SDE-subsidie
MEP-subsidie
overgangsregeling
in gebruik nemen
zonnepanelen
College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 10/271 7 april 2011
27301 Kaderwet EZ-subsidies
Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE)
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellant,
tegen
de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,
gemachtigde: mr. C. Cromheecke, werkzaam bij verweerders dienst Agentschap NL.
1. Het procesverloop
Bij besluit van 13 november 2009 heeft verweerder de subsidieverlening voor het plaatsen van zonnepanelen op de woning van appellant ingetrokken.
Bij besluit van 5 februari 2010 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 maart 2010 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 24 februari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, zijn verschenen.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Artikel 73 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: het Besluit) bepaalde ten tijde van de aanvraag van de subsidie waarvan de verlening door verweerder is ingetrokken, het volgende:
“ In afwijking van artikel 3, vierde lid, kan een producent bij de eerste maal dat subsidie op grond van dit besluit kan worden aangevraagd voor een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit verzoeken dat de voor subsidie in aanmerking komende periode aanvangt voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat een aanvang voor 18 augustus 2006 niet mogelijk is en dat deze aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie die na 18 augustus 2006 in gebruik is genomen.”
Artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verleent het bestuursorgaan zolang de subsidie niet is vastgesteld de bevoegdheid om de subsidieverlening in te trekken, indien de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid.
2.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant in zijn aanvraag voor subsidie onjuiste gegevens heeft verstrekt en dat als hij wel de juiste gegevens zou hebben verstrekt de subsidie niet verleend zou zijn. Appellant heeft in de aanvraag namelijk gesteld dat de productie-installatie in gebruik is genomen op 7 juni 2007, terwijl gebleken is dat de installatie op of voor 16 augustus 2006 – en dus vóór 18 augustus 2006 - in gebruik is genomen. Onder in gebruik nemen als bedoeld in artikel 73 van het Besluit verstaat verweerder dat de installatie gaat doen waarvoor het bestemd is; het opwekken van duurzame energie. Appellant heeft tijdens de hoorzitting gezegd dat hij in maart 2006 de zonnepanelen heeft geplaatst en in gebruik heeft nomen. Verder blijkt dat door de netbeheerder op 16 augustus 2006 is meegedeeld dat de installatie en de meetinrichting voldoen aan de eisen zoals vastgelegd in de Regeling groencertificaten. Daaruit kan worden afgeleid dat de installatie vóór 18 augustus 2006 in gebruik is genomen.
2.3 In beroep heeft appellant aangevoerd dat hij nu tussen wal en schip raakt; door deze interpretatie van artikel 73 van het Besluit komt iedereen die vóór 18 augustus 2006 al bezig was met het plaatsen van een installatie op het dak maar de installatie te laat in gebruik heeft genomen voor de MEP ook niet in aanmerking voor SDE-subsidie. De plaatsing van de zonnepanelen is inderdaad in maart 2006 gestart, maar pas in augustus 2006 is de meter geplaatst en de installatie gekeurd. Dat de installatie is geplaatst en aangesloten wil nog niet zeggen dat er ook sprake is van in gebruik nemen. Daarmee wacht je namelijk totdat je bericht hebt dat alles goed is aangesloten en ook veilig voor de netbeheerder is. Dat is op 21 augustus 2006 geweest, het moment van de vaststelling zoals blijkt uit de telefoonnotitie van de heer C van 18 september 2006.
2.4 Het College overweegt als volgt. Appellant heeft in zijn aanvraag als datum ingebruikname van de installatie gesteld: 7 juni 2007. Niet ter discussie staat dat die datum niet juist is. Daarmee staat vast dat appellant onjuiste gegevens heeft verstrekt in zijn aanvraag. In het kader van artikel 4:48 van de Awb is van belang of als appellant wel de juiste gegevens had verstrekt over de ingebruikname van de installatie dit tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid. In dat kader en gelet op artikel 73 van het Besluit rijst de vraag op welk moment de installatie van appellant in gebruik is genomen.
2.5 Het College stelt vast dat noch de tekst van het Besluit noch de toelichting daarop uitsluitsel geven over de vraag wanneer sprake is van “in gebruik nemen”. Onder die omstandigheden moet daaronder worden verstaan hetgeen in het normaal taalgebruik gangbaar is, te weten het moment waarop de installatie gaat doen waarvoor het bestemd is; het opwekken van duurzame energie.
2.6 Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Tijdens de hoorzitting heeft appellant verklaard dat de zonnepanelen in maart 2006 zijn geplaatst en dat de (bruto)productiemeter is geplaatst in juli 2006 en voorts dat de installatie is gaan draaien en er geproduceerd is in maart 2006. Bij brief van 16 augustus 2006 heeft appellant bericht gekregen van netbeheerder Continuon dat zijn installatie en meetinrichting geschikt zijn voor het opwekken van duurzame energie en dat deze voldoen aan de eisen zoals neergelegd in de Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998.
