ECLI:NL:CBB:2013:BZ4234
public
2015-11-16T12:03:29
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
BZ4234
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2013-02-20
AWB 11/709
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2013:BZ4234
public
2013-04-08T12:57:04
2013-03-15
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2013:BZ4234 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 20-02-2013 / AWB 11/709

Bedrijfstoeslag 2010. Vaststelling perceelsoppervlakte via referentieperceel en luchtfoto.

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 11/709

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2013 in de zaak tussen

Maatschap A en B, te C, appellante,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: drs. M. Star en mr. C.E.B. Haazen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Bij besluit van 5 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door A en B en verweerder door zijn gemachtigden.

Bij beslissing van 27 maart 2012 heeft het College het onderzoek op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend in verband met de geplande behandeling van een aantal andere zaken waarin de uitspraak van belang zou kunnen zijn voor deze zaak.

Met toestemming van partijen is het nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Het College heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Met haar Combineerde Opgave 2010 heeft appellante uitbetaling van toeslagrechten aangevraagd. Zij heeft daartoe 7 gewaspercelen met een totale oppervlakte van 25,16 ha opgegeven en voor uitbetaling aangekruist. Hierbij heeft zij perceel 3 opgegeven voor een oppervlakte van 4,95 ha.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder appellantes bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op

€ 8.582,88 (inclusief modulatiekorting). Daarbij is de oppervlakte van perceel 3 vastgesteld op 4,73 ha.

3. Appellante is het niet eens met de door verweerder geconstateerde oppervlakte van perceel 3. In 2010 heeft zij mais laten zaaien. De loonwerker heeft toen voor 4,95 ha zaad gebruikt. Er staan geen bomen in dat perceel.

4. Verweerder heeft de door appellante opgegeven oppervlakte gecontroleerd met gebruikmaking van een systeem voor de identificatie van percelen landbouwgrond. In Nederland is dit systeem gebaseerd op topografische percelen die dienst doen als referentiepercelen. Deze topografische percelen kunnen vervolgens bestaan uit één of meer gewaspercelen. In 2009 zijn alle referentiepercelen opnieuw vastgesteld. Tezamen vormen ze de zogenoemde A(grarisch)A(reaal)N(ederland)-laag. Appellantes gewaspercelen, inclusief het in geschil zijnde gewasperceel 3, zijn aan de hand van deze referentiepercelen gecontroleerd. Verweerder is van mening dat dit correct is gebeurd. Met betrekking tot perceel 3 wordt het verschil tussen de door appellante opgegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte veroorzaakt door bomen in het perceel. Deze bevinden zich aan de bovenkant van het perceel nabij het voetbalveld. Ook ligt er aan de bovenkant een sloot. Dergelijke oppervlaktes zijn niet subsidiabel.

5. Tot de gedingstukken behoort de door verweerder bij de controle gebruikte luchtfoto. Appellante betwist de aanwezigheid van de door verweerder genoemde sloot niet. Daarom gaat het College hiervan ook uit. Voorts zijn op de luchtfoto op het door verweerder bedoelde gedeelte van het opgegeven perceel donkergroene verkleuringen zichtbaar die wijzen op de aanwezigheid van bomen. Appellante heeft daartegenover wel gesteld, maar niet met bewijs onderbouwd dat daar geen bomen staan. Appellante heeft deze stelling dan ook niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft haar stelling dat de loonwerker voor 4,95 ha mais heeft gezaaid evenmin met bewijs onderbouwd. Reeds daarom ziet het College in die stelling evenmin aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder geconstateerde oppervlakte van perceel 3. Het College komt dus tot de conclusie dat verweerder deze oppervlakte terecht heeft bepaald op 4,73 ha.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. M.J. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2013.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.J. van Veen