Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen
College van Beroep voor het bedrijfsleven
(vijfde enkelvoudige kamer)
Nos. AWB 11/485 en 11/486
27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen
Uitspraak in de zaken van:
A B.V., te B,
gemachtigde: C, werkzaam bij D, te E,
tegen
de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,
gemachtigde: mr. R.E. Groenewold, werkzaam bij verweerder.
1. Het verloop van de procedure
Bij een op 17 juni 2011 ter griffie ontvangen beroepschrift heeft appellante beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 20 mei 2011, met de kenmerken JZ/WBSO_07/111838/BNO (AWB 11/485) en JZ/WBSO_09/111724/BNO (AWB 11/486). Bij deze besluiten heeft verweerder het op 5 mei 2011 gedateerde, op 9 mei 2011 ontvangen, bezwaarschrift van appellante met toepassing van artikel 7:3 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Het College heeft bij uitspraak van 22 juli 2011 het beroep tegen beide besluiten ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen die uitspraak verzet ingediend. Appellante is op 1 december 2011 over haar verzet gehoord, bij welke gelegenheid ook verweerder is verschenen. Appellante en verweerder hebben toen toestemming als bedoeld in artikel 8:57 Awb gegeven om, in het geval het verzet gegrond zou worden verklaard, in het kader van het beroep het onderzoek ter zitting achterwege te laten.
Het College heeft bij uitspraak van heden het verzet gegrond verklaard. Vervolgens heeft het College bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. De beoordeling van het beroep
Het College verwijst naar hetgeen is overwogen in de uitspraak op het verzet.
Daaruit blijkt dat verweerder weliswaar terecht de bezwaren tegen het besluit van 3 maart 2011 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard, maar dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat het bezwaarschrift d.d. 5 mei 2011 zich niet (meer) richtte tegen de besluiten van 11 april 2011. Aangezien het bezwaarschrift voor zover het betreft de besluiten van 11 april 2011 tijdig is ingediend is het in zoverre ten onrechte, in strijd met artikel 6:9 van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard.
Hieruit volgt dat het beroep gegrond is en dat de bestreden besluiten moeten worden vernietigd. Verweerder zal alsnog moeten beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 11 april 2011.
Het College acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Verweerder wordt veroordeeld in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten. Op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van beroepsmatig verleende bijstand vastgesteld op € 437,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, voor een zaak van gemiddeld gewicht).
3. Beslissing
Het College:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;
- veroordeelt verweerder in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 437,-- (zegge:
vierhonderdzevenendertig euro).
Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. S. van Noordt, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2012. .
w.g. E.R. Eggeraat w.g. S. van Noordt