ECLI:NL:CBB:2013:BZ6280
public
2015-11-10T21:22:20
2013-06-22
Raad voor de Rechtspraak
BZ6280
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2013-03-06
AWB 11/430
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2013:BZ6280
public
2013-06-22T17:01:31
2013-04-04
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2013:BZ6280 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 06-03-2013 / AWB 11/430

Subsidieregeling innoveren; innovatievouchers; enkele mededeling van verstrijken "geldigheidsduur" van de voucher is geen besluit idzv de Awb; bezwaar daartegen ten onrechte ontvankelijk geacht.

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 11/430

Uitspraak van de meervoudige kamer van 6 maart 2013 in de zaak tussen

A, te X, appellant

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Baarsma).

Procesverloop

Bij e-mail van 23 maart 2011 heeft verweerder appellant medegedeeld dat de grote innovatievoucher met nummer G102023 niet binnen de geldigheidsduur ter verzilvering is aangeboden en derhalve niet meer geldig is.

Bij besluit van 27 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen deze mededeling ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij e-mail van 18 februari 2013 heeft verweerder – desgevraagd – enkele stukken aan het College doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2013. Appellant is in persoon verschenen, verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Het College ziet zich ambtshalve allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of de e-mail van verweerder van 23 maart 2011, met de mededeling dat de grote innovatievoucher niet binnen de geldigheidsduur ter verzilvering is aangeboden en derhalve niet meer geldig is, is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het College overweegt daartoe als volgt.

2. Bij besluit (een e-mail) van 16 maart 2010 is appellant de onderhavige grote innovatievoucher verstrekt op grond van de – op de Kaderwet EZ-subsidies steunende – Subsidieregeling innoveren (Stcrt. 2008, nr. 243; hierna: Subsidieregeling).

De Subsidieregeling luidde – ten tijde en voor zover hier van belang – als volgt:

“ HOOFDSTUK 5. INNOVATIEVOUCHERS

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 5.1

1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

- grote innovatievoucher: een op grond van artikel 5.2, eerste lid, door de minister aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject, (…).

(…)

§ 2. Verstrekking innovatievouchers aan ondernemers

Artikel 5.2

1. De minister verstrekt op aanvraag een grote innovatievoucher aan een MKB-ondernemer die een kennisoverdrachtproject wil laten uitvoeren (…).

(…)

§ 3. Verstrekking van subsidie aan kennisinstellingen

Artikel 5.7

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een kennisinstelling die een kennisoverdrachtproject heeft uitgevoerd en in verband daarmee een of meer geldige grote innovatievouchers (…) overlegt.

(…)

Artikel 5.11

1. Een aanvraag om subsidie wordt na afloop van het kennisoverdrachtproject ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst.

2. De aanvraag moet binnen een jaar nadat de voucher aan de ondernemer is verstrekt, zijn ontvangen. Op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend schriftelijk verzoek kan de minister deze termijn verlengen.”

In de toelichting bij de Subsidieregeling is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“ Algemeen

(…)

8. Hoofdstuk 5 Innovatievouchers

(…)

Een innovatievoucher is een tegoedbon, uitgegeven door het ministerie van Economische Zaken voor een ondernemer uit het MKB. (…). Er zijn twee soorten innovatievouchers die allebei binnen een jaar na verkrijging bij SenterNovem gedeclareerd moeten zijn (…). Een dergelijke ‘declaratie’ heeft de vorm van een aanvraag om subsidie door de kennisinstelling (…).

(…)

Artikelsgewijs

(…)

Hoofdstuk 5. Innovatievouchers

(…)

Artikel 5.7

(…) Met een geldige innovatievoucher wordt bedoeld een voucher die op naam is gesteld van de ondernemer die het inlevert bij de kennisinstelling en ten behoeve van wie de kennisvraag wordt beantwoord. Voorts is een innovatievoucher slechts geldig als het in de op de voucher aangegeven periode bij een kennisinstelling is ingeleverd en vervolgens gedeclareerd bij SenterNovem. Indien de kennisinstelling bij de aanvraag om subsidie geen geldige voucher overlegt, wordt deze aanvraag (…) afgewezen.

(…)

Artikel 5.11

(…) Bij de aanvraag moeten in ieder geval worden meegezonden (…) de grote innovatievouchers die ten behoeve van het kennisoverdrachtproject (…) zijn ingeleverd. (…) Essentieel is dat innovatievouchers niet te lang ‘op de plank blijven liggen’ en dat de kennisinstellingen en de ondernemer hiermee op betrekkelijk korte termijn aan het werk gaan. De ervaring met de vouchers in de afgelopen jaren heeft uitgewezen dat de gang van de MKB’er naar de kennisinstellingen en het tot stand komen van een match met de kennisinstelling tijd vergt. Om onnodige belasting van MKB’er, kennisinstelling en SenterNovem in verband met het verzoeken tot uitstel te voorkomen, is de geldigheidstermijn van de voucher gesteld op 1 jaar (zie lid 2). Dit betekent dat de kennisinstelling twaalf maanden nadat de ondernemer de innovatievoucher heeft gekregen dient te declareren bij SenterNovem. Er wordt vanuit gegaan dat er ruim de tijd is om de voucher te verzilveren.”

4. Uit de genoemde bepalingen van de Subsidieregeling en de toelichting daarbij vloeit voort dat een innovatievoucher niet meer kan worden verzilverd, en er geen sprake meer is van een geldige innovatievoucher in de zin van artikel 5.7 Subsidieregeling, als meer dan één jaar is verstreken na de datum van verstrekking van een (grote) innovatievoucher aan de ondernemer. Tussen partijen is dat niet in geschil. De hiervoor aangeduide mededeling van verweerder is dan ook niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg, maar louter informatief van aard. Het rechtsgevolg waarvan deze mededeling melding maakt, vloeit immers rechtstreeks voort uit de Subsidieregeling. Gelet hierop is de e-mail van 23 maart 2011 niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb.

Ingevolge artikel 9 van de Kaderwet EZ-subsidies, zoals die ten tijde hier van belang luidde, kan een belanghebbende tegen een besluit, genomen op grond van deze wet, beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Aangezien artikel 7:1 Awb bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, alvorens dat beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar dient te maken, betekent het voorgaande dat tegen de mededeling van verweerder geen bezwaar kan worden gemaakt en verweerder het bezwaar van appellant tegen die mededeling ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

5. Het College komt tot de slotsom dat het beroep gegrond is, het bestreden besluit moet worden vernietigd, onder bepaling dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en het bezwaar van appellant tegen de in de e-mail van 23 maart 2011 vervatte mededeling niet-ontvankelijk wordt verklaard. Gelet daarop komt het College aan een inhoudelijke beoordeling niet toe.

6. Nu het beroep gegrond is, dient verweerder het door appellant voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 27 mei 2011;

- verklaart het bezwaar tegen de in de e-mail van verweerder van 23 maart 2011 vervatte mededeling niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 152,-- (zegge: honderdtweeënvijftig euro)

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Verwayen en mr. R.R. Winter en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2013.

w.g. B. Verwayen w.g. P.H. Broier