2.7 Naar het oordeel van het College kon verweerder op grond hiervan de conclusie trekken dat er sprake was het in gebruik nemen van een installatie voorafgaand aan 18 augustus 2006. Indien appellant meent dat deze conclusie ten onrechte door verweerder wordt getrokken, zal hij met bewijsmateriaal moeten komen waaruit het tegendeel blijkt. Dat heeft appellant niet gedaan. De door appellant daarvoor aangevoerde telefoonnotitie van een gesprek van de heer C met een medewerker van CertiQ levert dat bewijs niet. Uit die telefoonnotitie volgt dat ten tijde van de vaststelling door CertiQ op 21 augustus 2006 de installatie gereed was en elektriciteit produceerde. Daaruit volgt niet dat de installatie niet vóór die datum – en in het bijzonder niet vóór 18 augustus 2006 – al in gebruik was genomen. In dat opzicht is ook relevant de brief van de netbeheerder van 16 augustus 2006 waaruit blijkt dat de installatie en de meetinrichting geschikt zijn voor het opwekken van duurzame energie. Dat sprake is geweest van het door de netbeheerder op afstand activeren en deactiveren van de installatie en meetinrichting ten behoeve van de beoordeling door de netbeheerder, is ter zitting weliswaar geopperd door appellant, maar bewijs hiervoor ontbreekt.
Ook de omstandigheid dat appellant heeft betwist hetgeen in het verslag van de hoorzitting is opgenomen voor zover het zijn verklaring betreft dat de installatie niet is gaan draaien en gaan produceren in maart 2006, kan hem niet baten. Het College heeft in het door appellant aangevoerde onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat het verslag van de hoorzitting geen goede weergave bevat van hetgeen hij daar heeft gezegd. Daarbij neemt het College in aanmerking dat verweerder ter zitting uiteen heeft gezet hoe de hoorzitting is verlopen, het antwoord dat appellant heeft gegeven - te weten “De installatie is gaan draaien en er is geproduceerd in maart 2006” - volgde op een expliciete vraag met de toelichting dat het voor het bepalen van de datum ingebruikname er om gaat wanneer de installatie is gaan draaien en vanaf wanneer er is geproduceerd en voorts dat appellant eerst ter zitting met die betwisting is gekomen. Het in het beroepschrift gestelde over de interpretatie van verweerder ziet niet op de betwisting van hetgeen tijdens de hoorzitting is gezegd, maar op de door verweerder getrokken conclusie dat sprake is van het in gebruik nemen van de installatie. Dat appellant de vraag die is gesteld op de hoorzitting niet zou hebben begrepen, acht het College niet aannemelijk.
2.8 Appellant heeft verder aangevoerd dat artikel 73 van het Besluit niet redelijk is omdat deze bepaling geen echte overgangsbepaling bevat voor de overgang van de MEP naar de SDE. Het College begrijpt dit betoog zo dat appellant hiermee de rechtmatigheid van artikel 73 van het Besluit aan de orde stelt wegens strijd met algemene rechtsbeginselen. Volgens vaste jurisprudentie kan - voor zover gelet op het aangevoerde hier van belang - aan een algemeen verbindend voorschrift verbindende kracht worden ontzegd indien, met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever, en derhalve met terughoudendheid getoetst, geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing van de algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan. Daarvan is hier geen sprake. De regelgever heeft in de toelichting bij het Besluit uiteengezet voor welke groep een overgangsregeling wordt getroffen. Dat is de groep producenten die er van uitgaande dat ze in het najaar van 2006 MEP-subsidie konden aanvragen, een productie-installatie in gebruik heeft genomen. Het zou volgens de regelgever onredelijk zijn indien deze groep niet voor subsidie op grond van dit Besluit in aanmerking zou kunnen komen omdat zij voorafgaand aan de aanvraag de installatie al in gebruik hebben genomen. Dat de regelgever vervolgens deze groep heeft afgebakend door de installaties die in gebruik zijn genomen vóór 18 augustus 2006 - met ingang van die datum zijn de subsidiebedragen in de MEP-regeling op nul euro gesteld waarna uiteindelijk afschaffing van de MEP-subsidie volgde - uit te sluiten van de overgangsbepaling, betekent niet dat gezegd moet worden dat de regelgever niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte keuzes heeft kunnen komen.
2.9 Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M. Munsterman in tegenwoordigheid van mr. O.C. Bos, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2011.
w.g. M. Munsterman w.g. O.C.Bos