ECLI:NL:CBB:2013:68
public
2015-11-12T00:33:50
2013-07-18
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2013-07-10
AWB 11/765
Hoger beroep
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Wet tuchtrechtspraak accountants
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2013:68
public
2013-07-18T10:52:42
2013-07-18
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2013:68 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 10-07-2013 / AWB 11/765

3 jaarstermijn

aanbieden belegging cliënten aan familielid

College van Beroep voor het bedrijfsleven

11/765 10 juli 2013

20150

Uitspraak op het hoger beroep van:

[A] en [B], te [woonplaats], appellanten van een uitspraak van de accountantskamer van 15 augustus 2011, met nummer 10/1658 WTRA AK.

gemachtigde: mr. H.F.P. van Gastel, advocaat te Veldhoven.

1Het procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben bij brief van 23 september 2011, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 28 september 2010 door appellanten ingediend tegen [betrokkene] (hierna: betrokkene).

De accountantskamer heeft bij brief van 17 november 2011 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 16 januari 2012 heeft betrokkene een reactie op het beroepschrift ingediend.

Bij brief van 15 maart 2012 hebben appellanten nadere stukken ingediend.

Op 29 januari 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellanten zijn – met bericht van verhindering – niet verschenen. Betrokkene is in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door [C].

2De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0191), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3De beoordeling van het hoger beroep

3.1

Appellanten hebben als eerste grief aangevoerd dat er sprake is van een onjuiste dan wel onvolledige vaststelling van de feiten.

Het College overweegt dat de Accountantskamer niet gehouden is om al hetgeen door een partij wordt gesteld te zijn voorgevallen, in de uitspraak op te nemen, laat staan als vaststaande feiten te kwalificeren. De Accountantskamer kan zich beperken tot een weergave van de feiten die van belang zijn voor de beoordeling van de klacht. Het is aan de accountantskamer om te beoordelen of de door partijen naar voren gebrachte omstandigheden kwalificeren als een feit of als een (partij-)opvatting. In het voorliggende geval hangen de door appellanten opgemerkte onvolkomenheden in de feitenvaststelling nauw samen met de onderbouwing van de inhoudelijke grieven tegen de beoordeling van de klachtonderdelen door de accountantskamer. Het College ziet hierin aanleiding de grief met betrekking tot de feitenvaststelling niet apart te behandelen maar die aan de orde te laten komen bij de beoordeling van de grieven tegen het desbetreffende onderdeel van de aangevallen uitspraak.

3.2

De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer dat de klacht, voor wat betreft het klachtonderdeel van het verstrekken van een lening door appellanten aan de zoon van betrokkene, niet-ontvankelijk is.

Met de accountantskamer is het College van oordeel dat de kern van het verweten handelen is dat betrokkene appellanten op zakelijk vlak in contact heeft gebracht met een familielid. Op het moment dat appellanten als resultaat van dit contact een overeenkomst van geldlening met de zoon van betrokkene aangingen, te weten op 6 juni 2007, was evident dat er sprake was van een familieband, zodat op dat moment de bedreiging van schending van de fundamentele beginselen reeds bestond. Nu appellanten meer dan drie jaar na het aangaan van de overeenkomst de klacht hebben ingediend is de klacht op dit punt terecht niet-ontvankelijk verklaard.

In het kader van de eerste grief hebben appellanten gesteld dat de accountantskamer er in overweging 2.3 ten onrechte vanuit is gegaan dat appellanten - daags na 5 juni 2007 - een onderhoud met betrokkene hebben gehad over de te volgen beleggingsstrategie en dat betrokkene het advies uit eigen beweging heeft gegeven.Het College overweegt dat, gezien het vorenoverwogene, een nadere kwalificatie van het gesprek buiten beschouwing kan blijven, aangezien die niet van belang is voor het oordeel over de ontvankelijkheid van de klacht.

Appellanten hebben zich in dit kader voorts op het standpunt gesteld dat dit klachtonderdeel ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het ook betrekking had op de zakelijke relatie tussen betrokkene en de ondernemingen van zijn zoon. Appellanten menen dat de betrokkenheid van betrokkene bij die ondernemingen veel verder gaat dan betrokkene doet voorkomen. Aangezien appellanten hiervan pas korte tijd voor het indienen van de klacht op de hoogte zouden zijn gekomen, zou de klacht wel degelijk tijdig zijn ingediend. Het College overweegt dat hetgeen appellanten op dit punt hebben gesteld vooral berust op vermoedens omtrent de mate van betrokkenheid van betrokkene. Betrokkene heeft één en ander uitdrukkelijk betwist en daartegenover hebben appellanten geen feiten gesteld en aannemelijk gemaakt die wel degelijk wijzen op de door hen gestelde mate van betrokkenheid en op hun constatering daarvan binnen de driejaarstermijn van artikel 22, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (hierna: Wtra).Appellanten hebben verder, onder verwijzing naar een uitspraak van het College van 24 juni 2004 (AWB 03/701; LJN: AP6223), gesteld dat door de ernst van de inbreuk die de gedraging van betrokkene meebrengt een beroep op tijdsverloop achterwege moet blijven. Het College volgt appellanten daarin niet. De vergelijking met de aangehaalde uitspraak gaat reeds hierom niet op, nu ten tijde van deze uitspraak een ander regime gold voor het beoordelen van het tijdsverloop. De onderhavige klacht is ingediend op 29 september 2010 zodat hierop de in artikel 22, eerste lid, Wtra neergelegde termijn voor het indienen van een klacht van drie jaar na constatering van het handelen of nalaten van de accountant van toepassing is. Deze bepaling laat geen ruimte om af te zien van niet-ontvankelijkverklaring op grond van de ernst van de vermeende inbreuk.Deze grief slaagt derhalve niet.

3.3

De derde grief is gericht tegen rechtsoverweging 4.11 van de bestreden uitspraak, waarin de accountantskamer oordeelt dat niet is gebleken dat betrokkene bij het aangaan van de lening zou hebben geweten of had moeten weten dat die investering zeer risicovol was, voor zover appellanten dit klachtonderdeel al baseren op een vermoeden dat eerst is ontstaan binnen de driejaarstermijn. Appellanten stellen dat de inhoud van de overeenkomst en de wijze waarop deze werd gesloten reeds aangaf dat sprake was van een risicovolle investering. De overeenkomst van geldlening getuigt – zo stellen appellanten – van een verbazingwekkend amateurisme.

Het College overweegt als volgt. De gronden die appellanten aandragen bij deze grief waren reeds bekend bij het aangaan van de overeenkomst en zijn derhalve geen vermoedens die eerst zijn ontstaan binnen de driejaarstermijn zodat deze reeds hierom buiten de beoordeling door de accountantskamer vallen. Appellanten hebben geen gronden aangedragen op grond waarvan het College op dit punt tot een ander oordeel komt dan de accountantskamer.Deze grief faalt.

3.4

In de vierde grief stellen appellanten dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat er niet vanuit kan worden gegaan dat betrokkene eerder dan appellanten wist dat de zoon niet aan zijn verplichtingen zou voldoen. De accountantskamer had nader onderzoek moeten doen, zeker naar de door appellanten overgelegde factuur.

Het College overweegt als volgt. Het ligt op de weg van appellanten hun klacht te motiveren en met bewijs te onderbouwen. Appellanten hebben gesteld dat betrokkene wetenschap had van de financiële situatie van (het bedrijf van) zijn zoon. Hoewel dit zowel bij de accountantskamer als ook in het beroepschrift is aangekondigd hebben appellanten nagelaten deze stelling op enige wijze te onderbouwen. Nu appellanten ook in beroep de gemotiveerde betwisting van betrokkene op dit punt niet hebben weerlegd bestaat voor het College geen aanleiding anders te oordelen dan de accountantskamer.Deze grief faalt eveneens.

3.5

De vijfde grief is gericht tegen de overweging van de accountantskamer dat betrokkene hoogstens een verwijt zou kunnen worden gemaakt dat hij zich niet heeft teruggetrokken als accountant toen de bedreigingen van zijn objectiviteit en integriteit als accountant bewaarheid werden, maar dat daarover door klagers niet is geklaagd. Appellanten menen dat de accountantskamer op dit punt de gronden ambtshalve had moeten aanvullen of zelf een klacht dienen te formuleren, indien het voor de accountantskamer niet duidelijk zou zijn geweest dat deze omstandigheid onderdeel uitmaakte van de klacht.

Het College overweegt als volgt. Vastgesteld wordt allereerst dat tegen de formulering van de klacht door de accountantskamer geen grief is gericht. Voorts stelt het College vast dat de omstandigheid dat betrokkene zich als accountant had dienen terug te trekken geen onderdeel vormt van de oorspronkelijke klacht, zodat de accountantskamer buiten het geding zou zijn getreden, indien zij dit bij de beoordeling had betrokken. Klaarblijkelijk heeft de accountantskamer geen aanleiding gezien de klacht in de door appellanten bepleite zin aan te vullen. Het College ziet niet in dat de accountantskamer hiermee een onjuiste beslissing heeft genomen. Deze grief faalt derhalve ook.

3.6

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

3.y Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, Wtra en artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren, mr. P.M. van der Zanden in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2013.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. L.C. Bannink