weigeren controle
naleving randvoorwaarden
volledige weigering steun
evenredigheid, geen ruimte voor belangenafweging
College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 10/1204 21 september 2011
5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Uitspraak in de zaak van:
Maatschap A en B, te C, appellante,
gemachtigde: J.W. van den Heuvel, werkzaam bij Administratiekantoor Van Plaggenhoef B.V. te Wekerom,
tegen
de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,
gemachtigde: mr. N.J.H. Klomp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. Het procesverloop
Appellante heeft bij brief van 29 oktober 2010, bij het College binnengekomen op 4 november 2010, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 oktober 2010.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 10 augustus 2010 waarbij verweerder appellantes bedrijfstoeslag voor het jaar 2009 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
Op 10 augustus 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.
2. De grondslag van het geschil
2.1 Artikel 23 van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 en (EG) nr. 73/2009 van de Raad, en inzake de randvoorwaarden waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad luidt voor zover en ten tijde en hier van belang als volgt:
" 1. De (..) controles ter plaatse waarin deze verordening voorziet, worden zo uitgevoerd dat een doeltreffende verificatie wordt gegarandeerd van de naleving van de voorwaarden voor de steunverlening en van de eisen en normen die relevant zijn in het kader van de randvoorwaarden.
2. Indien de landbouwer of zijn vertegenwoordiger de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert, worden de betrokken steunaanvragen afgewezen. "
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Op 10 juli 2009 bezochten twee controleurs van de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) appellante om de naleving van de randvoorwaarden te controleren. Zij doen hiervan als volgt verslag:
" 9.45 aanwezig. B: Ik sta geen controle toe. Mw. heeft vervolgens haar man gebeld. A rond 10.00 uur aanwezig."
- Als weergave van het gesprek met A vermelden zij:
" Ik heb nu andere afspraken en sta u nu de controle niet toe. Mijn vrouw, maat in de maatschap, is wel aanwezig maar ik sta erop dat jullie eerst een afspraak maken. Ik weet wat de gevolgen kunnen zijn als ik de controle niet toe sta."
- Bij het besluit van 10 augustus 2010 stelde verweerder appellantes bedrijfstoeslag voor 2009 vast op nihil omdat zij de controle op 10 juli 2009 verhinderde.
- Tegen dit besluit maakte appellante bezwaar bij brief van 20 augustus 2010.
3. Het bestreden besluit
Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Appellante heeft de controle niet toegestaan en stond erop dat hiervoor eerst een afspraak zou worden gemaakt. De controle mocht echter onaangekondigd plaatsvinden. Appellantes stelling dat zij wel tijd zou hebben gemaakt voor de controle indien deze van te voren zou zijn aangekondigd, kan haar daarom niet baten. Aangezien appellante de controle heeft verhinderd dient haar aanvraag gelet op artikel 23 van Verordening (EG) nr. 796/2004 te worden afgewezen.
4. Het standpunt van appellante
Appellante stelt dat A burenhulp verleende op het moment dat de controleurs arriveerden. Hij heeft verzocht om een afspraak te maken voor de controle, maar de controleurs wilden dit niet. De hoogte van de sanctie is onevenredig. Het betreft een niet te overkomen straf, zeker gezien de lage resultaten in de agrarische sector.
5. De beoordeling van het geschil
5.1 Appellante verhinderde, zoals zij ook erkent, de controle op 10 juli 2009 en beging dus een overtreding. De omstandigheden waarop appellante zich beroept, rechtvaardigen niet dat zij de controleurs die dag toegang weigerde tot haar bedrijf. Verweerder is niet gehouden om controles tevoren aan te kondigen.
5.2 Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De belangenafweging vindt op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht plaats voor zover niet uit een wettelijk voorschrift een beperking voortvloeit . Uit artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 volgt dwingend dat appellante volledig van steun moet worden uitgesloten. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging. Verweerder is gebonden aan het Europese sanctiestelsel en is niet bevoegd hiervan af te wijken.
5.3 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding ziet het College geen aanleiding.
6. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, mr. S.C. Stuldreher, en mr. C.J. Waterbolk in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.
w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld