procesbelang, bedrijfstoeslag
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 12/152
5101
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2013 in de zaak tussen
[A], te [woonplaats], appellant
en
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. E.L.G.M. Boumans).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van appellants bedrijfstoeslag voor 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling) vastgesteld.
Bij besluit van 16 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2013, waarbij appellant niet is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Appellant is landbouwer en heeft bij verweerder uitbetaling van bedrijfstoeslag voor 2010 aangevraagd. Hiervoor heeft appellant een aantal gewaspercelen opgegeven met volgens zijn opgave een totale oppervlakte van 46.05 ha; appellant beschikte in 2010 over 45,78 toeslagrechten. Bij het primaire besluit heeft verweerder op deze aanvraag beslist waarbij de geconstateerde oppervlakte is vastgesteld op 43.25 ha en appellants bedrijfstoeslag 2010 op € 16.697,84 na aftrek van de modulatiekorting en een korting van € 3.698,47 voor een afgekeurde oppervlakte met sanctie van 7.47 ha.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant hiertegen gedeeltelijk gegrond verklaard en de geconstateerde oppervlakte van een aantal percelen groter vastgesteld. Dit heeft geleid tot een hogere vaststelling van de geconstateerde oppervlakte en van de bedrijfstoeslag, maar appellant heeft hiermee zijn toeslagrechten nog niet volledig benut.
Appellant voert aan dat hij het op zich eens is met de vaststelling van de bedrijfstoeslag voor 2010, maar dat hij zich het recht wil voorbehouden om op de vastgestelde oppervlaktes terug te komen voor de komende jaren. Hij kan niet volgen hoe verweerder de percelen heeft ingetekend op de kaarten en stelt dat de oppervlaktes van zijn percelen door de diverse overheidsinstanties en nu door verweerder steeds weer anders worden vastgesteld.
Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat appellant geen procesbelang heeft in deze procedure, omdat appellant het eens is met de vaststelling van de bedrijfstoeslag 2010. Indien appellant in volgende jaren de voor die jaren vast te stellen oppervlaktes van zijn percelen wenst te betwisten, staat hem dat vrij en heeft hij hiertoe de mogelijkheid in de procedures tegen die besluiten.
Het College overweegt dat appellant zijn toeslagrechten niet volledig heeft benut en hierdoor mogelijk een belang had bij de beoordeling van zijn beroep. Nu appellant de vaststelling van de bedrijfstoeslag voor 2010 op zich niet betwist en ter zitting – waar hij niet is verschenen – noch in zijn beroepschrift een ander belang heeft aangevoerd bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit dat in deze procedure aan de orde is (te weten het besluit over de bedrijfstoeslag voor 2010), acht het College het beroep van appellant bij gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk.Indien appellant de juiste oppervlakte van zijn percelen in de toekomst ter discussie wil stellen dan kan hij dat doen in het kader van bezwaar en beroep tegen toekomstige beslissingen inzake de landbouwsteun. Dit leidt echter niet tot procesbelang in deze procedure over de bedrijfstoeslag voor 2010.
Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2013.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld