Ontbinding rechtspersonen
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 11/808
24100
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2013 in de zaak tussen
HGM Services B.V. in liquidatie, te Amsterdam, appellante
(gemachtigde: mr. F. Jagersma),
en
de Kamer van Koophandel Amsterdam, verweerster
(gemachtigde: mr. D.A. Galavazi).
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2011 is verweerster overgegaan tot registratie in het handelsregister van het ontbindingsbesluit van appellante.
Bij brief van 16 juni 2011 heeft verweerster appellante te kennen gegeven dat verweerster pas tot rectificatie van de inschrijving in het handelsregister kan overgaan zodra sprake is van een rechtsgeldige intrekking van het ontbindingsbesluit, welke is onderworpen aan een rechterlijke toets.
Appellante heeft tegen deze brief van 16 juni 2011 beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2013.
Appellante en haar gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
Uit een op 1 januari 2011 door enig aandeelhouder en bestuurder van appellante,
[A] ([A]) ondertekend formulier "17a Inschrijving ontbinding vennootschap,
rechtspersoon of maatschap" - ontvangen door verweerster op 4 maart 2011 - blijkt dat de
vennootschap op 31 december 2010 is ontbonden. Verweerster is vervolgens bij het primaire besluit
over gegaan tot registratie in het handelsregister van deze ontbinding.
Bij brief van 1 april 2011 heeft [A] namens appellante te kennen gegeven dat de status van het
bedrijf verkeerd is vermeld bij de Kamer van Koophandel, dat per abuis een verkeerd formulier is opgestuurd en dat de onderneming niet zal worden ontbonden, maar in ruste is. In deze brief heeft appellante verweerster verzocht om het handelsregister overeenkomstig aan te passen.
Naar het oordeel van het College dient de brief van 1 april 2011 te worden gezien als een
verzoek om herroeping van de registratie van het ontbindingsbesluit van 14 maart 2011. Weliswaar
stelt appellante in haar beroepschrift dat de brief van 1 april 2011 als een bezwaarschrift moet worden
aangemerkt, doch dit standpunt volgt het College niet. Immers, appellante heeft in eerste instantie
verzocht om tot inschrijving van de ontbonden vennootschap over te gaan, waaraan verweerster
vervolgens volledig tegemoet is gekomen, terwijl uit de brief van 1 april 2011 zonder meer blijkt dat
[A] van mening is dat hij een onjuiste aanvraag heeft ingediend en niet dat verweerster een
onjuist besluit heeft genomen. Dat deze brief, naar gesteld, in de bezwaarfase is ingediend, maakt
evenmin dat sprake is van een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 14 maart 2011.
Voorts dient naar het oordeel van het College de brief van 16 juni 2011 van verweerster als een
informatieve brief aan appellante te worden beschouwd en niet als een besluit op het verzoek van
appellante om tot herroeping van de registratie van de ontbinding van de vennootschap over te gaan.
In deze brief heeft verweerster immers te kennen gegeven dat in een gerechtelijke uitspraak is bepaald
dat het mogelijk is om een ontbindingsbesluit te herroepen of in te trekken, waarbij als voorwaarde is
gesteld dat dit alleen mogelijk is door een gerechtelijke tussenkomst. Voorts wijst verweerster in deze
brief erop dat appellante een verzoekschrift daartoe kan indienen bij de rechtbank, sector civiel,
alsmede dat verweerster pas daarna kan overgaan tot rectificatie van de inschrijving. Nadien heeft
verweerster appellante telefonisch en per e-mail, onder het toesturen van verschillende uitspraken, op
de hoogte gesteld van de te nemen stappen.
Het voorgaande betekent dat in de onderhavige procedure (nog) geen sprake is van een besluit in de
zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld, zodat het
College niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep, gericht tegen de brief van 16 juni 2011.
Hieruit volgt tevens dat het verzoek van appellante om vergoeding van geleden schade wegens
overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, buiten bespreking dient te
blijven.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2013.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. P.M. Beishuizen