voorlopige voorziening, intrekken chauffeurskaart
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 13/590
14910
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[A], te [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. S.J. Jansen),
en
de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder
(gemachtigde: mr. M.B. Gschwind).
Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de chauffeurskaart van verzoeker voor het verrichten van taxivervoer ingetrokken.
Verzoeker heeft bij brief van 15 augustus 2013 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft daarnaast de voorzieningenrechter van het College verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2013. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van het College, hangende de beslissing op bezwaar indien van die beslissing beroep bij het College openstaat, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
2. Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening: de intrekking van de chauffeurskaart heeft tot gevolg dat verzoeker met ingang van 15 augustus 2013 niet meer als taxichauffeur mag werken.
3. Het verzoek strekt ertoe om de intrekking van de chauffeurskaart te schorsen, hangende het bezwaar hiertegen. Verzoeker onderbouwt zijn verzoek als volgt. Door intrekking van zijn chauffeurskaart dreigt verzoeker zijn baan en daarmee zijn inkomen te verliezen. Verzoeker en zijn gezin raken hierdoor gedupeerd. Daarnaast moet verzoeker een nieuwe baan zoeken, hetgeen gezien zijn leeftijd, de arbeidsmarkt, en het feit dat hij al tien jaar als taxichauffeur werkzaam is, geen gemakkelijke opgave is. Bovendien wordt voor veel functies een VOG gevraagd. Verzoeker is van mening dat bij zijn indiensttreding bij zijn huidige werkgever in mei 2013 alle strafbare gedragingen, die nu aan de basis liggen van de voorgenomen afwijzing van de VOG, al waren begaan en er dus geen sprake is van nieuwe redenen om de VOG af te wijzen.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet binnen de gestelde termijn een nieuwe VOG heeft overgelegd. Volgens verweerder is voorshands niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden geven om niet tot intrekking van de chauffeurskaart over te gaan. Er is immers sprake van meerdere relevante justitiële gegevens. Dat verzoeker door het intrekken van de chauffeurskaart zijn werk niet meer kan doen en daardoor in financiële problemen komt, is geen omstandigheid die in het bijzonder verzoeker treft; dit geldt immers voor elke chauffeur wiens kaart wordt ingetrokken. Uit het oogpunt van bescherming van het maatschappelijk belang is het ongewenst dat taxichauffeurs die niet kunnen aantonen dat zij aan de eis van betrouwbaarheid voldoen, en daarmee niet kunnen aantonen dat hun de zorg voor het welzijn en de veiligheid van passagiers kan worden toevertrouwd, de bevoegdheid behouden om als chauffeur werkzaam te zijn. Tegen die achtergrond weegt het belang van verzoeker om zijn beroep te kunnen blijven uitoefenen minder zwaar dan het algemeen belang om hem dit niet langer toe te staan.
5. Het Besluit personenvervoer 2000 (Besluit) luidt sedert 1 oktober 2011 voor zover hier van belang als volgt:
" Artikel 81
(…)
Met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, wordt slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige (…) chauffeurskaart.
(…)
Artikel 82
Bij de aanvraag voor de chauffeurskaart worden de volgende documenten overgelegd: (…)
c. een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende verklaring omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan vier maanden;
(…)
Indien Onze Minister vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van (…) een verklaring omtrent het gedrag (…) kan Onze Minister verlangen dat die bestuurder (…) opnieuw verzoekt om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De bestuurder overlegt binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn (…) de nieuwe verklaring omtrent het gedrag.
In artikel 10, derde lid, sub c, van de met ingang van 1 oktober 2011 in werking getreden Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (Regeling) is voor zover hier van belang bepaald:
“3. De chauffeurskaart en (…) kunnen worden ingetrokken: (…)
c. indien de bestuurder niet of niet tijdig (…) een nieuwe verklaring omtrent het gedrag overlegt als bedoeld in artikel 82, zesde lid, van het Besluit; (…)"
6. De voorzieningenrechter oordeelt dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het treffen van een voorlopige voorziening en het verzoek zal dan ook worden afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
De VOG verzekert dat taxichauffeurs voldoen aan de eis van betrouwbaarheid en dat hen de zorg voor het welzijn en de veiligheid van passagiers kan worden toevertrouwd. Verzoeker beschikt op dit moment niet over een VOG. Op grond van artikel 10 van de Regeling is verweerder dan bevoegd om de chauffeurskaart in te trekken. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid dient verweerder de vraag te betrekken of bijzondere omstandigheden reden vormen om niet tot intrekking over te gaan.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vormt het feit dat verzoeker inkomen verliest – hoe vervelend die situatie voor verzoeker ook is – geen bijzondere omstandigheid. Dit geldt namelijk voor iedere taxichauffeur van wie de chauffeurskaart wordt ingetrokken. Ook de leeftijd van verzoeker, de huidige arbeidsmarkt, het arbeidsverleden van verzoeker in de taxibranche en het feit dat voor veel functies een VOG wordt gevraagd, zijn geen omstandigheden die verzoeker onderscheiden van een andere taxichauffeur die zijn chauffeurskaart moet inleveren. Verdere omstandigheden, die zodanig zijn dat verweerder daarin aanleiding dient te zien om de chauffeurskaart niet in te trekken, zijn door verzoeker niet aangevoerd.
De argumentatie van verzoeker dat er sinds zijn indiensttreding in mei 2013 geen sprake is van nieuwe redenen om de VOG af te wijzen, acht de voorzieningenrechter niet juist. Ter zitting is aan de orde geweest dat de laatste VOG is afgegeven in maart 2010. Destijds is een terugkijktermijn van vijf jaar gehanteerd, waarbij één strafbare gedraging uit 2009 werd aangetroffen. Na maart 2010 zijn een drietal strafbare gedragingen aan verzoekers documentatie toegevoegd. Hierdoor is voor de VOG die verzoeker nu heeft aangevraagd een langere terugkijktermijn gehanteerd, waarbij nog drie strafbare gedragingen uit de periode 1987-2000 zijn aangetroffen.
Gelet op het voorgaande bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter thans onvoldoende vooruitzicht dat verzoeker een VOG zal weten te bemachtigen. Deze stand van zaken, mede geplaatst tegenover het maatschappelijk belang van de zorg voor het welzijn en de veiligheid van taxipassagiers, leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. J. van Santvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2013.
R.C. Stam de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen