Bedrijfstoeslag 2010, GPS-meting, proceskostenvergoeding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 11/1090
5101
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2013 in de zaak tussen
[Maatschap], appellante
en
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. E.L.G.M. Boumans).
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van appellantes bedrijfstoeslag 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 vastgesteld.
Bij besluit van 8 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 19 januari 2012 heeft verweerder het bestreden besluit herzien door de opgegeven oppervlakte van enkele percelen groter vast te stellen en de kosten van de in opdracht van appellante verrichte GPS-meting gedeeltelijk te vergoeden.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2013. Namens appellante zijn verschenen [A] en [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Appellante is landbouwer en heeft bij verweerder uitbetaling van bedrijfstoeslag 2010 aangevraagd. Hiervoor heeft appellante een aantal gewaspercelen opgegeven met volgens haar opgave een totale oppervlakte van 51.86 ha; appellante beschikte in 2010 over 38,10 toeslagrechten. Bij het primaire besluit heeft verweerder op deze aanvraag beslist waarbij de geconstateerde oppervlakte is vastgesteld op 38.10 ha en appellantes bedrijfstoeslag 2010 op € 25.044,73 (inclusief modulatiekorting). Daarmee heeft appellante al haar toeslagrechten voor 2010 benut.
De hoogte van de bedrijfstoeslag is in deze zaak niet in geschil. Ter zitting heeft appellante desgevraagd verklaard dat er inmiddels ook geen verschil van mening meer is over de oppervlakte van haar gewaspercelen. Verweerder is haar in dit opzicht voldoende tegemoetgekomen. Appellante is echter van mening dat de procedure erg lang heeft geduurd en dat zij door verweerder incorrect is behandeld. Bovendien vindt appellante het niet juist dat de voor deze procedure gemaakte kosten, waaronder die van de GPS-meting, niet (volledig) door verweerder zijn vergoed.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het (herziene) besluit van 19 januari 2012. Appellante heeft geen belang (meer) bij een zelfstandige beoordeling van het oorspronkelijke besluit van 8 november 2011. Het beroep tegen dat besluit zal het College daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Het College ziet geen aanleiding om in te gaan op het bezwaar van appellante over de duur van de procedure en de wijze waarop zij door (medewerkers van) verweerders Dienst Regelingen is behandeld. De uitkomst van de discussie over de juiste oppervlakte van de door appellante opgegeven percelen kon immers hoe dan ook geen effect hebben op de hoogte van de bedrijfstoeslag voor 2010. Het College verwijst in dit verband naar de uitspraak van 26 september 2012, LJN: BY0527.
Wat de kosten van de bezwaarprocedure betreft overweegt het College als volgt. Verweerder heeft zich bereid verklaard de kosten van het GPS-meetrapport te vergoeden tot een bedrag van € 130,95 waarbij een forfaitair tarief van € 15,- per hais gehanteerd. Onder verwijzing naar de uitspraak van 18 april 2013, LJN: CA1014, overweegt het College dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de vergoeding aldus te laag is vastgesteld, ook al is daarmee niet de volledige factuur vergoed. Van andere kosten van de bezwaarprocedure die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken, zodat verweerder de kostenvergoeding terecht heeft beperkt tot het GPS-meetrapport.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep tegen het besluit van 19 januari 2012 ongegrond is.
Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van de beroepsprocedure. Deze kosten zijn vastgesteld op een bedrag van € 105,- wegens reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Verder dient verweerder het door appellante betaalde griffierecht van € 302,- te vergoeden.
Beslissing
Het College:
-
verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 8 november 2011 niet-ontvankelijk;
-
verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2012 ongegrond;
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 302,- aan appellante te vergoeden;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 105,- te betalen aan appellante.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2013.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld