Gezondheids- en welzijnswet voor dieren; (spoed) bestuursdwang door meevoeren twee honden rechtmatig; kosten van toepassing bestuursdwang in redelijkheid voor rekening van appellant gebracht.
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 12/609
11201
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2013 in de zaak tussen
[A], te [woonplaats], appellant
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E.W. Tieleman).
Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2012 heeft verweerder zijn beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op 24 maart 2012 op schrift gesteld.
Bij besluit van 19 juni 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 17 oktober 2012 heeft verweerder de kosten van de toepassing van spoedbestuursdwang ter hoogte van in totaal € 3.070,34 bij appellant in rekening gebracht.
Appellant heeft de gronden van het beroep aangevuld en verweerder heeft daarop aanvullend verweer gevoerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inzake de spoedbestuursdwang
Verweerder heeft op 24 maart 2012 spoedbestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast door twee honden in bewaring te nemen. Verweerder heeft geconcludeerd dat appellant de twee honden de nodige verzorging heeft onthouden en hun welzijn heeft benadeeld, waarmee hij de artikelen 36 en 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) heeft overtreden. Vanwege het spoedeisende karakter heeft verweerder appellant niet in de gelegenheid gesteld binnen een bepaalde termijn maatregelen te treffen om de situatie te herstellen.
Deze beslissing heeft verweerder gebaseerd op de bevindingen van de (hoofd)agenten van de Regio Limburg Noord, die op 24 maart 2012 een bezoek hebben gebracht aan het adres van appellant, en van de op verzoek verschenen dierenarts. Geconstateerd is dat er aanzienlijke problemen waren met zowel de huisvesting als de verzorging van de twee aanwezig honden. De honden waren ernstig vermagerd; de achterhand was ingevallen en de ribbenkast en ruggengraat waren duidelijk te zien. De dierenarts concludeerde dat de voedingstoestand van de honden zeer slecht en ver onder de maat was. De aangetroffen voerbakken waren leeg en nergens in de woning is voedsel voor de honden aangetroffen. De keuken, de badkamer en de woonkamer waren voorts besmeurd met urine, braaksel en ontlasting. Er is niemand op het adres aangetroffen. Verschillende pogingen om appellant te traceren en met hem in contact te komen, zijn niet geslaagd.
Appellant onderschrijft deze bevindingen niet en stelt zich op het standpunt dat zijn honden destijds wel gezond, maar iets aan de magere kant waren. Het uitsteken van botten is volgens appellant zwaar overdreven. Toepassing van bestuursdwang had niet aan de orde hoeven te zijn.
Het College overweegt dat appellant de bevindingen en conclusies van de agenten en de dierenarts weliswaar betwist, maar dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Het College ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet heeft mogen uitgaan van die bevindingen. Op grond daarvan heeft verweerder kunnen concluderen dat appellant de honden de nodige verzorging heeft onthouden en hun welzijn heeft benadeeld, waarmee hij genoemde artikelen van de Gwd heeft overtreden. Verweerder kwam derhalve de bevoegdheid toe om handhavend op te treden.
Het College is voorts van oordeel dat verweerder in dit geval op goede gronden heeft geconcludeerd dat geen begunstigingtermijn behoefde te worden gegeven. Hierbij is terecht betekenis gehecht aan de lichamelijke toestand van de honden, de situatie waarin deze zich bevonden, de omstandigheid dat op het adres van appellant niemand aanwezig was en dat appellant ook niet traceerbaar was. Onder die omstandigheden mocht verweerder ervan uitgaan dat aan de geconstateerde overtredingen niet op korte termijn door (of namens) appellant een einde zou worden gemaakt en dat daarom terstond diende te worden opgetreden door het in bewaring nemen van de honden.
Inzake het kostenverhaal
Gelet op het bepaalde in artikel 5:31c, eerste lid, Awb heeft het beroep mede betrekking op het kostenverhaal, aangezien appellant ook dat besluit betwist.
Appellant heeft uitsluitend aangevoerd dat de toepassing van bestuursdwang onrechtmatig was en dat de daarmee gemoeide kosten daarom niet bij hem in rekening mogen worden gebracht.
Gelet op hetgeen het College daarover reeds heeft overwogen, staat evenwel vast dat de toepassing van spoedbestuursdwang rechtmatig was. Gelet hierop behoren de kosten die daarmee gemoeid zijn ingevolge artikel 5:25, eerste lid, Awb in beginsel voor rekening van appellant te komen. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval de kosten ter hoogte van € 3.070.34 niet in redelijkheid voor rekening van appellant heeft kunnen brengen. Het College merkt daarbij nog op dat verweerder minder dagen aan opvangkosten in rekening heeft gebracht dan de twee honden daadwerkelijk in de opvang hebben verbleven.
3. Conclusie en proceskosten
Het College komt tot de slotsom dat het beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Dijt, in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2013.
w.g. E. Dijt w.g. P.H. Broier