ECLI:NL:CBB:2010:BO1072
public
2018-08-25T02:14:43
2013-04-05
Raad voor de Rechtspraak
BO1072
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2010-08-31
AWB 08/496
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Wet marktordening gezondheidszorg
Wet marktordening gezondheidszorg 105
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Rechtspraak.nl
GJ 2010/147
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2010:BO1072
public
2013-04-05T07:05:23
2010-10-19
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2010:BO1072 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 31-08-2010 / AWB 08/496

Wet tarieven gezondheidszorg

Overige instellingen

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/496 31 augustus 2010

13730 Wet tarieven gezondheidszorg

Overige instellingen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: C, algemeen directeur,

tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigde: mr. A.C. de Die, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 3 juli 2008, bij het College binnengekomen op 4 juli 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 16 juni 2008.

Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar van D, voorheen E (hierna: D), tegen de tariefbeschikking van 11 mei 2007, ongegrond verklaard.

Bij brief van 19 februari 2009 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Op 27 mei 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van verweerster is voorts R.J.S. Tonnaer verschenen, werkzaam bij verweerster.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft in 2005 overproductie geleverd, welke zij administratief heeft overgeheveld aan D.

- Op het nacalculatieformulier 2005 van D is deze overproductie van appellante opgegeven voor een bedrag van €149.998.-.

- Bij brief van 13 maart 2007 is D door verweerster geïnformeerd dat de betreffende uren van appellante bij D in mindering zullen worden gebracht.

- Op 11 mei 2007 is door verweerster aan D een tariefbeschikking afgegeven.

- Bij brief van 14 juni 2007 heeft D bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

- Op 30 januari 2008 heeft de hoorzitting inzake het bezwaarschrift plaatsgevonden. Naast D was appellante bij deze hoorzitting vertegenwoordigd.

- D heeft bij brief van 16 april 2008 aan verweerster bericht het bezwaar inzake de overproductie van appellante te handhaven, voor het overige heeft D het bezwaar ingetrokken.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit, gericht aan D, van 16 juni 2008 genomen.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Het College dient allereerst de vraag te beantwoorden of appellante kan worden ontvangen in haar beroep.

Het besluit van 16 juni 2008, waartegen appellante beroep heeft ingesteld, is gericht aan D. Appellante stelt dat zij als belanghebbende dient te worden aangemerkt nu zij als enige de financiële gevolgen van het besluit draagt.

Het College overweegt als volgt.

Op grond van artikel 105 van de Wet marktordening gezondheidszorg kan slechts een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen. Onder een belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Blijkens vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 7 juni 2001, AWB 00/550 en 00/593, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AB2132, en van 14 oktober 2009, AWB 09/44, <www.rechtspraak.nl>, LJN: BK1196) geeft het begrip 'rechtstreeks' in deze definitie aan, dat een direct en onlosmakelijk verband moet bestaan tussen het belang waarin de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon zich getroffen acht en het desbetreffende besluit.

In het onderhavige geval kan niet worden gesproken van een rechtstreeks belang. Het bestreden besluit betreft de nacalculatie van D. Appellante heeft bij dat besluit een afgeleid belang op grond van de tussen haar en D gemaakte privaatrechtelijke afspraken. Appellante kan dan ook niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb en kan op grond daarvan niet worden ontvangen in haar beroep.

3.2 De conclusie is dat het beroep van appellante niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Nu het beroep niet-ontvankelijk is, komt het College aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep niet toe.

3.3 Het College ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

4. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. E. Dijt en mr. W.A.J. van Lierop, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2010.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. L.C. Bannink