ECLI:NL:CBB:2013:87
public
2015-11-12T12:14:09
2013-07-31
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2013-07-24
AWB 13/57
Eerste en enige aanleg
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2013:87
public
2013-07-31T08:36:50
2013-07-31
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2013:87 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 24-07-2013 / AWB 13/57

GLB-inkomenssteun, toeslagrechten, speciale voorwaarden, GVE-waarde, veebezetting, mestkalveren

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/57

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: drs. M. Star).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag voor 2011 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) vastgesteld. Daarbij is, voor zover hier van belang, de aanvraag om uitbetaling van toeslagrechten met speciale voorwaarden ter waarde van € 646.823,06 afgekeurd.

Bij besluit van 20 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de gedingstukken ingezonden.

Deze zaak is ter zitting behandeld op 26 juni 2013, tegelijk met het beroep dat is geregistreerd onder nr. 11/750. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Op grond van artikel 44, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt, in afwijking van artikel 34, eerste lid, een landbouwer die over bijzondere toeslagrechten beschikt, door de lidstaat gemachtigd om af te wijken van de verplichting zijn toeslagrechten te activeren op basis van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren, op voorwaarde dat deze landbouwer ten minste 50% van de tijdens de in Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde referentieperiode uitgeoefende en in grootvee-eenheden (GVE) uitgedrukte landbouwactiviteiten behoudt.

1.2 In artikel 25, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1120/2009 - voor zover hier van belang - is bepaald dat de definitieve waarde en het definitieve aantal van de toeslagrechten uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het eerste jaar van integratie van gekoppelde steun wordt vastgesteld.

1.3 Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Regeling komen in aanmerking voor betalingen op basis van toeslagrechten, landbouwers die, zonder opgave van subsidiabele hectaren:

  1. . beschikken over bijzondere toeslagrechten waarop artikel 44 van verordening 73/2009 van toepassing is;

  2. . minimaal 50% van de tijdens de referentieperiode uitgeoefende landbouwactiviteit, uitgedrukt in GVE, handhaven; en

  3. . uiterlijk op 15 mei een verzoek doen, overeenkomstig artikel 14, derde lid, van verordening 1120/2009, tot toepassing van de speciale voorwaarden.

Op grond van het derde lid van artikel 21 wordt aan het minimumpercentage bedoeld in het eerste lid, onder b, geacht te zijn voldaan indien het gemiddelde aantal GVE 50%, doch gedurende een periode van 10 maanden, in geen geval minder dan 25% is.

1.4 De te minste voor 50% te handhaven landbouwactiviteit, uitgedrukt in GVE, wordt berekend volgens de formule A x B = C, die is opgenomen in Bijlage 5 van de Regeling, en waarin A staat voor het aantal dierplaatsen per diercategorie dat is gerealiseerd na de investering, en B voor de GVE-waarde per diercategorie, waarbij voor vleeskalveren de GVE-waarde 0,25 geldt. De rekenmethodiek opgenomen in Bijlage 5 is gewijzigd (Staatscourant van 27 juni 2011, nr. 11132). Vóór deze wijziging gold een afwijkende formule waarbij het aantal dierplaatsen moest worden vermenigvuldigd met een factor die voor vleeskalveren witvlees 1,9 bedroeg, en voor vleeskalveren rosé van 8 maanden en ouder 1,4. Die vermenigvuldigingsfactor is komen te vervallen. Deze wijziging is in werking getreden op 29 juni 2011 en werkt terug tot 1 januari 2010.

2.

Appellant is veehouder. In 2010 zijn aan appellant in verband met het vervallen van de slachtpremie toeslagrechten met speciale voorwaarden toegekend. In de loop van 2009 heeft appellant geïnvesteerd in een aanzienlijke uitbreiding van stalcapaciteit tot 7602 dierplaatsen. Daartoe heeft hij een aanvraag om (extra) toeslagrechten uit de Nationale Reserve ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 29 april 2011 goedgekeurd. Uit het bij die beslissing gevoegde overzicht blijkt dat appellant per 15 mei 2010 de beschikking had over 130 speciale toeslagrechten met een totale waarde van € 646.823,06. Ten einde die toeslagrechten te kunnen verzilveren diende te worden voldaan aan eisen ten aanzien van de gemiddelde veebezetting. In het overzicht van geregistreerde toeslagrechten van 29 april 2011 is in de kolom GVE waarde vermeld: 1.877,57. Appellant heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen het overzicht van geregistreerde toeslagrechten, maar dit bezwaar is ingetrokken. Het overzicht van geregistreerde toeslagrechten en de daarbij opgenomen GVE-waarde van 1.877,57 staan daardoor vast.Met de Gecombineerde Opgave 2011 heeft appellant op 14 mei 2011 onder meer om uitbetaling van toeslagrechten (1.58 gewone toeslagrechten en 130.00 toeslagrechten met speciale voorwaarden) verzocht.

3.

Vast staat dat appellant in 2011 niet ten minste 50% van de GVE-waarde, dus 938,79 GVE heeft aangehouden. De veebezetting was slechts 574,36 GVE. Doordat appellant niet aan de norm van 50% van de GVE-waarde voldeed is de aanvraag om uitbetaling van de toeslagrechten met speciale voorwaarden afgekeurd. Dit besluit is met het nu bestreden besluit gehandhaafd.

4.

Hetgeen appellant in beroep aanvoert komt hierop neer dat de norm inzake de minimale gemiddelde veebezetting (50% van de GVE-waarde) in zijn geval buiten toepassing had moeten worden gelaten, omdat verweerder, in strijd met artikel 25, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1120/2009, hem niet uiterlijk op 1 april 2011 op de hoogte heeft gesteld van de geldende GVE-waarde. Om alsnog aan die norm te kunnen voldoen diende appellant zeer snel een groot aantal extra kalveren op te zetten. Daartoe heeft hij meteen contractgevers benaderd. Met één contractgever, die het gewenste aantal rosé vleeskalveren kon leveren, was hij in principe tot overeenstemming gekomen. Deze contractgever stelde echter als voorwaarde dat appellant twee geïsoleerde opslagtanks en een vettank zou plaatsen met het oog op beperking van de voederkosten. De bank van appellant was niet bereid om het voor die investering benodigde krediet te verstrekken. Nu de gewenste aanpassing niet kon worden gerealiseerd kon appellant geen extra kalveren plaatsen en liep hij uitbetaling van zijn bijzondere toeslagrechten in 2011 mis. Het daarmee corresponderende schadebedrag is € 646.823,06.

5.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de geldende regelgeving geen bepaling bevat die inhoudt dat de hiervoor omschreven toets (50% van de GVE-waarde) achterwege kan blijven indien verweerder zich niet gehouden heeft aan het tijdig bekend maken van de GVE-waarde als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1120/2009. De enige mogelijkheid zou zijn een beroep op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 31 van Verordening (EG) nr. 73/2009. Daarvan had appellant echter binnen tien werkdagen melding moeten maken, hetgeen niet is gebeurd.

6.1

Het College stelt voorop dat niet in geschil is dat appellant in 2011 niet minimaal 50% van zijn vastgestelde GVE-waarde van 1877,50 heeft gehandhaafd. Dit betekent dat niet was voldaan aan de gestelde voorwaarde voor uitbetaling van de 130 toeslagrechten met speciale voorwaarden.

6.2

De Europese regelgeving bevat geen mogelijkheid om de voor uitbetaling van deze toeslagrechten geldende voorwaarde buiten toepassing te laten indien verweerder, zoals in dit geval, de GVE-waarde niet uiterlijk op 1 april 2011 heeft bekendgemaakt.

6.3.1

Met betrekking tot de stelling van appellant dat de juiste berekeningsmethodiek van de GVE-waarde pas bekend is gemaakt in de Staatscourant van 27 juni 2011, en dat hij op dat moment niet meer in staat was om voor een toereikende veebezetting te zorgen, overweegt het College als volgt.

6.3.2

Indien en voor zover appellant zich had willen beroepen op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 75 van Verordening (EG) nr. 1122/2009, die het hem onmogelijk maakten om de geldende voorwaarde voor uitbetaling van toeslagrechten met bijzondere voorwaarden na te komen, had appellant in elk geval op grond van het tweede lid van deze bepaling hiervan binnen tien werkdagen vanaf de dag waarop dit voor de landbouwer mogelijk was, melding moeten maken bij de bevoegde autoriteiten. Appellant heeft zich echter niet op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden beroepen, zodat verweerder daarover ook geen beslissing hoefde te nemen.

6.3.3

Afgezien hiervan heeft appellant het College er niet van weten te overtuigen dat hij uitsluitend door de te late bekendmaking van de correcte GVE-waarde niet meer in staat was om de vereiste veebezetting voor 2011 (938.79 GVE) aan te houden. Hierbij stelt het College voorop dat op het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 29 april 2011 de correcte GVE-waarde van 1.877,57 was vermeld. Appellant kon daaruit afleiden welke veebezetting hij voor 2011 diende te handhaven. Weliswaar is de berekeningsmethodiek nadien aangepast en is de vermenigvuldigingsfactor voor witvleeskalveren (1.9) en rosékalveren (1.4) komen te vervallen, doch dit had voor de vereiste gemiddelde veebezetting alleen maar een gunstig effect. Appellant hoefde immers minder kalveren te houden om toch aan de gestelde eis te voldoen en het onderscheid tussen de verschillende diersoorten was komen te vervallen. Temeer nu vaststaat dat appellant in 2010 1.319,43 GVE heeft gehouden, kan niet worden staande gehouden dat appellant louter als gevolg van tekortschietende informatieverstrekking van de kant van verweerder niet in staat was om de vereiste 50% van 1.877,57 GVE in 2011 te realiseren.

7.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerders besluit waarbij de aanvraag van appellant om uitbetaling van toeslagrechten met speciale voorwaarden ter waarde van € 646.823,06 is afgekeurd, in rechte stand houdt.

8.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2013.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven