te retourneren. (…)

Indien het PT de gevraagde aanvulling niet uiterlijk op die datum heeft ontvangen, is het bezwaarschrift niet ontvankelijk. (…) ”

Op het bij voormelde brief gevoegde keuzeformulier, waarop de gemachtigde kan aangegeven of hij wenst te worden gehoord, is vermeld:

“Retourneren voor 11 december”.

Bij besluit van 16 december 2009 heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 januari 2010, bij het College binnengekomen op 26 januari 2010, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 maart 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, heeft het College de bevoegdheid om, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek te sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.2 Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft hij overwogen dat het bezwaar niet tijdig is aangevuld met een omschrijving van het bestreden besluit.

2.3 Uit het bestreden besluit blijkt evenwel dat verweerder op 11 december 2009 een faxbericht van appellante heeft ontvangen, waarin appellante is ingegaan op de gevraagde gronden en de gevraagde machtiging. Uit de onderwerpvermelding van dit faxbericht blijkt dat het bezwaar is gericht tegen de door verweerder aan appellante opgelegde aanslag boomkwekerijproducten 2008, waarmee het bestreden besluit genoegzaam is omschreven.

Het College is van oordeel dat uit de brief van verweerder van 20 november 2009 niet volgt dat het bezwaar reeds vóór 11 december 2009 diende te zijn aangevuld. Uit die brief volgt immers dat het bezwaarschrift pas niet-ontvankelijk zou worden verklaard wanneer verweerder de gevraagde aanvulling niet op 11 december 2009 zou hebben ontvangen. Ook uit de mededeling dat het keuzeformulier vóór 11 december (2009) diende te worden geretourneerd, waartoe een antwoordenvelop was bijgevoegd, heeft appellante kunnen en mogen afleiden dat het voldoende was wanneer de aanvulling van het bezwaar op 11 december 2009 door verweerder zou worden ontvangen. Nu vast staat dat verweerder de aanvulling van het bezwaar op 11 december 2009 heeft ontvangen, heeft verweerder ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat dit niet tijdig is aangevuld met een omschrijving van het bestreden besluit.

2.4 In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar tevens niet-ontvankelijk verklaard kon worden omdat de gevraagde machtiging ontbrak. Deze grond is echter niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Wellicht ten overvloede overweegt het College hieromtrent het volgende. Het bezwaar kan ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer een aan het bezwaarschrift klevend verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn is hersteld. Niet uitgesloten is dat bijzondere omstandigheden een herstel van het verzuim buiten de gestelde termijn kunnen rechtvaardigen. Verweerder heeft niet onderzocht waarom de gemachtigde de machtiging niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd.

Daarbij komt dat appellante in beroep heeft betoogd dat de aanslag boomkwekerij-producten 2008, waartegen het bezwaarschrift was gericht, dateert van 5 november 2009, zodat de bezwaartermijn liep tot en met 17 december 2009. Indien dit juist is – de betreffende aanslag is niet overgelegd – ziet het College voorshands niet in, waarom niet in redelijkheid met een kort nader uitstel voor het indienen van de machtiging, zoals verzocht bij faxbericht van 11 december 2009, kon worden ingestemd.

2.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep kennelijk gegrond is, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75 Awb worden veroordeeld in de proceskosten van appellante. Dit zijn de kosten van de door haar gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, die met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn vastgesteld op € 437,--. Daarbij is uitgegaan van één punt voor het indienen van een beroepschrift, tegen een waarde van € 437,-- per punt, in een zaak van gemiddeld gewicht.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 437,-- (zegge: vierhonderdzevenendertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 297,-- (zegge: tweehonderdzevenennegentig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2010.

w.g. F. Stuurop w.g. J.M.M. Bancken