Winkeltijdenwet
College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 09/1104
10 december 2010
12500 Winkeltijdenwet
Uitspraak in de zaak van:
Albert Heijn Hoensbroek B.V., te Hoensbroek (gemeente Heerlen), appellante,
gemachtigde: mr. J. van Vulpen, advocaat te Utrecht,
tegen
burgemeester en wethouders van Heerlen, verweerders,
gemachtigde: J.L.P. Heijboer, werkzaam bij de gemeente Heerlen.
1. De procedure
Appellante stelde op 21 augustus 2009 beroep in tegen het besluit van 13 juli 2009, waarbij verweerders beslisten op het bezwaar van appellante tegen het uitblijven van een beslissing op hun aanvraag tot ontheffing van de zondagsluiting voor de winkel Kouvenderstraat 100. De gronden van het beroep staan in een brief van 23 september 2009.
Verweerders voerden verweer.
Op 29 oktober 2010 vond de zitting plaats, waar partijen hun standpunten toelichtten.
2. Overwegingen
2. Tot 23 juli 2009 gold in Heerlen de Verordening winkeltijden gemeente Heerlen. Artikel 6 van die verordening gaf verweerders de bevoegdheid om op aanvraag voor vier winkels ontheffing te verlenen van het verbod tot zondagopenstelling. Artikel 2 van die verordening kent voor de aanvraag om ontheffing een beslistermijn van zes weken, met de bevoegdheid van verweerders om de termijn maximaal vier weken te verlengen.
3.1 De volgende feiten zijn door partijen niet betwist en ook het College gaat hier van uit.
3.2 Op 19 maart 2009 ontvingen verweerders de aanvraag van appellante voor ontheffing van de zondagsluiting voor de winkel aan de Kouvenderstraat 100.
3.3 Bij brief van 17 juni 2009 maakte appellante bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag en dat bezwaar verklaarden verweerders met het besluit van 13 juli 2009 gegrond.
3.4 Op 23 juli 2009 wezen verweerders de aanvraag af. Het daartegen gerichte bezwaar van appellante verklaarden verweerders met een besluit van 22 december 2009 ongegrond. Hiertegen stelde appellante afzonderlijk beroep in.
4.1 Verweerders erkennen dat zij de beslistermijn overschreden. Zij volstonden in het besluit van 13 juli 2009 met de gegrondverklaring van het bezwaar, maar beslisten uiteindelijk op 23 juli 2009 alsnog op de aanvraag. Hiermee ontbreekt het procesbelang van appellante bij dit beroep. Over het beroep tegen het besluit van 22 december 2009 deed het College vandaag afzonderlijk uitspraak in de zaak onder nummer 10/111.
4.2 Het beroep is niet-ontvankelijk.
4.3 Voor vergoeding van proceskosten ziet het College geen aanleiding.
3. De beslissing
Het College
• verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, mr. C.J. Waterbolk en mr. H.S.J. Albers, in tegenwoordigheid van mr. G.D. Kleijne als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2010.
w.g. R.C. Stam w.g. G.D. Kleijne